Column: Cultuurbarbaar

Foute vrienden komen in veel variaties. Je hebt de drugsprofeten, de pooiers-in-spe, de goeroes van het grote ‘het is geen alcoholisme als je samen in de goot ligt’, en de mensen die eigenlijk een therapeut en een recept voor fluoxetine nodig hebben, maar bereid zijn om voor jou te settelen. Mijn foute vrienden vallen dan nog mee. Dat zijn maar academici.
Afgelopen week organiseerden ze een internationale conferentie over barbarisme (headliners: twee literatuurwetenschappers en een geschiedkundige!) en een daaraan verbonden kunstevenement (headliners: dezelfde literatuurwetenschappers en geschiedkundige, maar nu aan een bar!) en zoals foute vrienden dat vaak doen, sleurden ze mij er tegen wil en dank in mee. Ik bladerde verward door mijn conferentiedraaiboek en bakte driehonderd cultureel verantwoorde gelukskoekjes. De conferentie was tot daar aan toe; daar kon ik in ieder geval in het kader van netwerken wijn gaan halen voor hologige doctoren.
Het thematisch gerelateerde kunstevenement was een ander verhaal. Toen ik er mijn opwachting maakte, bleken mijn bange vermoedens gegrond. Het was niet alleen een kunstevenement: er waren ook kunstenaars. In het wild.
Tijdens mijn illustere middelbareschooltijd had ik ooit als sneue uiting van tienerrebellie een dag meegelopen op een Kunstacademie, en ik had daar een gezonde achterdocht voor dergelijk volk ontwikkeld. Zonder dus oogcontact dan wel plotselinge bewegingen te maken manoeuvreerde ik me door de ruimte heen, me met mijn driehonderd cultureel verantwoorde gelukskoekjes verbergend achter de gordijnen die een vooruitziende geest had opgehangen. Iemand vroeg me wat mijn koekjes met barbarisme te maken hadden, en ik zag tot mijn afgrijzen dat het één der kunstenaars was. Gelukkig hadden vijf lange jaren van wanhopig nachtelijk essayschrijven me op dit moment voorbereid, en ik liet wat wetenschappelijke namen vallen en mompelde een paar halfverzonnen multisyllaben. De kunstenaar sloop argwanend weg.
Naarmate de avond vorderde (en nadat de zeer enthousiast onthaalde absintbar openging) werden de verzamelde bezoekers, onder wie ook veel verdwaasd rondwandelende conferentiegangers, steeds barbaarser. De conferentiegangers praatten steeds luider over hun eigen onderzoek en luisterden steeds minder naar hun gesprekspartners. De kunstenaars produceerden steeds meer vervreemdend werk. Beschaafdheid en stemming leken omgekeerd evenredig aan elkaar verbonden te zijn.
Mijn driehonderd cultureel verantwoorde gelukskoekjes waren inmiddels bijna op, en ik begaf me vol goede moed al richting absintbar toen wederom bleek dat de grens tussen academisch geschoolde parttime kunstenaar en serveerster zeer onscherp is. Ik kreeg een dienblad vol gevriesdroogde insecten in handen gedrukt om de aanwezige kunstenaars en bezoekers te choqueren, en er misschien ook een paar te overtuigen een salt & vinegar-krekel te consumeren. Als laatste bastion van het postkolonialistische, verwaterde exotisme zijn onconventionele voedingswaren namelijk de manier om vastgeroeste westerlingen het idee te geven dat ze een heel meeslepend leven leiden.
De doctoren doken dan ook als één man op de meelwormen en hun gezouten, geleedpotige vriendjes. ‘Spannend!’ riep er één, en we tikten onze krekels tegen elkaar bij wijze van toast. Terwijl de thorax tussen mijn kiezen knisperde keek ik de geleerde diep in de ogen, en even ontstegen we de conferentiegangers en kunstenaars om ons heen. Even waren we cultuurbarbaren. Toen zei ze ademloos: ‘Wat heerlijk. Wat fantastisch. Dat ik dit gedaan heb. Fantastisch. Dit is waar kunst om gaat.’
De krekel smaakte naar kunstmatige barbecuesmaakstoffen, en er zat een vleugeltje vast tussen mijn voortanden. Achter haar bril glinsterden de ogen van de ontroerde doctor met een totaal gebrek aan ironie. Toch kon ik niet anders dan het met haar eens zijn.

Anne van de Wijdeven
Masterstudent literatuurwetenschap

Deel dit bericht: