Mw. Mr. C.W.I. Wittewaal van Stoetwegen (1901-1986)

'In Leiden ben ik maatschappelijk gevormd'

Jos Damen

Freule, bent u van hoge adel?
Ik hoop niet dat u alleen van dit soort vragen gaat stellen. Mijn broertje kwam eens thuis met de opmerking: 'Ze zeggen op school dat ik een jonkheer ben.' Waarop mijn moeder meteen repliceerde: 'Veeg jij maar liever je voeten.' Later vroegen mijn zusje en ik: 'Maar zijn we het nou of niet?' Maar mijn ouders vonden het enige echt belangrijke dat we goede christenen zouden worden.
Ik ben geboren in Amsterdam, op 1 januari 1901. En de naam, ja, die naam: dat is leuk lastig. Toen ik in Swanwick in Engeland studeerde, kreeg ik elke week de politie op bezoek. Pas toen ze door hadden dat mijn naam ondanks al die medeklinkers toch niet Russisch was, bleven ze weg.

Studeerde u dan niet in Leiden?
Wis en waarachtig wel. Engeland was een tussendoortje na mijn kandidaats in Leiden. In 1922 was ik in Leiden rechten gaan studeren, waar ik een dolle tijd had. Ik genoot van velerlei vrijheden die tot dan toe niet in mijn leven waren voorgekomen. Maar ik bleef lange tijd spoorstudente.
College lopen was een vrij simpele zaak. Prof. de Blécourt (oud vaderlands recht) sprak met een zeer Gronings accent en beroemde zich daar ook op. Hij was een meester in het citeren van oude verhalen uit Groningen waarvan bijna niemand -behalve ik- iets begreep. We lachten meer dan we leerden. Bij prof. van Blom (economie) hadden we het heel gemakkelijk: een paar weken repeteren en je slaagde eigenlijk altijd voor het tentamen. Prof. van Kan was moeilijker. Ik kreeg drie maanden om het Romeins recht nog iets nauwkeuriger te bestuderen. Ik vond dat toen nogal erg, maar slaagde prompt na de vakantie. Het gemak waarmee je maar examen ging doen en het weinige wat er gevraagd werd staan wel in schrille tegenstelling tot wat er nu geeist wordt van de studenten.

Deed u de doctoraalfase ook bij Meijers?
Ja, prof. E.M. Meijers gaf toen burgerlijk recht, briljant en altijd zich zelf. Ik zie me nog tentamen doen in zijn huis op de hoek van de Boerhaavelaan. Het ging heel gemoedelijk: hij praatte meer dan ik en aan het slot zei hij: 'U begrijpt wel dat u nog eens terug moet komen'. Nu, dat was geen drama en toen ik terugkwam, kreeg ik het papiertje. U kunt zich voorstellen dat ik me gewoon geneerde toen ik 25 jaar later in de Tweede Kamer tegenover hem kwam te staan bij de behandeling van het nieuwe burgerlijk wetboek.

At u weleens bij De Turk?
Het laatste jaar woonde ik op kamer met Ber Lindeyer, boven een kapper aan de Nieuwe Haven. We aten van 'de keuken' , zoals de Centrale Keuken genoemd werd. Zonder vlees kostte een maaltijd 45 cent en met vlees 60 cent. Als we aan het eind van de avond trek hadden in iets hartigs, fietsten we de Herengracht op om bij een stalletje een bokking te halen. Soms aten we in het Pannenkoekenhuis en was je jarig geweest of had je een extraatje van thuis gekregen dan at je in 'De Turk'.

