Mare Nummer 23     11 maart 2010

23
Ronald Plasterk tijdens een debat in de Tweede Kamer.
FOTO: Taco van der Eb
Minister zonder speelruimte
Heeft Plasterk de verwachtingen waargemaakt.

Ronald Plasterk wil graag terugkeren als minister van Onderwijs, zei hij deze week. Goed idee? ‘Laat hem maar terugkomen – mits in een kabinet dat echt substantieel investeert in kennis.’

DOOR VINCENT BONGERS EN ARJEN VAN VEELEN ‘Een winkeloppasser’, zegt Jasper Van Dijk, onderwijswoordvoerder namens de SP. ‘En geen beschermheer van het onderwijs.’

‘Ondanks zijn overvolle agenda’, zegt Jos Engelen, voorzitter van de NWO, ‘heeft Plasterk goed gepresteerd.’

‘Als ik aan de resultaten denk die hij heeft geboekt op het hoger onderwijs’, zegt Tofik Dibi, woordvoerder hoger onderwijs GroenLinks. ‘Dan weet ik gewoon niets op te noemen. Dat is veelzeggend.’

Hooggespannen waren de verwachtingen: voor het eerst in de vaderlandse geschiedenis werd een topwetenschapper minister van onderwijs. Die zou er wel voor zorgen dat de universiteiten hoog op de agenda zouden komen te staan. Eigenwijs, ijdel, koppig, noemden de mensen hem, maar ook: sympathiek en oprecht geïnteresseerd. Was de briljante bioloog ook een briljante minister?

De belangrijkste kritiek uit de universitaire wereld: Plasterk was er niet voor ‘ons’ toen hij er moest zijn. Hij maakte zich niet hard voor extra investeringen; hij zou geen knopen hebben doorgehakt op grote thema’s als de studiefinanciering.

De felste kritiek komt van de SP. Onderwijswoordvoerder Jasper van Dijk noemt Plasterk ‘een tegenvaller’. Die ‘op de schoot is blijven zitten van Wouter Bos’. Hij had, volgens Van Dijk, op de bres moeten staan voor geld voor onderwijs en wetenschap. ‘Ik las onlangs een interview waarin Plasterk zei dat hij voor de vorm alle bezuinigingsmogelijkheden op onderwijs open hield maar zich achter gesloten deuren wel liet weten dat er niet bezuinigd mag worden op het onderwijs. Dat had hij publiekelijk moeten aangeven. Wat ben je nou voor een vent als je als minister niet voor het onderwijs gaat staan.’

‘Het echte onderwerp’, zegt Sijbolt Noorda, die als voorzitter van de vereniging van universiteiten (VSNU) wekelijks met minister Plasterk overlegde, ‘is dat Plasterk in een kabinet is gestapt dat geen substantieel bedrag wilde uitrekken voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Dat stond al in het regeerakkoord, nog voordat Plasterk er bij kwam. Toen - met gunstige economische wind - is het broodnodige verzuimd, namelijk te investeren in de universiteiten. Investeren, dat was precies wat Rinnooy Kan vlak voor de aftrap van Balkenende IV adviseerde. Dat dat niet gebeurde, maakte zijn beweegruimte buitengewoon krap. Hij werd het veld ingestuurd met een onmogelijke missie. Ik had hem graag een ander kabinet toegewenst. Binnen de grenzen van het mogelijke heeft hij goed geopereerd.’

Van Noorda mag Plasterk een herkansing krijgen. Investeren, dat is het enige onderwerp dat er nu echt toe doet. De rest - kwesties als wel of gene harde knip; introductie van studentassessoren - dat is ‘hagelslag’ en ‘minuscuul politiek geneuzel’, vindt Noorda. ‘Laat Plasterk maar terugkomen. Maar dan in een kabinet dat echt investeert in de universiteiten. Het gaat mij om het huis.’

Een beruchte beleidsdaad van Plasterk was de overheveling van honderd miljoen euro uit de universiteitskas naar onderwijsfinancier NWO. Vriend en vijand vonden het doel - wetenschappelijke competitie bevorderen - nobel. Maar het middel - geld afpakken uit de eerste geldstroom - stuitte op grote weerstand. Al was het maar omdat Plasterk het volgens sommigen ontactisch in overleg besloot. CDA’er Jan Jacob van Dijk: ‘Hij joeg meteen de hele universitaire wereld tegen zich in het harnas. Terwijl het plan voor meer competitie op zich niet slecht was.’ SP’er Jasper van Dijk: ‘Het was wat anders geweest, als het extra geld was geweest.’ Gerard Oosterwijk, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond: ‘Het zou geen gevolgen hebben voor het onderwijs. Maar dat is niet helemaal waar: bij bepaalde opleidingen, zoals biologie, had het wel degelijk consequenties.’

