Een beertje van de nazi’s

Leidse studente zocht naar foto’s gedeporteerde kinderen

Door Vincent Bongers

Aline Pennewaard verzamelde foto’s van gedeporteerde Joodse kinderen. ‘Je weet: bijna allemaal zijn ze weg. Maar als je bij elke foto gaat huilen, moet je ermee ophouden.’

‘Toen ik een jaar of acht was, moest ik een spreekbeurt houden’, zegt studente wereldgodsdiensten Aline Pennewaard (1978). ‘Mijn ouders adviseerden De Tweede Wereldoorlog als interessant onderwerp. “Ga eens met je opa praten, die is in 1916 geboren”, zeiden ze. Mijn opa liet bonkaarten zien, dat maakte het al heel echt. Hij vertelde ook over het Joodse slagersgezin Izaks in Woerden, waar hij als knecht had gewerkt. Zij zijn in 1943 in het concentratiekamp Sobibor vermoord. Dat vond ik werkelijk bizar. Ik hoorde voor het eerst van de Holocaust. Dat is niet te vatten, zeker als kind niet. Het was zo onwerkelijk, daar wilde ik meer van weten.’
De fascinatie mondde jaren later uit in een project. Samen met journalist en schrijver Guus Luijters stelde ze het boek In Memoriam samen, dat vorige week verscheen.
Er werden gedurende de oorlog 19.048 kinderen gedeporteerd naar concentratiekampen. Onder hen veel Joden maar ook Roma en Sinti. Slechts weinig kinderen overleefden de Holocaust.
Luijters en Pennewaard slaagden er in om 3000 foto’s van door de Duitsers vermoorde kinderen te vinden en te koppelen aan namen. Aan In Memoriam is een tentoonstelling gekoppeld in het Stadsarchief in Amsterdam.
‘Wij wilden dat er een centraal punt kwam, waar al deze foto’s aan namen werden gekoppeld. Het moment dat niemand er meer uit eerste hand over kan vertellen, komt snel dichterbij. Als ik er niet meer ben, dan staan ze toch nog ergens, zeggen veel nabestaanden. En dat geeft hen een fijn gevoel.’
Pennewaard verslond als kind een grote hoeveelheid boeken en documentaires over de oorlog. ‘Ik mocht niet alles zien van mijn ouders. Het was tenslotte een hoop narigheid. Daar ga je eng van dromen, vonden zij. Toen werd ik natuurlijk kwaad.’
Soms werd het haar wel wat te veel, zoals bijvoorbeeld bij een bezoek aan het Anne Frank Huis. ‘Ik had het dagboek gelezen en wilde daar natuurlijk graag heen. Ik moest naar de wc. Het duurde allemaal wel heel lang en mijn moeder ging even kijken. Zat ik daar in tranen. Ik weet daar zelf overigens niets meer van.’
De opening van de tentoonstelling was ook best moeilijk. ‘Daar lopen nabestaanden rond. De hele lucht zindert van de emotie. Het verdriet van mensen is tastbaar. Het heeft een enorm gat geslagen.’
Ze raakte geïnteresseerd in kinderen waarvan veel minder bekend was dan van Anne Frank. ‘Ik las over Sanne Ledermann, een vriendinnetje van Anne. Ik bedacht dat er nog duizenden kinderen zijn omgekomen van wie we nauwelijks iets weten. Ik wilde kijken wat ik boven water kon krijgen.’
In 2001 begon de zoektocht. ‘Elke naam die ik vond, haalde ik door een cd-rom met alle Nederlandse telefoonnummers en adressen. Ik benaderde mensen met een brief en verzamelde zo de eerste honderd foto’s. Er kwam media-aandacht. Bijvoorbeeld van het televisieprogramma Hart van Nederland. Toen gingen mensen mij benaderen en liep het een stuk harder.’
Al de foto’s maken indruk. De schattige en keurige familieportretten, de afbeeldingen van kinderen met een beugel of een iets te grote bril, de klassenfoto’s. ‘Na 1941 mochten Joodse kinderen niet meer naar openbare scholen. Dan zie je rijen met meisjes met grote Jodensterren op kleine jurkjes. Je weet: bijna al die kinderen zijn weg. Als er drie per klas over zijn gebleven, is dat veel. Ze hadden er allemaal nog moeten zijn. De kans om op te groeien is ze ontnomen.
‘De eerste keer dat ik die foto’s zag, was ik ook van de kaart. Je bouwt een verdedigingsmechanisme op. Als je bij elke foto gaat huilen, moet je ermee op houden. Ik ben al jong blootgesteld aan shockerend materiaal. Het is een soort gewenning, al is dat niet het goede woord. Je leert het een plek te geven.’
De boosaardigheid van de nazi’s nam bizarre vormen aan. Het korte leven van Michieltje Prins illustreert dat op navrante wijze. ‘Hij werd in 1943 maanden te vroeg geboren en kwam meer dood dan levend in kamp Westerbork aan. De commandant heeft toen een couveuse laten aanrukken. De beste zorg was nog niet goed genoeg. Ze zijn een maand of twee bezig geweest om hem op te lappen. En toen werd hij afgevoerd naar de gaskamers. Dat is niet te snappen.’
Maar het verhaal dat haar het meest raakt, is dat van Koen Gezang. In 1942 werd er een vondeling gebracht naar de Joodse crèche in Amsterdam. Hij werd Remi van Buijtenwijck genoemd. Iedereen was gek op het kind, ook de nazi’s. Dat laatste maakte het juist onmogelijk om Remi ergens veilig onder te brengen. Hij zou direct gemist worden.


‘Hij werd verwend, kreeg een beer van de Duitsers. Maar ze lieten hem wel afvoeren. Dat is onvoorstelbaar.’ Remi gaat op transport naar Westerbork en vervolgens naar Sobibor waar hij in mei 1943 wordt vermoord.
Pas tien jaar geleden werd duidelijk dat Remi’s echte naam Koenraad Huib Gezang is. Pennewaard kwam er achter dat Koen niet op de transportlijst naar het kamp stond. ‘De Duitsers hielden alles heel goed bij. Dus dat was vreemd. Hij was onder een andere naam gedeporteerd.’
Uiteindelijk kwam ze in contact met Edward Gezang (83), de broer van Koen. ‘Hij belde op uit Zweden waar hij al heel lang woont. Hij had foto’s, maar na een kort gesprek begon hij ontzettend te huilen en hing op. Ik ging er vanuit dat ik niets meer van hem zou horen. Een half uur later belde hij terug en zei hij dat mee wilde werken.’
Nu het boek op de plank staat, betekent dat niet het einde van de zoektocht.
‘We stoppen niet. Er komen door de publiciteit rond het boek ook weer meer foto’s binnen. Je bent pas klaar als je de 18.000ste foto in handen hebt. Ik wil in ieder geval verder met Holocaust Studies. Het idee om ook een boek over de vermoorde Duitse kinderen te maken, speelt ook in mijn hoofd rond.’

Guus Luijters en Aline Pennewaard, In Memoriam
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
960 pag. €99,95

Deel dit bericht: