Franciscus dele BoŽ, Sylvius, geneeskundige

De leerzame dood

Harmanus Fagineus
med. stud. Roterodamensis

Rapenburg 31. Wie van ons, medisch studenten, herinnert zich niet hoe we ons repten naar de collegekamer in het achterhuis om het privatissimum onze eminente leermeester Franciscus dele BoŽ, Sylvius te volgen. Wat waren wij onder de indruk van de met eloquentie uitgespro-ken Latijnse volzinnen waarmee de Hooggeleerde ons de vergezichten van een nieuwe ge-neeskunde schilderde, een geneeskunde doordrongen van nieuwe gezichtspunten ontleend aan de wiskunde, de natuurkunde en bovenal de scheikunde. Wat waren we trots als we dat huis mochten betreden om in professors laboratorium en distilleerkamers ingewijd te worden in de geheimen van de experimentele wetenschappen. Hoe grimmig was het lot dat deze joviale man in het afgelopen jaar trof: eerst werd tijdens de hevige epidemie zijn eenentwintigjarige echtgenote weggerukt en kort daarna zijn dochtertje, nog geen acht maanden oud.
Mijn gemoed schoot dan ook vol toen ik dit huis weer betrad kort nadat Sylvius het rectoraat had overgedragen. Het verbaasde ons niet dat hij die vreselijke pestziekte van het afgelopen jaar tot onderwerp van zijn rede had gekozen. Immers, dieper was onze gemeenschap tijdens haar bestaan niet getroffen. Alleen al onder de hoogleraren waren zes doden te betreuren, waaron-der de fameuze anatoom Johan van Horne en de al even beroemde vertaler van Descartesí Traitť de líhomme Florentius Schuyl. Gelukkig bleef onze Sylvius, ondanks een maandenlang ziekbed, overeind en kon hij in november 1669 bekendmaken dat de colleges heropend werden. Helaas waren veel medestudenten onder de pestdreiging Leiden ontvlucht.

Hooggeleerde Heer, het aanzien van Leiden is door de ernstige tegenslag van het afgelopen jaar onder potentiŽle studenten aanzienlijk geschaad. Mijn goede vriend Pieter Guenellon, die een veilig heenkomen in het verre Padua had gevonden, schreef mij dat daar het gerucht ging dat de gehele medische faculteit was uitgestorven! Hoe denkt u nu als decaan dat beeld te herstellen?
Natuurlijk is onze faculteit ernstig getroffen, maar mijn collega Drelincourt en ik zijn vast besloten Leiden de reputatie te geven die zij verdient.
Drelincourt heeft op zich genomen het onderwijs in de anatomie over te nemen en de u welbekende lector Lucas Schacht is januari jongstleden tot hoogleraar benoemd en zal tezamen met mij de dagelijkse praktische oefening in het Caecilia-gasthuis voortzetten. Daarmee zijn die vakken waarmee de Leidse faculteit zich onderscheidde van zusterinstellingen weer volledig hersteld. Bovendien is de Senaat akkoord gegaan met de benoeming van de privaat-docent scheikunde, Carolus Dematius tot buitengewoon hoogleraar.
Overigens wordt voor aankomende studenten de keus voor Leiden niet alleen bepaald door dat wat de universiteit biedt. Mede bepalend is het beeld dat zij van de stad hebben en daar doen de vuile en stinkende stadsgrachten geen goed aan. Zeker niet in het licht van de ramp die ons vorig jaar getroffen heeft. Het is duidelijk dat de grote hitte en droogte en de windstilte verantwoordelijk waren voor het hoge gehalte aan scherpe, vluchtige zoutdeeltjes in de lucht. Zij bevorderden immers een toename van de gal en een hogere vloeibaarheid van het bloed waardoor gemakkelijk braken, diarree, bloedingen en aanhoudende koortsen ontstonden. Die ontaarding werd afgelopen jaar echter bevorderd door kwalijke dampen die opstegen uit het stilstaande en bedorven water in de stadsgrachten.
Onlangs heeft de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap ons om advies gevraagd en de faculteit bereidt momenteel een rapport voor waarin gewezen wordt op de kwalijke gevolgen van de menging van zoet binnenwater met brak buitenwater.

U hecht nogal zwaar aan goed onderwijs in de ontleedkunde.
Vanzelfsprekend, hoe kan men zich een beeld vormen van de verrichtingen van de mens, bij gezondheid en bij ziekte, als men niet de fabrica, het bouwwerk van het menselijk lichaam, kent. De beroemde Harveus noemde zijn baanbrekende De motu cordis niet voor niets een exercitatio anatomica: aan de fysiologische experimenten gaan nauwkeurige anatomische observaties vooraf. Mijn studenten heb ik dat idee altijd voorgehouden. Ik herinner u aan de disputatie van mijn geliefde leerling Reinier de Graaf over het pancreassap. Deze exercitatio anatomico-medica vangt aan met een uitvoerige beschouwing van de bouw van de alvleesklier en haar afvoergang. Pas als men weet hoe en waar het sap van deze klier afgevoerd wordt, kan men zich een beeld vormen van de werking van dit sap.
Ook bij het begrijpen van ziekten is kennis van de anatomische veranderingen van groot belang. Vandaar dat ik veel belang hecht aan de obductie van patiŽnten die in het Ceciliagasthuis zijn overleden. Dat ik daarin niet alleen stond bleek al direct bij aanvang van mijn klinische colleges. De toestroom aan studenten was zo groot dat ik de Curatoren moest verzoeken de anatomieplaats in het gasthuis met twee omlopen uit te breiden.
Systematisch postmortaal onderzoek is van wezenlijk belang, al is niet altijd duidelijk hoe we de gevonden veranderingen moeten duiden. Zo vind ik regelmatig bij patiŽnten overleden aan longtering in de longen kleinere of grotere klierachtige knobbeltjes die met etter gevuld zijn. Mogelijk zijn zij verantwoordelijk voor de geneigdheid tot tering. De toekomst zal leren of ik gelijk heb.

Het gerucht ging dat de gehele medische faculteit was uitgestorven!

Ons anatomie-leerboek van Bartholinus laat zien dat u ook anatomie bedreven heeft.
Inderdaad heb ik zelf de anatomie met grote voorliefde beoefend, zowel in Leiden als later toen ik in Amsterdam praktiseerde. Ik moet in alle eerlijkheid bekennen dat mijn ijdelheid wel gestreeld werd, toen ik bij de heruitgave van Caspar Bartholins Institutiones Anatomicae merkte dat zijn zoon Thomas mijn ontleedkundige waarnemingen aan de hersenen in dat standaardwerk had opgenomen. Die, zal ik maar zeggen, tweede Leidse periode van 1639-1641 was een spannende tijd. In 1639 verscheen bij de Leidse uitgever Johan Maire een nieuwe uitgave van Harveyís De motu cordis tezamen met de felle veroordeling van de leer der bloedcirculatie door Aemylius Parisanus en James Primrose.
Al eerder had ik bij mijn disputatie van 1634 onder mijn leermester Adolphus Vorstius de stelling verdedigd dat er een longcirculatie zou bestaan. Het idee van Harvey van een algehele lichaamscirculatie sprak me wel aan. Door demonstraties probeerde ik anderen van de juistheid hiervan te overtuigen. Hoe groot was mijn genoegen dat ik mijn leermeesters Vorstius en Walaeus tot het kamp der Harveyanen wist over te halen. De laatste zelfs zozeer, dat hij in woord en geschrift een gedreven pleitbe-zorger van de circulatie-theorie werd. Wie kent niet de twee prachtige brieven die hij aan Thomas Bartholinus schreef over de beweging van de lymfe en het bloed en de daarin beschreven prachtige, onweerlegbare experimenten die door Harvey met graagte in zijn verweerschriften werden opgenomen.

