Mare Nummer 03     23 september 2010

03
Portret van Bianca Capello (1548-1587), geschilderd door Alessandro Allori. Elsje van Kessel: ‘De eigenaar van het schilderij schreef haar bewierokende brieven over hoe mooi ze wel niet was. Er werden bijeenkomsten georganiseerd waarbij dit portret centraal stond.’
Verliefd op verf
Kunsthistorica bestudeert waarom bewonderaars schilderijen willen aanraken of kussen

Natuurlijk is kunst mooi. Maar kunnen schilderijen ook genezen en verleiden? Elsje van Kessel, promovenda kunstgeschiedenis, verricht in Venetië onderzoek naar miraculeuze werken uit de Italiaanse renaissance. ‘Ik was erg geëmotioneerd toen ik het schilderij zag. Iets waar je zo lang mee bezig bent, eindelijk in het echt te zien, dat is zo indrukwekkend.’

DOOR THOMAS BLONDEAU Even wachten nog. Ook na anderhalf uur geduld oefenen is de zestiende-eeuwse briefwisseling niet te vinden. ‘Typisch’, verzucht Elsje van Kessel, die door haar kunsthistorisch promotieonderzoek al jaren ervaring heeft met de Italiaanse gewoonten. In het Venetiaanse Archivio di Stato zijn de enige zichtbare computers de door de gebruikers meegebrachte laptops. In wat ooit de refter was van het klooster Santa Maria Gloriosa dei Frari doorzoeken studenten en onderzoekers stambomen en documenten uit de gouden tijd van deze stad.

Op de lange tafels waar de naslagwerken worden geraadpleegd, liggen briefjes met een indrukwekkend wapenschild. Het Ministero per i Beni e le Attività Culturali geeft te kennen dat de komende drie dagen een maximum van drie boeken en drie archiefstukken aangevraagd mag worden. Een opgaaf van reden voor deze beperking ontbreekt. ‘In Florence heeft een overstroming in 1966 een groot deel van de collectie vernietigd. Als je daar een boek aanvraagt, krijg je wel eens na lang wachten te horen dat het helaas verloren moet zijn gegaan tijdens de ramp. Soms ook als het om een boek van na ’66 gaat.’

Na een halfuur vraagt Van Kessel opnieuw waar de brieven liggen. Nog even wachten is het antwoord. De academische situatie in Italië verschilt niet alleen op infrastructureel vlak van de Nederlandse. ‘Kunsthistorici hier hebben een andere, meer conserverende rol. Ze zien het duidelijk als hun taak het erfgoed te beschermen en er zo goed mogelijk op te passen voor de volgende generaties. Dus ze brengen het in kaart, catalogiseren het. In de rest van de wereld wordt sneller op een meer theoretische manier naar het object gekeken. Ook natuurlijk omdat wij, gewoon door de afstand, niet zo snel toegang hebben tot de kunst hier.’

Op een minder traditionele manier naar kunst kijken, dat doet Van Kessel en de onderzoeksgroep waartoe ze behoort. Haar proefschrift beschrijft de living presence response, een reactie die ontstaat wanneer mensen op een kunstwerk reageren alsof het levensecht is. Ze willen het bijvoorbeeld aanraken of kussen, of misschien zijn ze er wel bang voor. Haar onderzoek kan bijdragen aan de vraag waarom kunst en andere beelden zo’n invloed kunnen hebben op mensen.


Verliefdheid

Van Kessel houdt zich in dit verband bezig met een schilderij uit de zestiende eeuw. ‘Toen ontstond in Venetië een cultus rond de beeltenis van Bianca Capello, een Venetiaanse schone die de echtgenote was van Francesco I de’ Medici, groothertog van Toscane. Een goede band met deze vrouw was voor Venetië van groot diplomatiek belang. Een portret van haar werd in haar geboortestad vereerd. De eigenaar van het schilderij schreef haar bewierokende brieven over hoe mooi ze wel niet was. Er werden bijeenkomsten georganiseerd waarbij dit portret centraal stond.’

Een zware verliefdheid dus? ‘Het is moeilijk om daar de vinger op te leggen. Je moet het ook in de stijl zien van de invloedrijke dichter Petrarca (1304-1374). Die heeft het ook vaak over de verering van een onbereikbare geliefde. Dat vormde een model om naar de wereld om je heen te kijken. De vrouw van de eigenaar ging ook dat soort brieven aan Capello schrijven en haar geschenken sturen.’

De antwoorden van Capello worden in het Archivio bewaard. Zijzelf was echter een minder fervent brievenschrijfster. Dat blijkt vooral uit de reacties van haar aanbidder. ‘Hij beklaagt zich erover dat hij nauwelijks van haar hoort. Dan schrijft hij dat hij nog een keer gaat sterven aan het feit dat ze niet in Venetië is. Maar dat ze ook nog eens niet terugschrijft, dat is tweemaal sterven! En tegelijk zie je ook in de brieven opduiken dat hij zo vol is van hoe mooi het schilderij is gemaakt. Hij is zich er dus wel degelijk van bewust dat het om vakmanschap gaat. Maar een zin later schrijft hij weer lyrisch dat het lijkt alsof het schilderij ademt en met hem praat.’

Wie met hedendaagse ogen het befaamde schilderij van Capello bekijkt, leert in ieder geval wat bij over veranderende schoonheidsidealen. De wat gezette adellijke vrouw blikt de kijker niet onaardig tegemoet. Maar om nu te spreken van een onwereldlijke schoonheid die de tand des tijds heeft doorstaan? Nee. ‘Aan de andere kant’, werpt Van Kessel tegen, ‘zijn er ook brieven bewaard gebleven van ambassadeurs die haar bezochten en vergeleken met een portret van toen ze tien jaar jonger was. Ze konden niet anders dan concluderen dat ze toch wat zwaarder was geworden. Sommige dingen zijn van alle tijden. Dat is ook het vermakelijke aan dit onderwerp.’

Capello blijkt eeuwen later nog steeds over ongrijpbare kwaliteiten te beschikken. Na twee uur wachten in de bruin-getegelde studiezaal en automatenespresso drinken, blijken haar brieven onvindbaar te zijn. Van Kessel vermomt haar teleurstelling in begrijpend knikken tegenover de zich verontschuldigende baliemedewerker. Eenmaal buiten zegt ze weinig van de smoes te geloven. ‘Er is misschien een Italiaanse professor mee bezig en dat willen ze dan niet zeggen. Ze kunnen gewoon niet zijn kwijtgeraakt.’

Ze haalt haar schouders op, zoals ze eerder ook al deed over de antieke kaartenbakken, het schaars aanwezige internet, de soms ondoorgrondelijke Italiaanse reglementen.


Geëmotioneerd

Van Kessels proefschrift concentreert zich op nog drie andere kunstwerken uit de Italiaanse renaissance. Zo is er het altaarstuk uit Treviso dat de verkondiging van Maria verbeeldt en tevens een portret bevat van de opdrachtgever. ‘Met dat portret is iets bijzonders aan de hand. Normaal gesproken werden stervelingen en profil afgebeeld en de heilige frontaal. Maar bij dat schilderij is het precies andersom. Dat maakte in die tijd nogal wat reacties los. De afbeelding van de opdrachtgever is zelfs beklad.’

Van Kessel kwam erachter dat de man, de rechterhand van de Trevisaanse bisschop, niet geliefd was. Zo werden er ook obscene karikaturen van hem getekend. ‘Dat de man niet populair is, is één oorzaak. Maar waarom pakten ze hem aan via zijn afbeelding? Omdat ze een band veronderstelden tussen de afbeelding en de afgebeelde persoon. Dat kun je magie noemen, want ze dachten dat ze via zijn portret hemzelf konden schaden. Dat is nog gelukt ook, want het is daarna bergafwaarts met hem gegaan.’

En dan zijn er nog de portretten van twee adellijke zussen uit Italië. Een van die twee, die de spil was van het culturele leven in Venetië, is vroeg gestorven. Na haar dood verscheen een flinke dichtbundel over haar. Dichters uit het hele land hadden eraan meegeschreven. ‘Ze zou zelf geschilderd hebben en sommige dichters hebben het erover dat de goden een schilderende vrouw niet konden tolereren. Daarom zouden ze haar tot zich genomen hebben.’

Hoe diagnosticeert de promovenda zichzelf? Hoe raken deze werken haar? Van Kessel lacht. ‘Tja, als je zo lang met die kunstwerken bezig bent… Toen ik de portretten van de adellijke zussen eindelijk kon zien in Washington, werden ze speciaal naar het restauratieatelier gebracht. Toen ik daarheen liep, kwamen ze net aan op een kar. En ja, het klinkt misschien gek, maar ik was toen erg geëmotioneerd. Iets waar je zo lang mee bezig bent, eindelijk in het echt te zien, dat is zo indrukwekkend.’

Heeft ze nooit enige schroom gehad om zich te verdiepen in de Italiaanse renaissance, misschien wel de meest bezongen en bestudeerde periode van de westerse beschaving? ‘Niet bepaald. Juist omdat die periode zo vormend is geweest voor onze cultuur en onze ideeën over schoonheid ben ik erdoor gefascineerd. Bovendien evolueert de kunstgeschiedenis zelf ook, zelfs in het catalogiseren ervan. Neem nu het toeschrijven van werken aan een bepaalde schilder. In de jaren dertig of veertig van de twintigste eeuw werden bijvoorbeeld werken van de vervalser Han van Meegeren toegeschreven aan Vermeer. Daar kijk je nu met verbazing naar.’


Nekpijn

Venetië zelf, waar de geschiedenis en esthetica in wel zeer hoge concentraties te vinden zijn, lijkt soms wel een pretpark, geeft ze toe. ‘Zeker als je de stad binnenvaart. Het is een posthistorische stad die in het verleden heel erg belangrijk was en daarop nu nog teert.’ Toch is het er nog steeds mogelijk kunstschatten te vinden die de grote massa links laat liggen. Bijvoorbeeld de Scuola di San Rocco, het gebouw van de broederschap van Sint-Rochus. Rochus was een Fransman uit de veertiende eeuw die op zijn doortocht in Italië pestslachtoffers bleek te kunnen genezen. Venetië werd eeuwenlang geteisterd door de Zwarte Dood, zodat de heilige Rochus dikwijls werd aangeroepen. De broederschap die zijn naam draagt, was een organisatie van rijke burgers die goede werken verrichtten en de kunsten wilden stimuleerden. Van dat laatste is hun verenigingsgebouw een overweldigend bewijs. Op de gelijkvloerse verdieping verzorgde broederschapslid, zaken- en schildergenie Tintoretto de gigantische schilderijen.

Een verdieping hoger, ooit slechts voor leden toegankelijk, lopen bezoekers met spiegels voor hun buik. Het plafond is zo rijkelijk versierd dat de nekspieren zoveel oogsnoep niet aankunnen. Van Kessel is echter een professional en kan zonder het reflecterende hulpmiddel. ‘Op je eerste Italiëreis als kunstgeschiedenisstudent heb je flink last van nekpijn en krijg je zoveel te verstouwen dat je bij de zoveelste kerk alleen maar uitgeblust kunt neerploffen. Maar na jaren wen je eraan.’

Hier hangt het vierde werk dat deel uitmaakt van haar promotieonderzoek, De kruisdragende Christus. Telkens wanneer Van Kessel in deze stad is, gaat ze ernaartoe, ‘bijna als familiebezoek’. De maker van dit begin zestiende-eeuwse schilderij is onbekend, al worden Titiaan en Giorgione genoemd. ‘Al kort nadat het vervaardigd was, werden er mirakels aan toegeschreven. Men dacht vooral dat het kunstwerk hielp om mensen te genezen als ze slachtoffer waren geworden van een ernstig geweldsmisdrijf.’

Afbeeldingen van de zoon van God zijn in deze fase van de geschiedenis geen uitzondering. Waarom werden net aan dit doek helende krachten toegeschreven? ‘Bij elk schilderij dat ik bekijk, probeer ik na te gaan wat de vorm heeft bijgedragen aan de speciale reacties die het losmaakte. In het geval van dit schilderij is het opvallend hoe modern, hoe vooruitstrevend het is voor de tijd waarin het gemaakt werd. Dat is gek, want veel wonderbaarlijke werken begonnen pas mirakels te verrichten als ze echt archaïsch waren. De sterke, atypische vorm valt op. Christus kijkt het beeld uit richting beschouwer maar je slaagt er nooit helemaal in om zijn blik te vangen. Tegenover hem staat zijn beul, die een touw rond zijn nek heeft. De beul, en profil, probeert net zo goed die blik van Jezus te trekken. Dat maakt het een ambigu schilderij: je identificeert je tegelijkertijd met Christus en zijn lijden én met de positie van de beul tegenover hem. Een zondaar, net als wij allemaal.’


Wonderen

Naast de vorm van het schilderij betrekt Van Kessel de sociale en antropologische context in haar onderzoek. ‘Hoe is het werk gepromoot? Wie probeerde het bij wie onder de aandacht te brengen en waarom? Dit schilderij van Christus is bijzonder, maar er zijn nog enkele werken gemaakt met die vormkenmerken. Toch verrichten ze niet allemaal wonderen.’

Wat allicht ook hielp bij de statusvorming was dat het werd tentoongesteld in een kerk, vlakbij een altaartje waar wel meer wonderbaarlijke voorwerpen stonden, zoals een reliek van de doornenkroon van Christus. Ook lag het lichaam van Rochus er, de naamheilige van de broederschap, dat uit Frankrijk was gehaald. ‘Je ziet wel vaker dat dergelijke voorwerpen elkaar kunnen “aansteken”.’ Hoe dat ook zij, het schilderij bracht zoveel inkomsten op van vrijgevige pelgrims dat de broederschap het overvloedig gedecoreerde gebouw ermee kon financieren.

Venetië zelf blijkt ook een aanstekelijke eigenschap te bezitten. Zeker, op het San Marcoplein wordt peperdure koffie geserveerd onder gigantische modeaffiches; in de concentrische, kronkelende stegen dwingt de toeristenmassa de Venetiaan tot stilstand en vrachtladingen aan lelijke carnavalsmaskers nemen bijna alle etalages in beslag – de stad die geroemd wordt om zijn schoonheid lijkt een magneet voor kitsch.

Maar toch: slaakte Van Kessel bij aankomst per vaporetto nog een zucht over vergane glorie, een dag later vraagt ze, het panorama bekijkend vanuit de klokkentoren van het eiland San Giorgio: ‘Moeten we hier echt ooit weg?’ Zelfs wie zich professioneel bezighoudt met schoonheid, kan er blijkbaar nog last van krijgen.


Dit is een hoofdstuk uit Reggae & Ratelslangen. In het boek leiden Leidse onderzoekers de lezer langs hun werkterrein in binnen- en buitenland: van Jamaicaanse sloppenwijken tot de reuzetelescoop in de Chileense woestijn. Ze vertellen over hun inspiratie en de weg naar succes. Waarom hebben ze voor de wetenschap gekozen en hoe zien ze hun rol in de samenleving? Reggae & Ratelslangen, Ratio en emotie van baanbrekende Leidse wetenschappers, Leiden University Press, 144 pgs. € 19,95


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook