Laat niet iedereen zijn gang gaan

Dat is pas echte vrijheid, betoogt Rutger Claassen

Door Vincent Bongers

Vrijheid is niet: doen wat je wilt. Om dat punt te maken slalomt politiek filosoof Rutger Claassen langs hedendaagse hangijzers als zeilmeisjes en gescheiden inburgeringscursussen. ‘Alleen Robinson Crusoë kan ongelimiteerd vrij zijn.’

In de haast oneindige stroom van meningen die door politici en opiniemakers over Nederlanders wordt uitgestort, keert het woord vrijheid steeds weer terug. Links en rechts vallen over elkaar heen om als ware voorvechters van de vrijheid te worden gezien. In zijn boek Het huis van de vrijheid probeert Leidse politiek filosoof Rutger Claassen (1978) lijn aan te brengen in de chaotische vrijheidsdiscussie. Ook beschrijft hij hoe de overheid in een steeds veranderende maatschappij voor een zo’n groot mogelijke groep zoveel mogelijk vrijheid kan bereiken.
In de eerste naoorlogse decennia werd de individuele vrijheid alleen maar uitgebreid. De economie bloeide, er kwam een einde aan de verzuiling. Iedereen kreeg meer ruimte om te doen wat hij zelf wilde. Vanaf de jaren negentig volgde een terugslag.
‘Het idee van individuele vrijheid wordt nu met meer argwaan bekeken’, zegt Claassen. ‘Je krijgt er maar schofterige en egoïstische mensen van, is de gedachte. Maar alleen Robinson Crusoë, eenzaam op zijn eiland, kan ongelimiteerd vrij zijn. Het is ook een karikatuur van het vrijheidsideaal om alles maar toe te staan. We leven niet alleen op een eiland maar met elkaar, en dus moeten er, juist vanuit het vrijheidsdenken zelf, grenzen worden gesteld.
In zijn boek maakt Claassen onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid houdt in dat de overheid zich niet met individuen bemoeit. Dat veronderstelt dat mensen al de capaciteiten hebben om vrij te zijn. ‘Maar dat is niet altijd het geval. Verschillen in omgeving, gezin en stomweg pech maken dat de uitgangspunten niet voor iedereen gelijk zijn. Bij positieve vrijheid kijkt de overheid daar wel naar en grijpt ze in waar nodig is. Het vrijheidsideaal dat ik verdedig is er een van persoonlijke autonomie. Dat betekent niet dat je iedereen zijn gang laat gaan. Juist vanuit een bekommernis om het creëren van die autonomie moet de overheid zich bemoeien met mensen. Zij moet opereren in een spanningsveld tussen vrij laten en vrij maken.’
In zijn missie om vrijheid te herijken slalomt de filosoof langs hedendaagse hete hangijzers. En hij roeit soms flink tegen de stroming in. Zo vindt hij dat om de vrijheid van volgende generaties te garanderen er weer moet worden ingezet op het mengen van witte en zwarte scholen. ‘De politiek is daar klaar mee. Het is natuurlijk een belemmering van de vrijheid van ouders niet de school kunnen kiezen die zij willen. Maar dat is uiteindelijk te legitimeren omdat het om de vrijheid van het kind gaat. En die laatste lijkt mij waar het onderwijs uiteindelijk om zou moeten draaien. Je wilt als staat toch dat Marokkaans-Nederlandse kinderen zonder argwaan worden bekeken. Dat betekent dat je moet inzetten voor een vorm van integratie waar echt interactie tussen verschillende bevolkingsgroepen plaatsvindt. Dat gebeurt hier nauwelijks.’
Maar daar staat ook iets tegenover. ‘Je mag best strenger zijn en meer van immigranten verwachten. Dat kan door stevige eisen te stellen aan de sociale zekerheid. Polen en Bulgaren die hier komen, hebben bijvoorbeeld erg gemakkelijk toegang tot de bijstand. We zouden kunnen eisen dat iemand vijf jaar in het land moet wonen voordat hij recht heeft op een uitkering. Sociale regelingen zijn opgezet om Nederlanders waar het even wat minder goed mee gaat op te vangen. Je moet eerst je plaats bevechten. De taal leren, weten hoe een land in elkaar steekt.’
Toch vindt hij niet dat we verkrampt moeten doen over gemeenten die inburgeringcursussen aanbieden waar mannen en vrouwen gescheiden zijn en die na een rel in 2009 door de toenmalige minister van integratie, Eberhard van der Laan, werden verboden. ‘Het past inderdaad niet in ons idee van gelijkheid van man en vrouw om zoiets toe te staan. Maar denk er nu eens wat langer over na. Als die vrouwen wel komen bij gescheiden cursussen, en anders niet, dan heiligt het doel de middelen. Zo’n cursus kun je zien als beginpunt, het eindpunt is emancipatie.’
In de politiek is er helaas weinig vrijheid om te nuanceren. ‘De mediadruk is groot en Wilders hijgt in de nek. Het is moeilijk om de rug recht te houden.’
De spanning tussen persoonlijke vrijheid van de individu en de rol van de staat komt ook terug in de zaak van het zeilmeisje Laura Dekker. Claassen plaatst kanttekeningen bij haar geslaagde recordpoging. ‘Een kind is nog niet autonoom en heeft begeleiding nodig in het maken van keuzes. Dat vereist continue interactie met anderen. Een eigen identiteit vormt zich door jezelf te vergelijken met leeftijdsgenoten. Het is twijfelachtig of dat mogelijk is als je twee jaar alleen op een boot zit. Ook de ouderlijke verantwoordelijkheid is nauwelijks uit te oefenen. De tijd zal moeten leren welke invloed haar reis op haar ontwikkeling heeft gehad.’
De overheid zorgt er voor dat individuen hun capaciteiten kunnen benutten. ‘Ik verdedig het controversiële standpunt dat kunstsubsidies in dat kader niet noodzakelijk zijn. Kunst is ontzettend waardevol maar je kunt prima een autonoom individu worden zonder museumbezoek. De overheid mag er geld aan uitgeven, maar erken dan dat het om sponsoring van liefhebberijen gaat.’
Ook radicaal is het standpunt van Claassen over de economische toekomst. ‘We moeten van het idee af dat economie die maar blijft groeien. Dat is onder andere met het oog op duurzaamheid en milieu niet haalbaar. En dat belemmert de vrijheid van volgende generaties.
Dit idee is in de politieke mainstream volstrekt taboe. Toch heeft Claassen er vertrouwen in dat uiteindelijk wordt geluisterd naar meer ‘groeikritische’ geluiden. ‘Ik blijf geloven in het adagium “Optimism is a moral duty”. We kunnen niet opgeven er iets van proberen te maken. Ook in deze tijd van veel snelle meningen, is er ruimte om over deze kwesties na te denken.’

Rutger Claassen, Het huis voor de vrijheid, Een politieke
filosofie voor vandaag. Uitgeverij AMBO Amsterdam, 371 pgs, € 22,50

Deel dit bericht: