Mare Nummer 32     09 juni 2011

32
Jan-Jacob en Leonard Blussé van Oud-Alblas.
FOTO: Peter Boer
Big in Japan
Vader en zoon Blussé van Oud-Alblas blikken samen terug

Leonard Blussé van Oud-Alblas (1946) zwaait af als hoogleraar geschiedenis. Zoon Jan-Jacob (1985) werkt aan zijn masterscriptie. Samen blikken ze terug op hun Leidse tijd, en die in de Japanse entertainmentindustrie. ‘Ik was een harige biker met een Nazi-helm.’

DOOR VINCENT BONGERS SOFTPORNO

Leonard Blussé: ‘Ik speelde de meest verschrikkelijke rollen: een Amerikaanse soldaat die zich misdroeg, een Hollandse kapitein uit de Deshima-tijd. Mijn oogkassen leken door zwarte make-up nog dieper zodat het er allemaal heel akelig uitzag. Of zo’n grote harige biker op een Harley Davidson die in een bar ruzie zocht. Ik droeg zelfs een Nazi-helm.

‘Het waren de vroege jaren zeventig. Ik was voor onderzoek in Japan en verdiende met mijn goede vriend Willem Remmelink, de latere directeur van het Japan-Nederland Instituut, bij in de lokale filmindustrie. In een scène reden we met de motor een in de studio nagebouwde bar binnen om de boel kort en klein te slaan. Lag dat hele ding aan stukken, bleek er iets mis te zijn gegaan met de opnames. Toen is de hele scène maar geschrapt. Je had trouwens ook van die softporno films…’

Zoon Jan-Jacob: ‘Ik weet niet of je dit moet vertellen.’

Leonard: ‘…’

Jan Jacob: ‘Het ging om werk achter schermen, toch?’

Leonard: ‘Het was in ieder geval een prima tijd. Ik ging op pad met de Amerikaans topacteur Robert Mitchum. Die was daar in 1973 om de film The Yakuza op te nemen. Ik voelde me een absoluut een lulletje tussen die charismatische sterren. Mitchum was een fantastische man maar wel een zware drinker. Hij vertelde over het filmen van Ryan’s Daughter, uit 1970, in Ierland. In elk gehucht werd er natuurlijk flink gezopen. Van de twaalf huizen is daar de helft een pub.’

Jan-Jacob: ‘Ik heb ook bijgedragen aan de Japanse entertainmentindustrie. Na mijn middelbare school ging ik een jaar naar Japan om rond te reizen en de taal te leren. Met mijn reisgenoot moest ik iets in het Japans naar het Nederlands vertalen voor een of andere maffe televisieserie. Wij spraken dan een zin in die een Amerikaanse acteur vervolgens fonetisch na moest praten. Dat klonk vast nergens naar, maar ik heb de serie nooit teruggevonden. Het leverde wel een cheque van 10.000 yen op.’



MINERVA

Leonard: ‘Ik kwam in 1965 naar Leiden en werd lid van Minerva. Ik woonde in het Hôpital Wallon. Leiden was toen een doodsaaie stad. Je zorgde dat je een vriendin in Amsterdam had, de plek where it all happened. Het was een mooie tijd; wel de pil, maar nog geen aids. Het is gevaarlijk onderwerp, maar ik heb toen heel weinig opgestoken. Na vier jaar studie sprak ik nog geen woord Chinees.

‘In 1968 brak in Parijs de studentenopstand uit. Ik ging er als een scheet naartoe om iets te proeven van de revolutie. Maar al dat romantische gedoe rond Mao was niets. Ik ben toen in 1970 uiteindelijk naar Taiwan gegaan om echt de taal leren.’

Jan-Jacob: ‘Net als Leonard koos ik voor Minerva. Ik woonde aan de Oude Rijn in “Het hoekhuis met de kerstboom uit het raam”. Ik kreeg te maken met heel andere verlokkingen dan mijn vader. Ik heb er bijvoorbeeld spijt van dat ik zoveel tijd heb verdaan achter de spelcomputer. Het is lastiger voor studenten geworden om te focussen. Ik keek ook altijd de slechtste televisieprogramma’s, daar stond ik om bekend in huis. Tot de ergernis van mijn huisgenoten wist ik altijd wel een aflevering van Law & Order te vinden. Mijn schrijfwerk deed ik tussen 11 uur ’s avonds en vier uur ’s nachts. Dan stond de muziek uit en hield iedereen eindelijk zijn mond. Tot de vogeltjes me wakker floten. Daar kon ik heel boos van worden.’



GIRAFFE

Leonard: ‘Voor mijn Japanse tijd deed ik antropologisch veldwerk in Taiwan. Ik zat maanden op eilandjes in de Zuid-Chinese, heel eenzaam. Dat waren tijden van enorme verveling afgewisseld met hele mooie momenten.’

