Voormalig Leids rechtenstudent Laurine van Riessen: ‘Medailles...? Dan moet alles goed vallen en moet mijn vorm echt perfect zijn.’
FOTO: HH
Liever schaatsen dan studeren Is meedoen aan de Olympische Spelen te combineren met een studie?
Volgende week start Laurine van Riessen op de Olympische Spelen in Vancouver. Topsport en studie gaan steeds moeilijker samen, vindt de schaatster, die haar Leidse rechtenstudie staakte. Oud-Olympiërs herkennen het probleem.
DOOR DIRK-JAN ZOM Als morgen bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Vancouver de Nederlandse equipe wordt gepresenteerd, is ze erbij: Laurine van Riessen (22). De oud-studente van de Universiteit Leiden kwalificeerde zich op maar liefst drie afstanden bij het langebaanschaatsen.
Van Riessen studeerde ongeveer drie jaar rechten in Leiden. In het eerste jaar kon ze het nog wel met topsport combineren, daarna werd dat lastiger. Van Riessen: ‘In het tweede jaar ging ik wereldbekerwedstrijden rijden, dan zit je veel in het buitenland. Ook moet je veel aanwezig zijn op college. Men deed niet moeilijk over het missen van bijeenkomsten, maar je mist gewoon stof.’
In 2007 stopte ze in Leiden. Ze studeert nu aan de Open Universiteit, waar ze haar studie beter kon plannen. ‘Niets ten nadele van Leiden, maar hier is het gewoon eenvoudiger. Je kunt hier zelf je vakken indelen, beter zelfstandig werken. Ik snap wel dat het voor de universiteit lastig is om zonder een grote groep topsporters het toch individueel te gaan regelen. Maar als ze echt topsport willen, moet er wel veel veranderen.’
Waterpolospeelster Biurakn Hakverdian (24) was er twee jaar geleden bij in Peking en won daar goud. Ze studeerde van 2003 tot 2005 in Leiden. Ook zij noemt de combinatie lastig. ‘Ik had niet veel college maar wel veel leeswerk. Als je moe bent van hard trainen, is het moeilijk je te concentreren. Omdat ik drie dagen per week in Zeist train, kon ik ook niet veel aanwezig zijn. Het kan wel, maar het gaat echt een stuk langzamer’, zegt ze. Inmiddels studeert ze thuis via de NTI.
Studentendecaan Marcel Melchers begeleidt de topsporters van de Universiteit Leiden. Volgens hem wordt het steeds lastiger om studie en topsport te combineren: ‘De afgelopen jaren zijn veel sporten veel professioneler geworden. Je had vroeger meer semi-profs. Olympisch schaatser Piet Kleine was postbode. Nu zie je dat er meer en intensiever getraind wordt. Sporters moeten ook meer naar het buitenland voor toernooien of trainingskampen. De universiteit is ook meer prestatiegericht dan voorheen. Vroeger kon je er langer over doen. Nu heb je meer contacturen, een bindend studieadvies, verplichte aanwezigheid.’
Oud-hockeyer Floris Jan Bovelander studeerde biologie in Leiden in de tijd dat een studie nog lang mocht duren: van 1985 tot 1999. In 1996 won hij met de hockeyers goud op de Spelen in Atlanta. Bovelander vindt het belangrijk dat sporters zich naast hun sport ook ontwikkelen. ‘Een dvd’tje kijken op de bank en dan gaan trainen, daar word je niet beter van. Het is wel lastiger geworden, toch raad ik aan iets ernaast te doen.’
De oud-hockeyer vond naast de drukte van zijn sport nog voldoende tijd voor een studie. ‘Je kunt echt wel meer doen dan alleen trainen. Ik kon toch wel vier dagen per week studeren. Andere studenten studeerden ook niet vijf dagen per week.’ Moeilijker werd het in de aanloop naar grote toernooien, zoals de Zomerspelen, legt hij uit. ‘Je bent er dan volledig mee bezig. Het is dan ook fijn los te zijn van de studie. Daarom heb ik er ook lang over gedaan.’
Dat vertelt ook Ronald Florijn, oud-olympisch roeier en gouden medaillewinnaar op de Spelen van ’88 en ’96. Hij begon in 1987 met een studie organisatiekunde en bereikte dus een jaar later al een hoogtepunt in zijn sport. Florijn: ‘In het jaar voor de Spelen was ik zeer intensief met sporten bezig, aan studie heb ik toen maar weinig tijd besteed. Toen ik terugkwam was de faculteit verhuisd, zaten er andere studenten naast me en kreeg ik college van een andere docent.’