Volgens Jos Engelen, voorzitter van NWO, had de maatregel van Plasterk wel degelijk een gunstig effect. Het geld werd besteed aan o.a. beurzen voor jonge onderzoekers (de zogeheten Vernieuwingsimpuls). Volgens Engelen blijkt uit onderzoek van het Rathenau-instituut dat de carrièremogelijkheden van jonge onderzoekers mede door de Vernieuwingsimpuls zijn verbeterd. ‘Volgens hetzelfde onderzoek heeft de Vernieuwingsimpuls en de grotere rol van NWO in de toekenning van onderzoeksgeld bijgedragen aan de goede prestaties van Nederlandse wetenschappers in vergelijking met andere landen. Dat zijn natuurlijk prachtige resultaten.’ Volgens Engelen stond Plasterk wel degelijk op de bres voor wetenschap. ‘Hij draagt de wetenschap een warm hart toe, begrijpt het belang ervan. Het wetenschappelijk onderzoek is ook geen onderwerp van “heroverweging” met het oog op de aanstaande bezuinigingen.’

Elizabeth Koier, Leids promovenda en voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland, ziet dat anders. Zij vindt weliswaar dat de Vernieuwingsimpuls positief was voor promovendi, maar de schaduwzijde is dat het nu ‘eigenlijk het enige loopbaanperspectief is, op wat schaarse, postdocplekken na.’ Een andere grote zorg van Koier is dat onder Plasterk de status van de promotie in gevaar is gekomen. De doctorstitel is aan het devalueren, meent ze. Bijvoorbeeld door het toestaan van twee- of driejarige promotietrajecten. Dat Plasterk dat prima vond, was voor haar teleurstellend. Net als dat hij niet ingreep toen er verschillende landelijke onderzoeksscholen in de problemen kwamen - niet omdat ze te duur waren, of slecht functioneerden, integendeel, maar omdat de universiteiten zich liever wilden profileren in eigen graduate schools.

Op het onderwijsdossier was Plasterk volgens D66-kamerlid Boris Van der Ham ‘vrij onzichtbaar. Het leek soms wel dat hij juist omdat hij uit de wetenschap komt, de nadruk wilde leggen op andere zaken in zijn portefeuille zoals media, cultuur en emancipatie. Op die dossiers heeft hij dan ook goed werk verricht.’ CDA’er van Dijk: ‘Veel mensen zeiden: het is een minister van onderwijs die onderwijs niet in de portefeuille heeft.’

VSNU-voorzitter Noorda looft Plasterk juist om het feit dat hij universiteiten hun gang liet gaan. ‘Je moet een minister niet alleen beoordelen op wat hij doet; ook op wat hij niet doet. We kampen nog steeds met de scherven van bemoeizuchtige voorgangers. Plasterk heeft ongelofelijk veel dingen niet gedaan. Die afwezigheid valt te prijzen. Hij kwam niet voortdurend met onnodige, betuttelende politieke interventies zoals Ritzen en Rutte deden. Hij had een heel sterk besef dat de universiteit een professionele, autonome organisatie is die in handen hoort te zijn van de de wetenschappers zelf. Daar neem ik mijn hoed voor af.’

Lisa Westerveld, voorzitter van de landelijke studentenvakbond (2007-2009): maar ‘We vonden het eigenlijk wel prettig dat hij geen radicale veranderingen voorstelde. Staatssecretarissen als Rutte en Nijs hadden grootse plannen. Die had Plasterk gelukkig niet.’ Ze vindt het wel heel jammer dat dat Plasterk geen duidelijk heeft verschaft over de toekomst van de studiefinanciering. ‘Dat is een heikel punt waar hij helder over had moeten zijn’, zegt Westerveld.

Anderen menen dat de afwezigheid van de minister duidt op onverschilligheid. Het beeld van ‘minister van feest’ heeft hij aan zichzelf te danken, meent Boris Van der Ham: ‘Hij reageerde altijd wat kribbig op dit etiket, maar ging ook wel erg vaak op pad. Hij had zich wat vaker terug kunnen trekken op zijn ministerie om na te denken over het te voeren beleid op het hoger onderwijs op de lange termijn in plaats van belangrijke zaken voor zich uit schuiven; ik denk dan aan de studiefinanciering.’ Tofik Dibi vindt het etiket ‘te simpel’. ‘Hij was ook verantwoordelijk voor cultuur en emancipatie. Dan hoort het er ook gewoon bij’. Ook Noorda vindt het etiket ‘minister van feest’ flauwekul. Hij kent Plasterk als iemand die zich serieus verdiepte in de cultuursector. Van voorgangers - die hetzelfde deden – werd gezegd dat ze zich grondig verdiepten; Plasterk zou opeens een party animal zijn.

Lof krijgt Plasterk bijvoorbeeld voor het verbeteren van de studieschuldregeling; voor zijn aandacht voor onderwijskwaliteit; voor het opkrikken van basisvaardigheden als taal en rekenen en voor de salarisverhoging van docenten. Dibi: ‘Dat heeft hij maar mooi voor elkaar gekregen. Dit is het eerste kabinet en de eerste minister die hier iets aan gedaan hebben.’ Jos Engelen van NWO maakt een kanttekening. Die salarisverhoging was weliswaar ‘nobel en noodzakelijk’, maar de één miljard euro die het kostte was wel ‘een enorme aanslag op de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Om deze en andere redenen - bijvoorbeeld het budget voor kinderopvang - had hij weinig speelruimte. En hij heeft weinig willen of kunnen doen om die speelruimte te vergroten.’