Jan-Jacob: ‘Voor mijn vader was het pompen of verzuipen.’

Leonard: ‘Dat kon ook niet anders. Nu zitten studenten vaak met het thuisfront te mailen en te sms’en. Ze leven in twee werelden.’

Jan-Jacob: ‘Je hebt nu een alternatief als je naar het buitenland gaat. Je kunt een Westers leven leiden. Er zijn nu in Japan veel plekken waar vrijwel alleen buitenlanders komen. Die vermeed ik omdat je dan nauwelijks in contact komt met de bevolking zelf.’

Leonard: ‘Ik ben 1,93. Voor een Chinees ben ik net een giraffe. In hun ogen was ik een belachelijk wezen met een rode hangsnor en baard.’

Jan-Jacob: ‘Ik kreeg juist een culture shock toen ik terugkwam in Nederland. In de Kalverstraat zag ik mensen die langer waren dan ik. Dat was ik niet meer gewend.’

Leonard: ‘In Taiwan deed onderzoek naar de religie van vissers. Het merkwaardige was dat er allerlei verhalen naar boven kwamen over “roodharige barbaren.” Dat waren de Nederlanders. Ik ontdekte dat er een heel eiland was uitgemoord door de Nederlanders omdat de inlanders twee schipbreukelingen hadden opgegeten. In het hooggebergte van Taiwan werd ik door de Tsou-stam geadopteerd. Ik kwam er achter dat in de Chinese literatuur ongelofelijk veel onzin staat over de inboorlingen van Taiwan. Samen met collega’s slaagde ik erin de stammen hun geschiedenis terug te geven. We zochten uit wat er wel met hen was gebeurd en publiceerden dat ook. Dat is ontzettend belangrijk. Ook juridisch gezien. Zij kunnen nu net als de Amerikaanse indianen allerlei eisen stellen.

‘Terug in Nederland wilde was ik helemaal niet van plan om aan een universiteit te werken. Ik ging Chinees en Japans studeren omdat ik in de scheepvaart wilde. Je had toen het hele mooie bedrijf Royal Interocean Lines, met een hoofdkwartier in Hong Kong. Ik werd aangenomen, maar na drie maanden verhuisde het hoofdkantoor naar Rijswijk. Mijn droom stortte in.’



EXCELLENTIE

Leonard: ‘Ik ben geen typisch Leidse hoogleraar. Ik ben een buitenstaander. Juist daardoor kun je veel bereiken. In Leiden richtte ik met Wim van de Doel, de huidige decaan van Geesteswetenschappen, in 1994 het Crayenborgh College op. Het was het eerste honours class in Nederland. Het leek ons zeer zinvol om goede ouderejaars geschiedenisstudenten in discussie te laten gaan met wereldberoemde historici. Veel deelnemers gingen later bij die hoogleraren in het buitenland studeren. Het werkte als een olievlek van excellentie.’

Jan-Jacob: ‘Ik heb het in 2007 nog gevolgd. Studenten kunnen meer worden begeleid. Je leert niet hoe je ambitieus kunt zijn, het laat zien wat er mogelijk is. Het publicatiemechanisme moet je bijvoorbeeld leren.’

Leonard: ‘De formule is universiteitsbreed overgenomen, en vernield. In 2008 ging het ter ziele. De honours colleges van nu zijn gericht op de bachelor, het Crayenborgh paste niet in het nieuwe systeem.’

Jan-Jacob: ‘Jammer, want zoiets miste bij geschiedenis.’

Leonard: ‘Je moet een paar gekken hebben die al hun tijd er in stoppen. Als die weggaan, dondert de boel in elkaar. Ik vind het ontzettend jammer dat alles op de universiteit wordt dichtgetimmerd. Ik parachuteerde van sinologie in de geschiedenis, dat kan niet meer.’

Jan-Jacob: ‘Bij het afscheidscollege zeiden sommige historici: “Je moet je vader niet zo serieus nemen, hij heeft helemaal geen geschiedenis gestudeerd.”’

Leonard: ‘Gelukkig houd ik wel een bureautje bij geschiedenis. Ik ben nu gepensioneerd en heb veel meer tijd voor onderzoek. Maar voor fondsen kan in Nederland helaas nergens terecht. Voor goede ideeën is altijd wel geld te vinden. Wij zijn typische Rotterdammers. Je moet dingen bedenken die anderen niet doen. Ik heb veel meer binnengehaald dan ik de universiteit ooit heb gekost.’

Jan-Jacob: ‘Zijn afscheidscollege was dan ook een onderzoeksvoorstel.’

Leonard: ‘Het is weer van: “Tom Poes, verzin een list.”’

Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook