Colum: 'Eh, leuk'

In het Klein Auditorium werd ik vijfentwintig jaar geleden onderzoeker. Ik weet de lichtinval nog van het moment dat het gebeurde, ik voel nog wie er links van me zat – ze is tegenwoordig uitgever –, en wie rechts – hij heeft sinds midden jaren negentig zijn eigen tekstbureau.

Professor Van Bree stond achter het katheder. Hij had een ringbaardje, hij droeg een tweed jasje, hij keek de zaal in, en sprak: ‘Dit is, om het met een populair woord te zeggen, eh, leuk.’ 
De precieze inhoud van wat hij zei, was nog niet eens het belangrijkste. Want toen is het gebeurd. Ineens begreep ik dat de man die daar stond zijn leven gewijd had aan de wetenschap, in zijn geval aan de geschiedenis van het Nederlands, en dat dit voor hem niet zomaar een beroep was, iets waar hij overdag zijn centjes mee verdiende om zich dan ‘s avonds te kunnen vermeien bij een aflevering van Dr. Who, maar dat zijn leven en zijn fascinatie voor de taal volledig bij hem samenvielen.

En daar in die collegebankjes, met links de toekomstige uitgever en rechts de tekstschrijver in spe, besloot ik dat ik dat ook wilde. Niet het ringbaardje misschien, en ook niet het aarzelen om leuk te zeggen, en zelfs misschien niet de geschiedenis van het Nederlands – maar een leven lang proberen om iets meer te weten te komen.

Ik neem aan dat veel al mijn medestudenten die middag de uitspraak vergeten zijn, maar hopelijk hebben zij hun eigen momenten gehad. Ze zijn de wereld in getrokken, maar hebben hopelijk begrepen wat dat is, kennis.

Je hebt voor een universiteit natuurlijk niet veel meer nodig dan professor Van Bree en een katheder. Alle toppublicaties, Europese subsidies, studierendementscijfers, internationale rankings, accreditaties en andere targets volgen vanzelf wanneer je maar genoeg mensen in contact brengt met mensen die helemaal geen beroep hebben, maar voorleven hoe je het onmogelijke moet willen: weten hoe alles in elkaar zit.

Dat is vervelend voor de managers, want er valt weinig aan te meten. De momenten vallen niet op een voorspelbare manier op te roepen, en ze zijn ook niet eindeloos te herhalen door ze te filmen en op het internet te plaatsen. De student en de professor, de leraar en de leerling, moeten er samen voor in dezelfde ruimte zijn. Ze moeten aanwezig zijn, zichzelf op het spel zetten, het gevaar lopen dat ze ineens iets stoms zeggen, zodat ze meer geconcentreerd zijn. Voelen dat kennis en wetenschap geen dingen zijn die je kunt vastpakken. Dat je er je hele leven naar moet trachten, en dat dit een zinvol leven is.

Ik weet ook wel dat dit grote woorden zijn, maar de universiteit is nu eenmaal geen suikerklontjesfabriek, maar een plaats waar mensen hopelijk de richting voor hun leven vinden, bijvoorbeeld in het Klein Auditorium.
Gelukkig loopt Cor van Bree, hoewel hij al een tijdje met pensioen is, nog steeds rond in Leiden, en zie je hem zelfs nog over het Rapenburg gaan, op weg naar een gastcollege. Gelukkig ziet hij er nog altijd uit zoals een professor eruit hoort te zien. Hij bezorgt zijn studenten vast nog af en toe zo’n moment en verandert daarmee hun leven. En hopelijk komt er nog regelmatig iemand tot het besef dat wetenschap, om het met een populair woord te zeggen, eh, leuk is.

Marc van Oostendorp is hoogleraar fonologische microvariatie

Deel dit bericht:

Voorpagina

De geneeskunde is ziek

‘De geneeskunde is ziek’, aldus de Britse schrijver-epidemioloog Ben Goldacre …

Achtergrond

Wetenschap

Studentenleven

English page