U staat bekend als een docent die graag een schare vertrouwelingen om zich heen schaart.
Inderdaad, maar hoe kan dat ook anders. In mijn inaugurale rede heb ik uiteengezet wat mij onder andere voor ogen stond, namelijk beginnelingen in de geneeskunde te helpen bij het verkrijgen van bekendheid met de natuurwetenschappen door eigen waarneming en ondervin-ding. Welnu, om studenten in die geest te stimuleren moet men van de katheder afstappen en hen uitnodigen om deel te nemen aan experimenten.
Natuurlijk is dat niet voor iedereen weggelegd. Ik zocht onder mijn gehoor veelbelovende leerlingen die konden bijdragen aan de vervolmaking van de geneeskunde. Ik vond voor dat idee grote steun bij mijn collega Hornius, die ik overigens zelf de beginselen van de anatomie had bijgebracht. Samen hebben wij onder andere met onze studenten Jan Swammerdam en Reinier de Graaf verschillende onderzoeken ter hand genomen, zoals de analyse van het vaatstelsel, waarvoor De Graaf een injectietoestel ontwikkelde en Swammerdam bruikbare injectievloeistoffen. Helaas bespeur ik de laatste tijd een verwijdering tussen beide jongelingen vanwege een ordinaire prioriteitskwestie over de geslachtsorganen.
Overigens vereist de vooruitgang van de geneeskunde een grondige kennis van betrouwbare klassieke bronnen. Mijn oud-leerling, de diep betreurde Florentius Schuyl, was mij daarbij zeer behulpzaam. Ik ben juist bezig met de voorbereiding van de uitgave van het vlak voor zijn overlijden voltooide geschrift met een moderne interpretatie van Hippocra-tesí Pro veteri medicina.
Uw jaargenoot Willem Ten Rhijne heeft vůůr zijn overhaaste vlucht vorig jaar naar Angers, een belangrijke bijdrage aan dit werk geleverd. Ik zal de goede Schuyl eeuwig dankbaar zijn voor het feit dat hij mij met dit werk probeerde te verdedigen tegen de infame aanval van de onbekende Parijse dokter Le Vasseur op mijn denkbeelden over het driemanschappelijk vocht in de twaalfvingerige darm. Dit vocht, de humor triumviratus, bestaande uit gal, pancreassap en speeksel, neemt zoals U zich zonder twijfel wel herinnert, een cruciale plaats in bij de bereiding van het bloed. Binnenkort zult U er zich van kunnen overtui-gen dat Schuyl met een overtuigend experiment iedere kritiek zal doen verstommen.

De Leidse medische faculteit onderscheidt zich van andere in Europa door het onderwijs aan het ziekbed. In dat kader hebben wij U als een gedreven docent leren kennen. Vanwaar die gedrevenheid?
Jongeman, onderwijs en onderzoek in de geneeskunde begint en eindigt bij de zieke. Hoe kan men dan uitstekende geneesheren opleiden zonder ze bij hun studie aan het ziekbed te voeren? Wij mogen ons in Leiden gelukkig prijzen dat wij dankzij mijn illustere voorganger Otto Heurnius sedert 1636 beschikken over een Collegium Medico-practicum van twaalf bedden in het Caecilia Gasthuis. Gelukkig ben ik in staat geweest Curatoren en Burgemeesters te overtui-gen van de noodzaak de patiŽnten dagelijks te demonstreren, zodat de studenten van dag tot dag het beloop van de ziekte en het effect van de behandeling kunnen volgen. Het kostte me overigens wel moeite de studenten daar actief bij te betrekken. Het stemt me echter tevreden dat ik er desondanks in geslaagd ben tegenwoordig in dialoog met mijn leerlingen te komen tot een diagnose, prognose en therapie. Ik ben er zeker van dat van deze vorm van praktisch onderwijs ook in de toekomst een belangrijke aantrekkingskracht voor Leiden zal uitgaan. Het heeft mij dan ook verheugd dat met de benoeming van Schacht dit onderwijs versterkt is.

