Column: Als ik een zeekomkommer was…

Nieuw jaar, nieuwe kansen, of zelfs een geheel nieuw begin. Dat laatste geldt natuurlijk voor jou, eerstejaars. Gefeliciteerd dat je nu al zo studentwise bent om deze column te lezen!
Maar voordat mijn column daadwerkelijk aanvangt, een klein retrospectief: ik weet nog goed hoe ik, om twaalf uur ‘s middags, bij de blauwe bankjes op de begane grond van FSW, een groepje eerstejaars mijn allereerste Mare-artikel zag lezen. Nieuwsgierig kwam ik dichterbij, alleen om er achter te komen dat mijn meesterwerkje keihard werd uitgelachen.
Lieve eerstejaars, je kan - geheel preventief - de tering krijgen.
En dan nu door naar mijn eigenlijke verhaal. Dat speelt zich af in de Filippijnen, waar de Amerikanen in 1945, vlak voor de kust van het eiland Bushwanga, een Japans vloot de zeebodem in boorde. De wrakken liggen rond de 30 meter diepte; op de meeste kun je duiken.
Het was laagseizoen, dus ik kon mij een persoonlijke divemaster veroorloven. Chris was een iel mannetje van rond de vijftig, kaal en compleet oversekst. Elke duik eindigde steevast met een opmerking als: ‘Oh man, did you see that jackfish? I swear, if I were a sea cucumber I would have fucked that jackfish so hard!’
De uren tussen de duiken werden gevuld met verhalen over de geheime bordelen van het oh zo brave moslimland Maleisië en plastische beschrijvingen van de ‘Bangkok sandwich’. Tijdens een van de duiken kwam ik op 40 meter diepte vast te zitten in een verwrongen gang die tot de machinekamer van een kapotgebombardeerde Japanse olietanker leidde. Om te voorkomen dat ik in paniek zou raken keek Chris mij strak in de ogen en schreef toen met potlood op een plastic bordje: ‘Just think of all the girls you could fuck tonight.’ En aan het eind van de middag klonk het: ‘Dude, I’m going to lick some pussy tonight. Man, you know how I love the pussy. PUSSY PUSSY PUSSY! Benjamin, I’ll see you at the karaoke bar.’
Voordat Chris duikinstructeur werd was hij boeddhistisch monnik in een Thais klooster.
In de avonden dat Chris achter de hoeren aanzat en ik met zijn mede-duikinstructeurs onbegrijpelijke Aziatische liedjes probeerde te zingen, kreeg ik veel te horen over de vernietiging van het milieu daar. De zee voor de kust van de Filippijnen is zo overbevist dat lokale vissers soms boten met duikers volgen naar de nog overgebleven koraalriffen, om daar ‘s nachts met dynamiet en cyanide een laatste lading vis binnen te halen.
Volgens de officiële statistieken hebben de Filippijnen in de afgelopen jaren 95 procent van hun koraalriffen gesloopt. Van de jungle die er ooit stond is ook nauwelijks iets over. Bekend natuurlijk. Maar dat is niet hetzelfde als het met eigen ogen zien. Wat heeft mijn promotieonderzoek nog voor zin, als er niets meer over is om te redden?
Terug in Nederland probeer ik ‘s werelds milieuproblemen op te lossen door te kijken naar recycling van zeldzame metaaltjes. Metaaltjes waar bij nader inzien vooral de westerse iPad-kopende consument last van zou hebben als ik faal.
Twee weken heb ik gedeprimeerd achter mijn bureau gezeten en online-comics gelezen. Twee weken kwam ik elke dag tien minuten later op mijn werk. Twee weken van existentiële crisis. Tot ik uiteindelijk met mijn promotor aan tafel zat.
Hij sprak: ‘Overdag moet je gewoon artikelen lezen, data verzamelen en dingen analyseren. Het onderzoek zelf is toch hartstikke leuk? Over de zin van je PhD denk je ‘s avonds maar na.’
En, beste eerstejaars, zo is het. Mijn onderzoek heeft misschien geen zin, maar ik heb er zeer zeker wel zin in.

Benjamin Sprecher
promovendus bij het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden

Deel dit bericht: