Sprekende benen Leidse tempobeulen verheugen zich op de Giro d’Italia
Maandag 10 mei dendert het peloton van de Italiaanse Giro door de Breestraat. Wat maakt wielrennen zo fascinerend? Vier universiteitsmedewerkers over afzien en over de Giro.
DOOR ARJEN VAN VEELENRuslandkundige Ruben Verheul (40) is clubkampioen veldrijden van de Leidse Ren- en Toervereniging Swift. Hij fietst ongeveer 250 kilometer per week.
‘Ik ben bezeten van wielrennen. Het is een verslaving. Ik train drie, vier keer per week. Dat heeft iets calvinistisch, die arbeid, dat afzien. Maar het is lekker om na een dag werken met je hoofd, je benen even te laten spreken. Daar krijg je een heldere kop van. Als je fietst, ervaar je het landschap intensiever dan bijvoorbeeld vanuit de trein of auto. Ik heb mijn vaste rondjes door het Groene Hart. Voor andere fietsers zijn racefietsers wel eens lastig. Ik rem altijd af, en zeg: “Pardon, mag ik er even langs”. Als je met ene groepje fietst, is het soms anders. Dan wil iedereen hard rijden, niemand wil lossen, dan is het overleven en erbij blijven. Sommigen halen dan andere fietsers heel hard in, die voelen dan zo’n rukwindje.
‘Mensen onderschatten de sport vaak, alsof het alleen heel dom, heel hard rijden zou zijn. Maar wielrennen is heel sophisticated. Een belangrijk principe tijdens een wedstrijd is dat je goed je wiel moet kiezen. Als je in het tweede wiel zit, zie je twintig procent minder af. Wielrenner Hennie Kuiper zei een keer: “Wielrennen is eerst het bord van de tegenstander leeg eten.” Als er een kopgroep wegrijdt, moet je beslissen: ga ik mee? Je kunt niet eindeloos met je krachten smijten en spektakel bouwen. En als je in de kopgroep zit, moet je samenwerking op gang brengen. Daarvoor moet je op de fiets ook een soort uitstraling hebben. Verder is timing heel belangrijk.
‘Je kunt verliefd worden op je eigen fiets. Ik ben erg gelukkig met mijn Duitse carbonfiets. Die heb ik via postorder besteld. Als wielrenner moet je ook een beetje fietsenmaker zijn. Een voetballer kan zijn schoenen na de wedstrijd gewoon in de tas gooien. Wij moeten de fiets eigenlijk meteen poetsen, anders slijten de onderdelen heel snel.
‘Je hebt rare regels, zoals het scheren van de benen. Dat is etiquette, men vind dat verzorgd staan. Voor de luchtweerstand zou het beter zijn om niet te scheren; de enige praktische reden om het te doen is dat je na een valpartij beter verzorgd kunt worden.
‘Ik vind de Giro leuker dan de Tour de France: je hebt meer spektakel. En de parkoersen zijn vaak creatiever, zoals hele rare bergfinishes of nu de Breestraat. Ik mag aanschuiven in het Stadhuis. Vanaf het bordes en de trappen gaan we de renners aanmoedigen. Het wordt mijn allereerste ervaring als bobo.’ Piet Kralt (53), projectopzichter technische dienst LUMC, won talloze amateurklassiekers en fietst nog steeds veel wedstrijden. Hij fietst ongeveer driehonderd kilometer per week en is lid van RTV De Bollenstreek.
‘Ik was pas vijfentwintig toen ik ging fietsen. Ik zat eerst op voetbal en heb nog getracht in het eerste van Rijnsburg te komen. Toen ik eenmaal fietste, raakte ik verslaafd. Eerst dacht ik: na mijn veertigste zal ik wel rustiger aan gaan doen. Maar nee hoor. En daarna dacht ik: als ik ene zware blessure oploop, zal ik wel stoppen. Maar verleden jaar heb ik na een valpartij mijn heup gebroken, en daarna ben ik even goed weer begonnen. Het is een bacil die je niet zo makkelijk kwijtraakt. Verleden week deed ik nog mee aan het criterium Rondom de Luttenberg. Toen werd ik achtste in de categorie Masters 50+. Komende vrijdag fiets ik de ronde van Amsterdam.
‘Ik volg het wielergebeuren op tv. In de Giro zijn vooral de bergetappes exceptioneel. Veel zwaarder dan de Tour de France, soms. Dan zet ik overdag de harddisk aan, zodat ik ’s avonds kan kijken. Ik vind het ontzettend leuk dat ze nu naar Leiden komen. Vroeger ben ik wel eens langs de kant gaan kijken bij de tour. Dan sta je twee, drie uur te wachten in de zon en als je één keer verkeerd knippert met je ogen, flitsten ze al weer voorbij. Toen de tour dertig jaar geleden in Leiden was, ben ik nog wezen kijken met mijn broertje.’ Politicoloog Petr Kopecký (42) is tijdritspecialist bij Swift, waar hij ook voorzitter is van de jeugdcommissie. Hij fietst ongeveer tweehonderd kilometer per week.
‘Sinds zeven jaar ben ik echt fanatiek bezig. Vooral bij races. Vooraf pomp je je helemaal op, krijg je een flinke stoot adrenaline. En na afloop een gevoel van blijdschap en voldoening. Ik fiets met een leuke groep mensen, een echte wielergemeenschap.
‘Ik heb een speciale tijdritfiets met een dichtachterwiel en hoge carbonvelgen. In mijn geboorteland Tsjechië heb ik meegedaan aan het kampioenschap tijdrijden op Masters-niveau. Ik werd tiende. Dit jaar doe ik weer mee, hopelijk iets beter. Ik hou er van om klassiekers te rijden door licht heuvelachtig terrein. In Nederland is het eigenlijk te vlak.
‘Tijdrijden heeft te maken met uithoudingsvermogen, tempobeul zijn. Je rijdt niet explosief, maar twintig minuten lang vijfenveertig kilometer per uur. En dan win je. En je moet er tegen kunnen om eindeloos in je eentje geconcentreerd te rijden. Vanaf het startschot voel je de pijn.
‘In de winter ga ik vaak veldrijden. Dat kan heel goed in Nederland. Mijn zoontje doet het ook. Hij is in januari Nederlands kampioen veldrijden geworden.
‘Tijdens de Giro ben ik in Tsjechië op vakantie en om wedstrijden te rijden. Aan de Giro doen minder toppers mee dan aan de Tour de France. De Giro is iets minder geglobaliseerd, iets minder een mediaspektakel dan de Tour de France. Maar de klims in de Dolomieten zijn absoluut spectaculair. In het vlakke Nederland moet je goed in een waaier kunnen rijden, tegen de wind in. Dat kunnen veel Italianen niet. Als het waait in Zeeland, windkracht zes, zullen Nederlanders als gekken rijden.’ Jeroen Jansen (45), chirurg in het Leids Universitair Medisch Centrum, fietst afhankelijk van het seizoen tussen de 140 en 180 kilometer per week.
‘Binnen het LUMC is er een informeel clubje wielrenners. Een orthopeed had een tijd terug speciale LUMC-shirtjes laten maken. Laatst heb ik weer nieuwe shirtjes laten maken. Een stuk of negentig medewerkers hebben zo’n shirtje aangeschaft. Dat zijn niet allemaal fanatieke wielrenners, maar er is een harde kern die vaak samen fietst. Laatst hebben we bijvoorbeeld een clinic georganiseerd op de wielerbaan. Het leuke is dat er mensen meedoen uit alle lagen van het ziekenhuis. Zelf fiets ik twee tot drie keer per week. Het is misschien een typisch mannending. Vrouwen gaan op een gegeven moment wandelen, mannen gaan op de racefiets.
‘Het voordeel van fietsen is dat je ergens komt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld hardlopen: je bent zo bij de Amstel of in Rivierenland. En het is zowel een individuele als een teamsport. Misschien speelt ook wel mee dat je er allerlei spullen voor kunt aanschaffen, zoals een duurdere fiets of een mooier stuur. Net als bij vissen: hoe mooier je hengel, hoe leuker het is. Maar dat psychologische aspect speelt ook een rol, denk ik.
‘Ik mag graag een dag een bergetappe kijken. Heerlijk om je te ergeren aan het tenenkrommende commentaar van de NOS. Dat hoort er een beetje bij. Toen ik hoorde dat de Giro naar Leiden kwam, heb ik die maandag alvast vrij gehouden. Ik denk dat ik bij het Kort Rapenburg ga staan, boven op het Gijzelaarsbankje bijvoorbeeld, ergens waar ze moeten afremmen.’
Woesj!
De eerste drie etappes van de Giro d’Italia worden dit jaar in Nederland verreden. De derde etappe gaat van Amsterdam naar Middelburg, en rijdt halverwege dwars door Leiden. Dat zal ongeveer tweeënhalve minuut duren. Leiden is voor de Giro alleen doorkomstplaats. De gemeente betaalde de organisatie daarvoor 50.000 euro. Op maandag 10 mei, iets na twaalven, zal het peleton naar verwachting door de Breestraat flisten. De route is als volgt, vanuit Oegstgeest: Oegstgeesterweg, Schipholweg, Morssingel, Steenstraat, Prinsessekade, Kort Rapenburg, Breestraat, Korevaarstraat, Lammenschansweg en dan naar Zoeterwoude. Dertig jaar geleden werd in Leiden de proloog van de Tour de France gehouden. Toen ging er veel mis, vooral omdat het regende en het parcours te glad en te bochtig zou zijn. De resultaten van die etappe werden later door de tourorganisatie geneutraliseerd. Wielrenner Ruben Verheul verwacht nu weinig problemen. ‘Het zal anders zijn dan die dramatische Tour. Er ligt ook ander wegdek. Alleen die verkeersremmers in de Breesstraat kunnen link zijn; je ziet ze bijna niet. En moet je hopen dat wielrenners elkaar waarschuwen.’ Renner Piet Kralt: ‘In Italië is de Giro nog veel gekker. Daar rijden ze door van die nostalgische, kleine dorpjes over smalle klinkerpaadjes.’