Gooi promotie niet in uitverkoop Promovendi waarschuwen tegen verschraling Nederlandse wetenschap
Promovendi Netwerk Nederland vreest voor de waarde en kwaliteit van de doctorstitel nu promoveren steeds sneller kan. ‘Een bursaalpositie zonder secundaire arbeidsvoorwaarden of een verkort traject draagt niet bij aan de aantrekkelijkheid van een promotie’.
Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) maakt zich zorgen, want de kwaliteit van de Nederlandse promotie staat onder druk! Op verschillende universiteiten wordt gekozen voor verkorte trajecten van drie – soms zelfs twee – in plaats van vier jaar, waarin een proefschrift van vergelijkbare kwaliteit geschreven dient te worden.
Ook wordt gelobbyd voor een bursalenstelsel, waarin promovendi geen werknemerstatus meer hebben, maar als student beschouwd worden. Ten slotte leidt de focus op plaatselijke graduate schools ertoe dat het voortbestaan van goed functionerende landelijke onderzoeksscholen in gevaar komt. Het PNN is van mening dat deze ontwikkelingen afbreuk doen aan de kwaliteit van de promoties en onze internationale concurrentiepositie.
Gedurende een lange periode is er vanuit de politiek telkens bezuinigd op het onderzoeksbudget van de Nederlandse universiteiten. Het wetenschappelijk personeel (WP) aan universiteiten loopt gestaag terug en Nederland dreigt achterop te raken bij andere toonaangevende landen op onderzoeksgebied. De universiteitsbesturen denken dit op te lossen door promotiestudenten in te voeren – dan hoeven er geen sociale premies meer afgedragen te worden – en door iedere Nederlandse universiteit voor zich te laten concurreren op het wereldtoneel. Deze redenering loopt volgens het PNN op een aantal cruciale punten spaak.
Ten eerste zal de beoogde concurrentie tussen de graduate schools leiden tot een verschraling van de onderlinge samenwerking, terwijl de vruchtbare uitwisseling tussen onderzoekers als uiterst inspirerend en productief wordt beschouwd door de onderzoekers. De landelijke scholen zorgen voor een uitgebreid en instituutsoverschrijdend cursusaanbod voor promovendi en een goede basis voor wetenschappelijke uitwisseling en samenwerking. Plaatselijke promotieopleidingen kunnen, zeker in de kleinere vakgebieden, op dit moment de kwalitatief goede landelijke onderzoekscholen niet vervangen.
Ten tweede leidt de promotiebonus in dit systeem tot drastische verkortingen van het promotietraject; de wet schrijft immers niet voor hoe lang het promotietraject moet zijn. Over de kwaliteit van de proefschriften die uit dit soort verkorte trajecten voortkomen wordt met geen woord gerept, maar het ligt voor de hand dat een proefschrift dat in twee of drie jaar geschreven is, niet vergelijkbaar kan zijn met een proefschrift waaraan vier jaar gewerkt is. Met het oog op de promotiebonus zijn universiteiten sneller geneigd voor verkorte en goedkopere (bursaal-) aanstellingsvormen te kiezen, zodat er meer promovendi aangesteld kunnen worden en meer geld opgestreken kan worden. Het PNN is er van overtuigd dat dergelijke verkorte promoties enkel tot kwaliteitsverlies leiden.
Ten derde vindt het PNN het idee dat meer promoties bijdragen aan de verbetering van de concurrentiepositie van Nederland enigszins kort door de bocht. Om te beginnen daalt het wetenschappelijk personeel in Nederland al jaren. Het wetenschappelijk personeel heeft dus bij een drastische verhoging van het aantal promovendi veel te weinig tijd voor het begeleiden van al die promovendi. Uit onderzoek naar promotierendementen blijkt dat goede begeleiding een belangrijke voorwaarde is voor een goed promotierendement. Het voornaamste effect hiervan zal dus zijn dat de kwaliteit van de Nederlandse proefschriften en het promotierendement afnemen.
Een bursaalpositie zonder secundaire arbeidsvoorwaarden of een verkort traject draagt ook niet bij aan de aantrekkelijkheid van een promotie voor (internationaal) talent. In het huidige systeem blijken veel onderzoeksgebieden (met als uitzondering de geesteswetenschappen en sommige sociale wetenschappen) nu al moeite te hebben met het aantrekken van onderzoekstalent. Dit heeft te maken met de concurrentie vanuit het bedrijfsleven en het slechte imago van de gepromoveerde op de arbeidsmarkt. Vanuit die optiek lijkt het vergroten van het aantal promotieplaatsen enkel te leiden tot grotere problemen.
Ten slotte moet niet vergeten worden dat er na de promotie sprake is van een brain drain. Voor maar slechts twintig procent van de promovendi is na hun promotie plek in het Nederlandse onderzoekslandschap. Het PNN ziet daarom weinig reden om ten koste van de arbeidsvoorwaarden (bursalen), de kwaliteit van het proefschrift (verkorting van het traject), de begeleiding van promovendi (begeleidingstijd van WP) en het cursusaanbod (de landelijke onderzoekscholen) het aantal promovendi drastisch te verhogen.
Het PNN onderkent de problemen in de Nederlandse kenniseconomie, maar opteert voor heel andere oplossingen. Het huidige promotiesysteem, waarin promovendi een werknemerstatus hebben en zich vier jaar lang volledig kunnen richten op hun onderzoek, is juist de kracht van Nederland en draagt in belangrijke mate bij aan haar aantrekkingskracht op zowel binnenlands als buitenlands talent. Het is ook niet voor niets dat het Nederlandse promotiestelsel binnen Europa ook gezien wordt als best practice en in landen als Frankrijk en Noorwegen navolging krijgt. De aandacht moet op dit moment dan ook veeleer uitgaan naar het verbeteren van het carrièreperspectief van de promovendus. Initiatieven zoals de vernieuwingsimpuls moeten uitgebreid worden en er moet gezocht worden naar manieren om jong talent aan het Nederlandse onderzoek te binden. Alleen door het onderzoeksklimaat op deze manier te verbeteren, kan volgens het PNN toptalent aangetrokken en behouden worden en kan de Nederlandse wetenschap uit de neerwaartse spiraal komen.