Hij kon er wel tegen, vertelt hij. Maar juist zijn fanatisme belemmerde zijn studie ook wel: ‘Ik was echt een trainingsbeest, kan moeilijk twee dingen tegelijk doen. Maar studeren ernaast kan wel. Alle roeiers trainen wel tot twaalf keer per week. Toch haalde iedereen zijn studie.’
Melchers de sporters noemt de sporters dubbeltalenten. Hij denkt dat ze met hun doorzettingsvermogen en resultaatgerichtheid op meerdere gebieden kunnen uitblinken. ‘We hebben natuurlijk ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Als een sporter geblesseerd raakt, of de top niet haalt en daarna nog moet beginnen aan een maatschappelijke carrière, wordt het al lastig. Sporters behalen mindere misschien resultaten, maar kunnen toch een toevoeging zijn van de opleiding.’
Ook Florijn denkt dat de instelling die sporters hebben hen verder kan helpen. ‘Je studeert om maatschappelijk iets te bereiken. Sporters zijn doen erg doelgericht en willen winnen. Daar steken ze energie in. Die eigenschap is ook heel goed voor het behalen van maatschappelijke doelen.’
Het stoppen viel hem zwaar, tot hij een eigen bedrijf in organisatieadvies startte: Human energy management. Florijn: ‘Je vraagt je wel even af wat je doel is. Iets winnen, ja dat vind je dan niet meer terug. In het begin was het een groot gat. Maar toen ik eenmaal mijn doel had gevonden, vond ik ook mijn kracht terug.’
Bovelander studeerde eerst af en begon daarna met broer Jeroen ook een eigen bedrijf. ‘Ik organiseerde al vanaf mijn jeugd hockeykampen’, vertelt hij. ‘Ik rolde er dus ook wel in. Ik ben echt een teamplayer, moet echt op sleeptouw genomen worden door de rest van het team. Plezier ook een grote drive voor me, ook nu in het bedrijf. Al wilde ik ook wel gewoon winnen natuurlijk.’
Het is allemaal nog toekomstmuziek voor Van Riessen, die zich op dit moment voorbereidt op haar eerste olympische optreden. ‘De 1.000 meter is mijn favoriete afstand. Maar medailles… Dan moet alles goed vallen en mijn vorm echt perfect zijn’, zegt ze.
Van Riessen probeert naast de sport nu zover mogelijk te komen in haar studie: ‘Toen ik geblesseerd was heb ik veel kunnen doen. Maar in het olympische jaar is het heel lastig. Ik hoop dat als ik stop, ik direct met een master kan beginnen.’
Over gemiste studentenlevens wordt maar weinig getreurd. Bovelander werd uiteindelijk niet lid van Minerva, omdat het niet te combineren viel met toernooien. Florijn mistte het soms wel, maar vindt dat hij er door zijn sport genoeg voor terug heeft gekregen. En Van Riessen? ‘Ik heb er niet zoveel van meegekregen. En ik zit er ook niet mee. Ik wil mijn tijd in sport steken, ik vind schaatsen mooier dan het studentenleven.’
Topsport in Leiden
Wie in Leiden studeert en topsport beoefent, kan gebruik maken van studentenondersteuning. Wel is daarvoor een speciale status van sportkoepel NOC*NSF vereist. Er zijn vier verschillende, die stellen dat de sporter bij de top acht of zestien van de wereld hoort, het potentieel heeft om daar snel te komen of deel uitmaakt van een nationale selectie. Is dat het geval, dan zijn er een aantal faciliteiten voor de sporter zoals het verlengen van inlevertermijnen van papers, gedeeltelijke ontheffing van de aanwezigheidsplicht, extra herkansingen, vervangende opdrachten en iets minder zware eisen van het bindend studieadvies. Sporters dienen aan het begin van het studiejaar altijd naar de decaan te gaan om met de agenda’s te kijken waar mogelijke knelpunten liggen. Ook behoort het verkrijgen van een extra beurs voor studievertraging tot de mogelijkheden. Het zijn nu vooral de nationale toppers die zich melden bij studentendecaan Marcel Melchers. Momenteel maken ruim twintig Leidse studenten van die regeling gebruik.