Holle Bolle Gijs maakt het waar

Het succesverhaal van de Nederlandse astronomie

Door Bart

Hoe kon een land dat zo ongeschikt is voor sterrenkunde toch zoveel experts opleveren? In De ontdekkers van de hemel geeft wetenschapshistoricus David Baneke het antwoord. ‘Daar kweekt men tulpen en astronomen voor de export.’

In november 1835 moet het ’s nachts behoorlijk fris zijn geweest in Leiden, maar dat weerhield de jonge Frits Kaiser er niet van om de dakpannen van zijn zolderkamer te halen.
Er was namelijk iets bijzonders te zien. De komeet van Halley, een hemellichaam dat elke 76 jaar in de buurt van de aarde komt. Kaiser was wetenschapper, en had precies uitgerekend waar en wanneer de komeet zichtbaar zou zijn. Allerlei uitgenodigde notabelen en hoge ambtenaren keken mee in het pand aan de Cellebroersgracht – tegenwoordig de Kaiserstraat.
Kaisers berekeningen klopten, en alle aanwezigen waren zeer onder de indruk. De prestatie leverde hem een eredoctoraat op aan de Universiteit Leiden, en dat zorgde ervoor dat hij hoogleraar kon worden toen er in 1840 een vacature kwam. Hij zou de geschiedenis ingaan als de eerste ‘echte’ Nederlandse sterrenkundige in tijden. ‘Dat kwam eigenlijk vooral omdat hij zichzelf als zodanig profileerde’, schrijft wetenschapshistoricus David Baneke in De ontdekkers van de hemel.
Daarmee veegde Kaiser wat voorgangers en zijn Utrechtse collega Christophorus Buys Ballot onder het tapijt, maar echt veel sterrenkunde was er inderdaad niet in Nederland, toentertijd. Dat is ook niet zo gek, want Nederland is een ronduit beroerde plek om astronomische waarnemingen te doen. Zelfs als het niet bewolkt is, zit er meestal nog wel vocht in de lucht. Een sterrenstaarder wil het liefst mooie hoge bergen met droge, ijle lucht eromheen, maar die zijn Nederland niet gegeven.
Desondanks produceert Nederland sinds Kaiser een stroom aan hoogwaardige sterrenkundigen. Niet alleen voor onze eigen universiteiten: wie de lange auteurslijsten bij toppublicaties leest, vindt daar behalve astronomen aan Nederlandse universiteiten ook een hoop namen van internationaal uitgezwermde Nederlanders. Harlow Shapley, een oude directeur van het observatorium van Harvard, schijnt Leiden ooit omschreven te hebben als ‘the place where they grow tulips and astronomers for export’.
Baneke is verbonden aan de Leidse sterrewacht, en aan het Freudenthal-instituut voor wetenschapsgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. In zijn boek probeert hij te verklaren hoe een land dat zo ongeschikt is voor sterrenkunde toch zoveel goede sterrenkundigen oplevert.
Onderzoek doen in de astronomie is alleen de slimsten en meest gemotiveerden gegeven. Maar de wijdsheid van het universum, de schoonheid van de sterrenhemel, de elegantie van de natuurkunde die het allemaal mogelijk maakt en de prikkeling van de raadsels die nog open liggen, trekken ook leken aan.
Er ontploft ook nog wel eens wat in de ruimte, voor wiens smaak meer in de richting van enorme knallen gaat.
Dat alles betekent dat een boek over sterrenkunde zelf leuker is dan een boek over sterrenkundigen, voor de meeste mensen. Baneke doet echter zijn best om het grotere verhaal te larderen met leuke anekdotes.
Een student van de Leidse topastronoom Jan Hendrik Oort vertelde over diens mening over nevenactiviteiten in studentenverenigingen: ‘Hij was heel enthousiast over alle dingen die je deed, op kunstzinnig en ander gebied, zolang je maar al je tijd aan de sterrenkunde besteedde.’
Oorts mentor, de Groninger Hendrik Kaptein, kreeg maar geen telescoop, en in de brieven die Baneke citeert is zijn frustratie voelbaar. Uiteindelijk maakte hij van de nood een deugd, door samen te werken met buitenlandse onderzoekers. De Nederlandse sterrenkunde doet dat nog steeds, en profiteert daar nog steeds van.
Kaiser had toen overigens al wel telescopen. De Leidse sterrenwacht kwam er deels met particulier geld. Het Leidsch Studenten Corps tastte diep in de buidel voor Kaiser, vooral uit rivaliteit met Utrecht. In de oorlog werden er stiekem verzetskrantjes vermenigvuldigd.
Na de oorlog kwam de radio-astronomie op; het werd een Nederlandse specialiteit. De grootste radiotelescoop ter wereld, LOFAR, ligt bij het Drentse Exloo.
Dat soort reusachtige onderzoeksapparatuur kost veel geld, en de Nederlandse sterrenkundigen zijn buitensporig goed in het binnenslepen daarvan. Baneke identificeert een aantal factoren die daaraan bijdragen. Eén daarvan is het vermogen om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Als er al onenigheid is, dan blijft die binnenskamers. Dat sterrenkunde een ‘schone’ wetenschap is, helpt ook om budget binnen te krijgen. Biologen maken proefdieren dood, natuurkundigen maken atoombommen en scheikundigen gif; de sterren zijn echter boven alle misstanden verheven.
Sterrenkunde is ook bij uitstek geschikt om mensen enthousiast te maken voor bèta-wetenschap in het algemeen. Oud-minister Maria van der Hoeven droeg het vakgebied daarom een warm hart toe.
Naarmate de Nederlanders meer successen binnen haalden, kwam daar nog een reden bij: die subsidies waren nodig om de veroverde toppositie vast te houden.
Bij een grote subsidieaanvraag in 1998 leverden de sterrenkundigen voor de zekerheid een lijstje in met alle onderwerpen waarmee de Nederlandse astronomie zich niet bezighoudt: ze wilden niet als een Holle Bolle Gijs worden gezien.
Vooralsnog leveren de astronomen wetenschappelijke waar voor hun geld. Dat maakt soms wel erg zelfverzekerd, beschrijft Baneke. ‘Bestuurders die sterrenkunde niet de hoogste prioriteit geven wordt gebrek aan visie verweten. Niet alleen omdat ze de belangen van de sterrenkundige gemeenschap schaden, maar ook omdat astronomen oprecht niet begrijpen dat iemand onverschillig kan zijn over zo veel fascinerende materie.’

