Mare Nummer 12     02 december 2010

12
PUBLICEER! (Of bezwijk)
De hete adem van het citaat

De hoge publicatiedruk dwingt wetenschappers trucs uit te halen. Sommigen hakken hun onderzoek in plakjes. Anderen spreken met collega’s af om elkaar op te voeren als co-auteur. ‘Dit is zeer zorgelijk.’

DOOR BART BRAUN EN DIRK-JAN ZOM ‘Jonge mensen die nog moeten promoveren zijn afhankelijk van een systeem dat niet naar behoren werkt’, klaagt taalwetenschapper Frits Kortlandt. ‘Ze moeten voortdurend aanvragen doen voor subsidies en voortdurend publiceren. Ze werken zich het leplazerus en kunnen nooit langduriger onderzoek doen. En dat is in dit vakgebied echt een probleem.’ Hij ziet mensen naar het buitenland vertrekken om daar te gaan werken.

Door een Spinoza-premie hoeft Kortlandt zich over geld minder zorgen te maken.

Veel onderzoekers klagen echter over een doorgeslagen publish or perish-cultuur (publiceren of ten ondergaan). Daarin worden ze afgerekend op hun aantallen publicaties en de mate waarin andere wetenschappers die citeren.

‘Wetenschappelijk publiceren dient niet meer het primaire doel: communicatie. Het is een doel op zich geworden’, zegt Laurens Hessels. Hij promoveerde onlangs aan de Universiteit Utrecht op een onderzoek naar de eisen die beleidsmakers en financiers stellen aan wetenschappers en wat daarvan het effect is op hun werkzaamheden.

Hessels schetst een zorgelijk beeld van wetenschappers die een constante druk voelen om zowel de maatschappelijke waarde van hun onderzoek te laten zien, als om er veel over te publiceren: een strijd om relevantie.

Publiceren is belangrijker dan ooit. Dit heeft te maken met de bibliometrische indicatoren, getallen die de hoeveelheid publicaties en citaties over je werk weergeven.

Deze cijfers zijn zo belangrijk, omdat ze gebruikt worden in de beoordeling van de onderzoekers door hun financiers, door subsidieverstrekkers als de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Hessels adviseert in zijn proefschrift dat beslissingen over onderzoeksbudgetten niet direct bepaald moeten worden door bibliometrische indicatoren.

De impact- en citatiescores wegen ook mee bij de diverse ranglijstjes met beste universiteiten, en daar kan een citatiekanon grote gevolgen hebben. De Duitse universiteit van Göttingen staat hoger in de universitaire pikorde dankzij één enkel artikel in Acta Cristallographica, een tijdschrift over kristalchemie.

Ook in Leiden klinken waarschuwingen tegen het te grote belang dat aan de cijfers wordt gehecht. ‘Biobliometrie kun je goed toepassen in die vakgebieden waar veel tijdschriften uit de Web of Science-databank gebruikt worden’, vertelt Thed van Leeuwen van het Leidse bibliometrie-instituut CWTS.

‘Voor alle andere vakgebieden heb je een ander instrumentarium nodig als je wetenschappelijke prestaties wilt vergelijken.’

Voor de impactfactor van tijdschriften, een aanduiding voor de mate waarin artikelen uit een bepaald tijdschrift geciteerd worden, heeft het CWTS geen goed woord over.

Bladen proberen met allerlei trucs hun schijnbare impact te vergroten. Van Leeuwen: ‘Wetenschappers denken blind te kunnen varen op de impactfactor van het blad waar ze in staan, maar het zegt niets over de kwaliteit van hun onderzoek.’

De impactfactor zegt echter niet alles: een goed stuk in een obscuur blad levert meer citaties op dan een ander, minder inspirerend werk in een toptijdschrift.

Van Leeuwen: ‘Slechts één derde van alle artikelen in het vooraanstaande blad Cell komt aan de citatiewaarde van dat tijdschrift. Erin komen betekent niet dat jij die score haalt.’

Ook op de citatiescore valt wel wat aan te merken, vervolgt hij: ‘Het absolute aantal citaties zegt niets, omdat het afhankelijk is van de cultuur in het vakgebied. En het zegt sowieso niets over de vraag of jouw onderzoek goed of slecht is.’

Hessels laat in zijn onderzoek de gevolgen van het systeem zien. ‘Sommige onderzoekers anticiperen er in hun werk al heel sterk op en zijn bezig met de vraag hoe er een optimale score uit gehaald kan worden. Dan wordt een onderzoek bijvoorbeeld in plakjes gehakt, om zoveel mogelijk publicaties te hebben: een vorm van inflatie.

Er is nog een ander gevolg, zegt Hessel. ‘Jonge onderzoekers durven minder risico’s te nemen, kiezen veiliger. Zij kunnen zich minder permitteren.’

Ook spelen sommige onderzoekers op de regels in. In de interviews die Hessels hield, hoorde hij dat sommige wetenschappers afspraken maken om elkaar in onderzoek als co-auteur op te voeren, ook waar ze niet zoveel mee te maken hebben. Zo hebben ze er weer een publicatie bij.

In de ranglijst van Times Higher Education dook dit jaar ineens de Universiteit van Alexandrië op. Daar bleek één wiskundige een kring van mensen om zich heen te hebben verzameld die zijn werk aanhaalde, in een vakblad dat hij zelf uitgaf.

Doordat wetenschappers zo gericht zijn op publicaties en citaties komt de praktische kant van wetenschap onder druk te staan, zegt Hessels.

‘Dingen als de media te woord staan, met bedrijven overleggen over je onderzoek, maar ook zelf een bedrijf opstarten of patenten aanvragen. Op systeemniveau vind ik dit zeer zorgelijk.’

Een leuke kop helpt

En een prikkelende onderkop schijnt ook te werken: tien tips om te worden gelezen

De kritiek op het publish or perish-systeem is duidelijk. Maar voor wie druk bezig is met onderzoek en straks academisch carrière wil maken, is het makkelijker het spel te spelen, dan proberen de regels te veranderen. De Amsterdamse scheikundehoogleraar Gadi Rothenberg geeft de workshop Write it Right, waarin je kunt leren om met je academische publicatie zoveel mogelijk impact te maken. Hieronder 10 tips.


Schrijf het goed op

Goed onderzoek doen is één ding, maar vervolgens moet het punten op gaan leveren. ‘Het opschrijven is net zo belangrijk als het onderzoek’, aldus CWTS-onderzoeker Thed van Leeuwen. ‘Als je het niet goed op kan schrijven, is je werk eigenlijk voor niks geweest.’

Ook Rothenberg gaat hier op in: ‘Eén onderzoek, één idee. Je moet een helder idee hebben, dat goed moet overkomen in je manuscript. Mensen hebben de neiging te veel te willen doen.’


Bedenk een goede kop

Een kop moet een lezer het artikel intrekken. Van Leeuwen: ‘Een prikkelende onderkop schijnt ook te werken. Ik heb het zelf ook gedaan, maar heb niet de indruk dat het de zaak erg beïnvloed heeft. Het is ook moeilijk om te bedenken hoe je dat precies zou moeten meten.’

Rotherberg is hier stelliger over: ‘Als je een leuke kop erboven zet, dan trek je de aandacht. Sommige mensen vinden dat wetenschap droog moet zijn. Wij vinden dat het ook grappig en leuk mag zijn.’


Verzin methodologie

Als jij als eerste een goede manier vindt om een bepaald wetenschappelijk trucje uit te voeren, is citatiegewijs je kostje gekocht. ‘Vaak worden zulke stukken ritueel geciteerd; het zijn verwijzingen waar je niet omheen kan’, aldus Van Leeuwen. Het meest aangehaalde artikel aller tijden gaat over een manier om eiwitten te extraheren. Lowry et al (1951) werd meer dan 300.000 keer geciteerd.


Schrijf overzichtsartikelen

Lowry et al werd in 2010 nog zo’n duizenden keren geciteerd, maar Einsteins legendarische publicaties in de Annalen der Physik veel minder. Dat is niet omdat Lowry een belangrijkere wetenschapper was dan Einstein. Het komt doordat wetenschappers die het belang van Einstein voor hun onderzoek willen uitleggen, verwijzen naar een recent overzichtsartikel over hun vakgebied, in plaats van naar Einstein zelf.

Jammer voor Einstein, leuk voor degene die die review schreef. ‘Als je kijkt naar het absolute aantal citaties, is het schrijven van review-artikelen gunstig, omdat die vaak worden aangehaald’, aldus Van Leeuwen. ‘Het CWTS vergelijkt overzichtartikelen echter alleen met andere reviews op dat vakgebied, dus bij onze methodologie heb je er geen voordeel meer van.’


Gebruik je macht als reviewer

Voordat een artikel in een vakblad wordt afgedrukt, kijken er eerst nog vakgenoten naar. Als je nou zelf zo’n vakgenoot bent, is het makkelijk om bij de opbouwende kritiek te vermelden dat Ikzelf et al 2010 ontbreekt in de literatuurlijst. Vaak kunnen wetenschappers aan de hand van deze extra literatuur bepalen wie hun peer reviewer is geweest. Dat hoeft overigens niet alleen citatiegeilheid te zijn. Van Leeuwen: ‘Soms lees ik andermans stuk, en dan zie ik dat er dingen ontbreken waar ik zelf over heb gepubliceerd. Dat brengt je wel in gewetensnood, als je eigen werk zo opzichtig genegeerd wordt.’


Wees lief voor je reviewer

De reviewer kan je helpen om een beter stuk te schrijven, en een beter stuk wordt beter gelezen. Rothenberg: ‘Door duidelijk en bondig te schrijven, maak je ook het werk van de reviewer eenvoudiger. Dit is ook maar een mens. Eigenlijk geef diegene die naar je werk kijkt een taak. Je zegt: “Je hoeft het niet goed te doen, maar ik wil wel graag dat je het goed doet.” Als je verhaal lang en ingewikkeld is, dan maak je het hem dus lastig. De reviewer kan daar een negatief gevoel door krijgen.’


Citeer elkaar

Dit is al wat dubieuzer. Je kan met vakgenoten afspreken om stelselmatig elkaars artikelen aan te halen. Het probleem is dat het alleen kan met mensen die ongeveer hetzelfde onderzoek doen als jij: een arts die haar vriendje bij sterrenkunde een opkontje wil geven door zijn werk te citeren, valt snel door de mand. De peer reviewers van de tijdschriften halen die er wel uit. Je kan dus alleen maar mensen citeren die je toch al zou kunnen citeren.


Durf breed te schrijven

Rothenberg zegt dat het onderzoek niet breed hoeft te zijn, maar je moet er wel breed over kunnen schrijven. Hiermee bedoelt hij dat je moet zoeken naar manieren om een breder publiek aan te spreken. Hij haalt een onderzoek aan over een wiskundig model om het fileprobleem aan te pakken. Rothenberg: ‘Dit lijkt best saai. Maar de onderzoekster schreef in haar eerste zin: “Als je vandaag met de auto naar het werk gekomen bent, heb je waarschijnlijk 25 minuten in de file gestaan.” Daarmee betrekt ze er meer mensen bij en laat ze zien dat dit onderzoek een praktische toepassing kan hebben.’


Praat met de pers

Schuw de publiciteit niet: de meeste wetenschappers lezen maar vijf of zes vakbladen. Als jouw stuk in blaadje nummer zeven staat, krijgen zij het niet te zien. Behalve als je ook in zijn favoriete krant of talkshow belandt.


Lig er niet wakker van

De laatste tip komt van Geert-Jan Kroes, hoogleraar theoretische chemie in Leiden. ‘Dat gevoel van publish or perish heb ik niet. Het is wel belangrijk om steeds nieuwe resultaten te laten zien, maar het is niet zo dat ik er wakker van lig. Het is ook terecht dat je kunt laten zien dat je het onderzoeksgeld nuttig gebruikt. Ja, er is een druk om in de beste tijdschriften te staan, maar de lol is dat je daarna ook makkelijker geld krijgt. Ik ervaar het niet als een druk, in elk geval.’


Write it Right komt ook naar Leiden
21 & 22 maart, Holiday Inn, Leiden
Meer info op www.write-it-right.org

Blog van Laurens Hessels: De keerzijde van bibliometrische indicatoren

Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook