Achtergrond
Karin Amatmoekrim vraagt zich af: wie mag wat zeggen?
Hoe gaat Nederland om met schrijvers van kleur, vraagt gastschrijver Karin Amatmoekrim (42) zich af. Donderdag geeft ze de Albert Verwey-lezing. ‘Serieus: mensen moeten echt harder nadenken.’
Frank Provoost
dinsdag 5 november 2019
Foto Bastiaan Woudt

‘Een schrijver kannibaliseert zijn familie. We teren op de mensen die ons hebben gevoed. We wonen hun levens uit.’

(Uit: Tenzij de vader, 2016)

‘Die meedogenloosheid is wel heftig, hè? Maar elke schrijver moet zo zijn. Dat boek is gewoon het belangrijkste. Daar heb ik het met de studenten tijdens de colleges life writing ook over gehad: wat er allemaal op het spel staat.

‘Ik had me voorgenomen dat een boek over mijn vader alleen de moeite waard zou zijn als ik echt alles zou onderzoeken, dus ook de plekken waar juist weerstand was. Het mocht geen veredeld dagboek worden. Het moest het hyperindividuele overstijgen en een groter verhaal vertellen over wie ik ben als schrijver. Heel moeilijk… maar toch doen, hè? Waarom? Omdat ik vind dat ik zinnige dingen te zeggen heb.

‘Dit was extra moeilijk omdat er tegelijkertijd een documentaire over me werd gemaakt voor Het uur van de wolf: De jacht op mijn vader.’ Het is een prachtige film geworden hoor, maar ze hebben me tweeënhalf jaar gevolgd. Ik werd helemaal gek. Ik ben liever degene die iemand portretteert, dan andersom.

‘Het was allemaal zó persoonlijk. Jezus, dacht ik toen het allemaal was afgerond: genoeg over mij. Ik ben nog benaderd voor een toneelbewerking van Tenzij de vader. Maar heb vriendelijk bedankt. Alsjeblieft niet zeg. What’s next? Lekker dansen op mijn eigen trauma?’

‘Terwijl de wereld beduidend is veranderd, bijt de Nederlandse literatuur zich onveranderd vast in het eigene.’

(Uit: ‘Een monoculturele uitwas, De ondraaglijke witheid van de Nederlandse letteren’, De Groene Amsterdammer, 2015)

‘Ik ben nu bezig met een proefschrift over de Surinaamse schrijver en opiniemaker Anil Ramdas (1958 – 2012). Heimwee was een belangrijk thema in zijn werk. Dat geldt voor veel postkoloniale literatuur: herinneringen aan het achtergelaten land moeten de plek van het verlies innemen. Alleen: Ramdas is niet alleen zijn geboortegrond verloren, maar ook het idee dat hij van Nederland had. Dat was: een samenleving die het vermogen had om kritisch naar zichzelf te kijken, en onwenselijke elementen wist aan te passen om zo te kunnen meegaan in de nieuwe tijd.

‘Aanvankelijk werd hij als publicist op handen gedragen. Hij was toen heel kritisch op zijn moederland. “De Surinaamse literatuur is mislukt”, klaagde hij bijvoorbeeld, omdat hij het onbegrijpelijk vond dat het land geen V.S. Naipaul (Nobelprijswinnaar uit Trinidad en Tobago, red.) had voortgebracht. Maar toen hij steeds meer kritiek kreeg op Nederland, kantelde die waardering.

‘Met de opkomst van het populisme vroeg hij zich af: “Waarom krijgen PVV-stemmers, die Tokkies, dat white thrash zoveel aandacht? Waarom luisteren we naar mensen die duidelijk niet zijn geïnformeerd en alleen vanuit de onderbuik redeneren?” Toen is hij keihard aangepakt. Uiteindelijk werd er gezegd: hij is uit de mode geraakt, uit de tijd gevallen. Het tragische is ook dat hem politiek-correctheid werd verweten, terwijl hij juist uitging van grote, kosmopolitische ideeën. Er waren meer schrijvers die kritisch waren over de PVV. Het venijn en enthousiasme waarmee Ramdas werd neergehaald, is heel merkwaardig.

‘Behalve een biografie is mijn proefschrift ook een politiek-culturele studie naar de positie van de zwarte intellectueel in Nederland. Ik gebruik hem als een zaklamp, om vragen te belichten die te groot zijn om in fictie te beantwoorden. Namelijk: hoe gaat Nederland om met schrijvers van kleur? Wie mag wat zeggen? Dan blijkt dat Nederland toch minder kleurenblind te zijn dat altijd werd voorgedaan.'

‘Ideeën over identiteit zijn compleet op zijn kop gezet’

‘Ideeën over identiteit zijn compleet op zijn kop gezet. Dat hele ding was altijd iets waar wij migranten mee moesten dealen, nu is het opeens het allerbelangrijkste politieke thema voor iedereen. Alles wat witte Europeanen nu aan het onderzoeken zijn, daar worstelen wij al honderd jaar mee. Uiteindelijk gaat het allemaal om één universeel menselijk thema: hoe verhouden we ons tot de ander?

‘Het Westen heeft eigenlijk ook een wereld in zichzelf verloren. Ik ben ervan overtuigd dat we veel kunnen leren uit de poëtica van verlies uit de postkoloniale literatuur. Hoe dan? Dat leg ik donderdag uit in mijn Albert Verwey-lezing. Toen ik hoorde hoe groot het auditorium van het Academiegebouw is, werd ik toch wel even zenuwachtig. Die moet wel vol. Alles is een wedstrijd, hè?’

‘Het was anders dan de middelbare school: ook al was ik hier weer omringd met kinderen van blanke, hoogopgeleide ouders. We lazen, en we droomden. De universiteit voelde breder. Het voelde alsof ik beter op mijn plek was dan ik ooit was geweest.’

(Uit: Tenzij de vader)

‘Op de middelbare school hoor je: “Jullie zijn de nieuwe intellectuelen. Alles moet worden uitgedaagd!” Op de universiteit gaat dat weer zo. “Alles staat ter discussie!” Dan blijkt dat dat helemaal niet gebeurt. De intellectuele nieuwsgierigheid is beperkt. Serieus: mensen moeten echt harder nadenken. Hoe weinig moeite er wordt gedaan om nog even iets verder te kijken. Dat vind ik echt een deceptie.

‘Nog veel meer dan in Ramdas’ tijd is er een heel regressieve beweging die blijft vasthouden aan ideeën die niet meer relevant zijn. Ik snap het wel: zodra aan dingen wordt getornd gaan mensen zich extra vastbijten. Maar een cultuur die wil blijven bestaan, moet meebewegen. Dat proces is pijnlijk, maar het is belangrijk om te beseffen dat we met elkaar moeten samenleven, hoe dan ook, en dat het alleen kan als we alles bespreekbaar maken, en het grondig met elkaar oneens kunnen zijn.

‘Filosoof Kwame Anthony Appiah beschrijft hoe de dynamiek van morele revoluties overal op de wereld hetzelfde is. Samenleving blijven eerst krampachtig vasthouden aan elementen uit een nationale cultuur waaraan ze al honderden jaren trots ontleden: voeten binden in China, stierenvechten in Spanje, zwarte piet in Nederland. Er bestaan heldere, morele tegenwerpingen, maar die helpen nooit. Totdat er genoeg mensen zijn die zich ervoor beginnen te schamen. Dan kantelt het onmiddellijk en is het binnen een paar jaar weg. Dat is troostend.

‘De intellectuele nieuwsgierigheid is beperkt. Dat vind ik echt een deceptie’

‘Na mijn promotie ga ik een geschiedenis schrijven over Suriname, zoals David van Reybrouck dat deed over Congo. Hij vertelt de historie vanuit menselijk perspectief, waarin verbeelding een belangrijke plek heeft. Voor Suriname is dat ook een perfecte manier. In Nederland wordt Suriname altijd kleiner gemaakt, en minderwaardig. Het gaat altijd over het probleemkind en de politieke puinhoop, heel awkward. Daar heb ik helemaal geen zin in.

‘Als je de geschiedenis uitsluitend vertelt aan de hand van de feiten, mis je een essentieel onderdeel. Suriname leeft heel erg in het ongrijpbare: kinderliedjes, sprookjes en volksverhalen uit bijna alle continenten komen er samen. Al die invloeden en bevolkingsgroepen vormen samen een bizarre eenheid. Die energie, dat is wat ik wil beschrijven.’

Karin Amatmoekrim en haar vader Eric Lie, ‘een kruising tussen Crocodile Dundee en Jackie Chan’. Still uit ‘De jacht op mijn vader’.

‘Ik schreef dit boek niet om met mijn vader af te rekenen. Ik zocht een verklaring, of misschien eerder een excuus, om te zijn zoals hij: onverbeterlijk en genadeloos mezelf.’

(Uit: Tenzij de vader)

‘Het is natuurlijk een oneerlijke wedstrijd. Als schrijver heb je macht over de taal. En wat ik van mijn vader vind, heeft veel meer bereik dan andersom. Sommige mensen in zijn omgeving vonden dat heel moeilijk. “Kijk nou wat ze met je heeft gedaan”, zeiden ze. “Ze zet je te kijk!” Dan kun je wel aankomen met je theoretische antwoord: “Het is kunst hoor” – en dat vind ik ook – maar er zijn altijd collega’s en buurvrouwen en bakkers die hem erop zullen aanspreken.

‘Je kan over mijn vader van alles vinden: hoeveel steken hij heeft laten vallen, dat hij altijd zijn eigen zin deed. Maar ik zie ook een sterke man die de ballen heeft om zijn leven te leiden precies zoals hij wil. Achteraf toonde hij die veerkracht ook. Hij heeft niet het contact verbroken, hij heeft me er niet op aangesproken. Hij is zich ervan bewust dat hij mij niks meer kan geven omdat hij er nooit is geweest. Het enige wat hij voor mij kon doen was zich laten gebruiken voor mijn boek. En dat doet hij met opgeheven hoofd. Want, zegt hij: “Alles wat je hebt opgeschreven is gewoon waar.”

‘Het was voor hem wel moeilijk om die film te zien. In een interview weiger ik te zeggen dat ik van hem hou. Voor een vader is dat natuurlijk verschrikkelijk om te horen, maar ik ben nu eenmaal precies met woorden. Ook daar heeft hij inmiddels vrede mee. Maar als ik hem bel, zegt hij wel: “Oh, is dit de dochter die niet van me houdt?” Een beetje als grap, maar toch ook om het me niet te laten vergeten.’

 

Karin Amatmoekrim, We hebben een wereld verloren. De poëtica van het verlies. Albert Verwey-lezing, Academiegebouw, donderdag 7 november 17:15 u, meer info hier