ĎAls studenten betreuren wij het dat er geen leerboek bestaat waar uw opvattingen uiteengezet worden. Overweegt U misschien een dergelijk werk ter hand te nemen?í
Ik zou geen goed docent zijn als ik geen zorg zou besteden aan goede leerboeken. Mijn ideeŽn over de levensverrichtingen heb ik zodra de laatste disputatie daarover in 1661 was verdedigd als bundel laten uitgeven. Een jaar of drie geleden ben ik begonnen met het schrijven van mijn Institutiones medicae, met een uiteenzetting van de grondbeginselen van mijn iatrochemische leer. Helaas begonnen buitenlandse uitgevers met de uitgave van niet geheel juiste weergaven van mijn colleges. Ik werd daardoor gedwongen de systematische uitzetting van mijn opvat-tingen te staken en mij te concentreren op het persklaar maken van mijn colleges. De eerste 28 bladen verschenen eind 1667, maar ook dit werk moest ik door drukke werkzaamheden weer onderbreken. Gelukkig ben ik nu zo ver dat ik met de uitgever heb afgesproken dat het eerste deel van mijn Praxeos medicae medio volgend jaar zal verschijnen. Als alles naar wens verloopt hoop ik binnen twee jaar het volgende deel klaar te hebben. Ik moet belangstellenden wel waarschuwen dat dit boek geen echt leerboek is, het is niets meer en ook niets minder dan de gedrukte neerslag van mijn voorlezingen!

Professor, vergeef mij mijn onbescheidenheid. Wij kennen U als een gedreven docent, een ervaren clinicus en een bedreven natuuronderzoeker, maar hier in het salet ervaar ik dat u klaarblijkelijk een grote voorliefde voor de schilderkunst heeft. Ik herinner mij het gerucht dat men U beschouwt als beschermer van onze stadgenoten Dou en Van Mieris.í
Bedenk jongeman dat het leven aan een universiteit niet uit wetenschap alleen bestaat; de kunsten spelen in onze tijd een even belangrijke rol. En wie beter dan medici zouden dat kunnen onderschrijven. Hoezeer wij ons ook afzetten tegen Galenus, zijn opvattingen over de res non-naturales blijven overeind en daarmee ook over de aandoeningen der ziel. Heeft Cartesius ons niet overtuigd hoe bij het zien van een fraai schilderij, de aangename streling van het oog een directe, gunstige invloed heeft op de bewegingen der ziel?
Wat mijn voorkeur voor de Leidse kunstbroeders betreft kan ik niets anders zeggen dan dat ik getroffen ben door de grote nauwkeurigheid waarmee zij de stoffelijkheid van de ons omringende dingen weergeven. De subtiliteit bijvoorbeeld in de weergave van tapijten doet me altijd denken aan onze pogingen om de levende materie met onze vergrootglazen te doorgronden. Zoals de tekenaar en de kunstschilder zijn oog traint in de waarneming van wezenlijke details, zo zullen ook wij medici ons oog moeten oefenen in het waarnemen van essentiŽle kenmerken van de ziekte.
Maar de prent- en schilderkunst houdt ons ook andere overwegingen voor, zoals de fragiliteit van ons bestaan. Juist door de gebeurtenissen van het afgelopen jaar ben ik daar diep van doordrongen. Ik prijs mij gelukkig dat ik net voor dat rampzalige jaar een fraai stuk van Goltzius kon verwerven. Het stelt de ďdode AdonisĒ voor en doet me steeds denken aan de boodschap die het oude Anatomische Theater ons voorhoudt: ďMors ultima linea rerum.Ē De oude Heurnius voegde daar dan altijd aan toe dat we door de dood ook het leven leren kennen. Met die les voor ogen wil ik mij in de jaren die mij vergund zullen zijn inzetten voor de vervolmaking van de geneeskunde en van onze Alma Mater.

Prof. dr. Harm Beukers is hoogleraar in de geschiedenis der geneeskunde.