De laatste beslissing Epidemiologie van zelfmoord: wat hebben plegers met elkaar gemeen?
Wat heeft longinhoud met zelfdoding te maken? En stappen dikkere mensen minder snel uit het leven? Het zijn de vragen die psychiater Erik Giltay zich mee bezighoudt. ‘Mannen kiezen vaak agressievere methoden.’
DOOR BART BRAUN Zoals de meeste wetenschappers moet ook psychiater Erik Giltay van het Leids Universitair Medisch Centrum wel eens op verjaardagen uitleggen wat hij nou precies doet met uw belastingcenten. Een hoop van zijn onderzoek is daar heel geschikt voor: hij houdt zich onder meer bezig met de hormoonhuishouding in transseksuelen en de bijwerkingen van chemische castratie van verkrachters.
Zijn andere onderzoek breekt wat meer met de feestvreugde. Hij onderzoekt de epidemiologie van zelfmoord: wat hebben mensen die zelfmoord pleegden gemeen? ‘Geen vrolijk onderwerp’, geeft hij toe. ‘Er wordt dan heel serieus op ingegaan. Ik hoor vaak verhalen van mensen die iemand kennen die dat heeft gedaan. Dat iemand echt geen uitweg meer zag, is voor hen maar moeilijk voor te stellen.’
Over de directe psychologische en psychiatrische oorzaken is al een hoop bekend. Depressies, schizofrenie en bipolaire stoornissen komen veel vaker voor onder zelfmoordenaars. De kans dat iemand zelfmoord pleegt, wordt ook groter als hij of zij de middelen voorhanden heeft, zoals vuurwapens of landbouwgif. Vrouwen doen ongeveer drie keer zo vaak een zelfmoordpoging als mannen, maar de mannen die het proberen, slagen er vaker in. Giltay: ‘Mannen kiezen vaak agressievere methoden: ze springen van een hoog gebouw of schieten zich door het hoofd.’
Giltay en zijn collega’s zijn meer geïnteresseerd in de biologische risicofactoren. ‘Daar weten we nog weinig vanaf; het eerste onderzoek daarnaar begint nu uit te komen’, vertelt hij. Zo is het bijvoorbeeld goed denkbaar dat er bepaalde genen zijn die geassocieerd zijn met een verhoogde kans op zelfmoord. Als je dat wilt onderzoeken, moet je een enorme groep mensen nemen – tienduizend, op zijn minst, want zelfmoord is zeldzaam. Die mensen volg je dan over een langere periode, en vervolgens kijk je naar het piepkleine gedeelte van die groep dat zelfmoord heeft gepleegd. Twintig jaar geleden was het nog ondoenlijk om bij zo’n hoeveelheid mensen naar de genen te kijken, dus de uitkomsten van zulk onderzoek zijn domweg nog niet binnen. Er bestaat wel een Oostenrijkse studie die aangeeft dat bepaalde achternamen oververtegenwoordigd zijn bij zelfmoordenaars, maar als je dat doet, gooi je de effecten van genen, gezinnen, sociaal-economische klasse en regio op een grote hoop.
In het Journal of Affective Disorders beschrijven Giltay, de Leidse hoogleraar psychiatrie Frans Zitman en een internationaal team van collega’s een onderzoek naar risicofactoren die al langer goed te meten zijn. Hun onderzoeksgroep was een bestand van twaalfduizend mannen uit zeven verschillende landen, en werd al sinds de jaren zestig gemonitord voor een groter onderzoek naar hart- en vaatziekten. ‘Dit was een van de eerste en langst lopende cohort-onderzoeken in de wereld’, aldus Giltay.
In de veertig jaar dat de groep in de gaten werd gehouden, pleegden 112 leden zelfmoord. De onderzoekers konden kijken naar de biologische data die in de loop der jaren verzameld was, en op zoek gaan naar verbanden.
Omdat het onderzoek naar zulke verbanden nog relatief jong is, bestaat er relatief weinig literatuur die vertelt wat je kunt verwachten. De literatuur die bestaat, spreekt elkaar ook nog eens tegen. Amerikaans onderzoek wijst uit dat dikke mensen minder vaak zelfmoord plegen, maar in Europese studies is dat lang niet altijd zo duidelijk. Noors onderzoek suggereert dat het hebben van oudere broers of zussen een risicofactor is. Volgens sommige studies is verhoogt een lage bloeddruk de kans op zelfmoord, en ander werk wijst juist naar een hoge bloeddruk. Over lichaamslengte lijkt er wel consensus te zijn: kleine mensen plegen vaker zelfmoord dan mensen die lang zijn.
Dat laatste kwam ook weer uit de studie van Giltay en co. Maar het belangrijkste verband dat ze vonden was nieuw: longvolume. Hoe kleiner iemands longvolume, hoe groter de kans dat hij zelfmoord pleegde. In de groep mensen die het laagste scoorden op een meting waarbij ze door een apparaatje moesten blazen kwam vier keer zo vaak zelfmoord voor als in de groep met de beste blazers. ‘De absolute risico’s zijn klein, maar ze lopen wel sterk uit elkaar’, aldus de onderzoeker.
Waarom? ‘Wij weten ook nog niet wat de relatie verklaart’, legt Giltay uit. ‘Dit zijn vaak mensen met astma of de longziekte COPD; het gevoel om te stikken bij een astma-aanval moet verschrikkelijk beangstigend zijn. Daarnaast kunnen de medicijnen die daarvoor gegeven worden, zelfmoordneigingen opwekken. Het kan ook zijn dat de ademhalingsproblemen ervoor zorgen dat de hersenen minder zuurstof krijgen op de momenten dat dat nodig is. Dat veroorzaakt slaapproblemen en depressies.’ In een binnenkort verschijnend artikel in het vakblad Psychosomatic Medicine laat Giltay zien dat er een sterke relatie is tussen ademhalingsproblemen en depressiviteit.
‘Op bevolkingsniveau kun je weinig met deze kennis, maar bij de behandeling van individuen wel. Mensen met slaapapneu kun je behandelen met een slaapmasker waarbij ’s nachts lucht de luchtweg in wordt geblazen. Bij mensen met COPD of bloedarmoede moet je extra attent zijn op depressies. Met een soort knijper op de vinger kun je eenvoudig meten hoeveel zuurstof er in hun bloed zit. Als dat gehalte laag is, moet je zorgen dat de zuurstofvoorziening van de hersenen niet in de problemen komt.’
Tot slot is er nog een feitje over zelfmoord dat niet onvermeld mag blijven. Er is namelijk een verband tussen media-aandacht voor zelfmoorden, en zelfmoorden. Na berichtgeving over iemand die een einde aan zijn leven maakt, is er soms een piek te zien in het aantal zelfmoorden. Het is niet helemaal duidelijk of die piek gevolgd wordt door dalen, en dus of die mensen niet anders ook zelfmoord gepleegd zouden hebben op een later tijdstip. In Vlaanderen is het gebruikelijk om berichtgeving over de problematiek vergezeld te laten gaan van informatie over hulpverlening, en Mare neemt die gewoonte hier over.
Voor mensen met zelfmoordneigingen bestaat een SOS telefoondienst: 0900-0767. Online hulp is sinds 2009 beschikbaar op www.113online.nl, en uw huisarts kan u doorverwijzen naar de geestelijke gezondheidszorg. Om met Giltay te spreken: ‘Zelfmoorden zijn vaak impulsieve beslissingen: als mensen een zelfmoordpoging overleven en behandeld worden, blijkt dat ze vaak spijt krijgen.’