Was u lid van een studentenvereniging?
Voor mij waren de bijeenkomsten van de NSCV, de Nederlandse Christelijke StudentenVereniging, aan Rapenburg 4 belangrijk. Dat zegt u van Mare niet zoveel natuurlijk, maar laat ik dan prof. Lieftinck noemen, die toen NCSV-praeses was. Hij wist ons geheel naar zijn hand te zetten en vergaderde rustig door tot 's nachts één uur, waarop iedereen murw van moeheid ophield met tegensputteren. Een tactiek die hij vele jaren laten als minister ("het Tientje van Lieftinck") ook volgde.
Natuurlijk was ik -zoals de meeste meisjes- lid van de VVSL, de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden. In mijn jaar -1922- begon men net met jaarclubs. Ik kan niet zeggen dat ik na het noviciaat de deur heb platgelopen op de Club, die toen nog op de Steenschuur gevestigd was. Het mooie pand aan het Rapenburg, waar nu het LUF zit, is pas veel later betrokken.
Al had ik meer plezier in andere zaken dan in studeren, toch haalde ik zonder al te veel moeite mijn doctoraal in 1928. 'Wetenschappelijk' ben ik in Leiden niet bezig geweest, maar ik heb er toch veel opgestoken. Je werd er ook maatschappelijk gevormd, je had er vriendschappen gesloten en je nam met weemoed afscheid van een onbezorgde tijd. Leiden was een begrip in je leven geworden en dat is het altijd gebleven.

En toen ineens lid van de Tweede Kamer?
Welnee, dat was pas 16 jaar later. U moet zich wel goed voorbereiden, hoor! Ik kwam in de Kamer in november 1945, in het Noodparlement, als nr. 6 op de lijst van de CHU. Ik heb 25 jaar lang het parlementaire werk boeiend gevonden. Ik zei en zeg graag duidelijk waar het op staat. Mijn maiden speech ging over de 100.000 politieke delinquenten die vlak na de oorlog geinterneerd waren. Ik bezocht gevangenissen en zag daar met name vrouwen onder erbarmelijke omstandigheden verkeren. In de Kamer zei ik dat de beren in de dierentuin van Blijdorp er beter aan toe waren dan de vrouwen in de gevangenis aan de Noordsingel. Gelukkig heb ik aan verbeteringen kunnen meewerken.
Verder noem ik de enquete-commissie naar het regeringsbeleid in de oorlog. Met mijn politiek leider Tilanus had ik wel eens een meningsverschil, zoals over de Indonesische kwestie. In 1971, enkele jaren na de Nacht van Schmelzer, ben ik uit de Tweede Kamer gestapt.

Waarom noemde men u de 'Rode freule'?
Ben je mal, jongen? Ach, dat kwam omdat ik zei waar het op stond en dus op kwam voor mensen die in de knel zaten. Daar kon ik heel principieel in zijn, hoor. In 1947 had ik bijvoorbeeld samen met Corry Tindeloo met een amendement gepoogd de ouderlijke macht bij man en vrouw te leggen; iets wat mij vrij logisch leek. En verder heb ik er mede voor gezorgd dat er vrouwelijke rechters benoemd konden worden, en dat vrouwelijke ambtenaren die trouwden niet meer zomaar ontslagen konden worden.

Geen 'Freule van Oranje'? Men zegt dat Beatrix een fan van u was!
Met het koningshuis heb ik altijd een warme band gehad. Eind jaren twintig woonde ik tweemaal de conferenties bij die prinses Juliana organiseerde op het Aardhuis, een jachthuis dichtbij Het Loo. Verder was ik in het voorjaar van 1946 enige dagen op Soestdijk om mijn vriendin, zuster Feith, gezelschap te houden toen zij alleen was met de drie jonge prinsesjes. Prinses Juliana en prins Bernhard waren namelijk in het buitenland.
Ik stond toen voor herverkiezing op de kieslijst, en Beatrix vroeg me: 'Wanneer weet je nu of je mag blijven in de Tweede Kamer? Hoeveel stemmen moet je dan hebben?' 'Ongeveer 35.000', zei ik. Een diepe zucht van de prinses volgde. 'Nee, die kan ik nooit bij mekaar krijgen', kwam er ongelukkig uit. De huismeester, de heer van der Flier, zei me later: 'Kennelijk heeft het oudste prinsesje wat opgevangen! Ze loopt namelijk het hele huis rond en zegt tegen iedereen die ze tegenkomt: u stemt toch wel op tante Bol? Ja, en nu wordt er in de keuken gezongen:
'En we hebben toch zo'n lol
want we stemmen tante Bol.'
Uiteraard werd ik zonder veel moeite herkozen.