David Baneke
De ontdekkers van de hemel, de Nederlandse sterrenkunde in de twintigste eeuw. Prometheus/Bert Bakker, 384 blz. € 24,95

De zonsverduistering en de nieuwe telescoop

De Leidse Sterrewacht is de oudste universitaire sterrenwacht ter wereld. Sterrenkundigen komen er tegenwoordig vooral voor hun plezier; hun werkplekken zijn verplaatst naar het Oortgebouw. Het monumentale pand is nu vooral een bezoekerscentrum met informatie over sterrenkunde. Het is te bezoeken als onderdeel van de Hortus Botanicus.
Toch krijgt de Sterrewacht deze week een nieuwe telescoop. In navolging van oprichter Frederik Kaiser gingen Leidse sterrenkundigen en instrumentmakers met de pet rond. Via een crowdfunding-campagne zamelden ze meer dan twintigduizend euro in voor een speciale zonnetelescoop. Het apparaat bestaat uit de telescoop zelf, een projector die het opgevangen beeld laat zien op een scherm, en een zogeheten heliostaat. Omdat de aarde draait, staat de zon steeds op een andere plek aan de hemel: een heliostaat is in wezen een spiegel op een klok die met de zon meebeweegt, zodat het zonlicht steeds naar dezelfde plek weerkaatst wordt. De heliostaat is overigens een Leidse uitvinding: de allereerste werd gemaakt door Newtons tijdgenoot en adept Willem Jacob ’s Gravesande.
Als alles goed gaat, zou de telescoop de activiteit van het zonne-oppervlak zichtbaar moeten maken: zonnevlekken en zonnevlammen. De telescoop is precies op tijd klaar voor de zonsverduistering van komende vrijdag. Die is het beste te zien in de buurt van de Faeroër-eilanden, maar in Nederland is tijdens het hoogtepunt van de eclips toch nog 84 procent van de zon afgedekt. Voor wie het nog niet wist: niet met blote ogen kijken, maar door een eclipsbril!
Vanaf half tien ’s morgens – als de maan net voor de zon begint te schuiven – gaan de deuren van de sterrewacht open. Er is een lezing over zonsverduisteringen en zonnetelescopen, en na afloop gaat de Leidse zonnetelescoop in gebruik.

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

Het grote Nee

Willem Frederik Hermans was een meester in het rendementsdenken: als docent én …

Wetenschap

Studentenleven

Door liefde verbannen

Wie verliefd wordt, moet verhuizen. Mare stortte zich in de regels rondom huisrelaties. …

Nieuws

Rubrieken

527....: Spokanië

Vijfenvijftig jaar lang bouwde Rolandt Tweehuysen aan Spokanië, een fictieve …

English page