Mare Nummer 18     28 januari 2010

18
‘Door deze campagnes kan de angst onder de bevolking groeien. Terroristen worden er zelden mee gepakt.’
Hard optreden: meer aanslagen
Bevolking mobiliseren tegen terrorisme werkt averechts, zegt onderzoeker

Zodra terreurbestrijding minder hard werd, daalde het aantal aanslagen, zo blijkt uit een historische studie van Beatrice de Graaf. ‘Terrorismebestrijders verhogen juist de dramatiek van de aanslagen, iets waar terroristen juist op uit zijn.’

DOOR DIRK-JAN ZOM De ‘War on Terror’ werd de strijd tegen terrorisme kort na 9/11 gedoopt door de regering Bush. De Verenigde Staten in oorlog met de terroristen. Met de komst van de nieuwe Amerikaanse president Obama veranderde het beleid. Hij wil Guantanamo Bay sluiten en hij vertrok naar Caïro om de dialoog met de moslimwereld te versterken. Maar ook de woordkeuze van het beleid werd aangepast. Het label ‘War on Terror’ veranderde in ‘Overseas Contingency Operation’.

Terrorismeonderzoeker Beatrice de Graaf vindt de benadering van Obama verstandig. Want naast de technische aanpak is de manier waarop dit op de agenda wordt gezet en welke beeldvorming er omheen bestaat ook heel belangrijk, laat de wetenschapper van het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme (CTC) in Den Haag zien in haar boek Theater van de Angst, dat vandaag verschijnt.

Drie jaar lang deed De Graaf onderzoek naar de effecten van terrorismebestrijding in Nederland, Verenigde Staten, Duitsland en Italië in een historische context. Ze bestudeerde vooral de jaren ’70 en ’80 om een afgerond beeld van die terroristische acties te kunnen tonen. Vandaag wordt het boek overhandigd aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding Erik Akerboom tijdens de opening van de CTC-bibliotheek op de Campus Den Haag.

Terrorisme is naast het plegen van aanslagen ook een strijd om politieke en media-aandacht en beeldvorming. En die beeldvorming kan verschillen. De Graaf: ‘Je kunt zien dat er in de jaren ’70 in Nederland meer doden zijn gevallen door terrorisme dan nu. Toch leeft het idee dat het op dit moment gevaarlijker is. Het doel van terrorisme is angst aanjagen en de politiek onder druk zetten. De terrorist is uit op het creëren van een theater van angst.’

Naast de reactie van de regering Bush op 9/11 waren ook de presentatie en communicatie van dit beleid krachtig. De Graaf noemt dit laatste de performativiteit van het beleid: de mate waarin de regering de samenleving weet te mobiliseren. Worden maatregelen groots gebracht, bijvoorbeeld doorvlochten met oorlogsretoriek, en zijn ze zeer goed zichtbaar voor de bevolking, dan kan dat een schadelijk effect hebben, zegt ze. ‘Terrorismebestrijders verhogen dan juist de dramatiek van de aanslagen, iets waar terroristen juist op uit zijn. Neem bijvoorbeeld de reactie op Al-Qaida. Voor 9/11 waren er al aanslagen in Afrika, ondermeer vanwege de onvrede tegen de aanwezigheid van Amerikanen op het Arabische schiereiland. Een effect bleef uit, dus werd het theater naar het westen verlegd’, legt ze uit. Het gevolg was 9/11, waardoor het theater voor de terroristen uiteindelijk wel ontstond. ‘Het was wel begrijpelijk dat de Amerikaanse regering heftig gereageerde. Bijna drieduizend slachtoffers, een onbekende ‘andere’ vijand, enorme schade. Maar de vraag is of het verstandig is. Een hoge performative power kan tot radicalisering leiden en dat kan uiteindelijk leiden tot meer aanslagen.’

Hoe dit precies werkt laat ze zien in de casussen die ze bestudeerde, bijvoorbeeld de Molukse acties. Er waren onder andere treinkapingen bij Wijster (1975) en De Punt (1977) en gijzelingen een lagere school in Bovensmilde (1977) en het provinciehuis in Assen (1978). Hoewel er meerdere doden vielen, bleef een paniekreactie onder de bevolking uit. Na de acties in 1977 had 27 procent zelfs nog begrip voor de Molukse zaak.

Het beeld was anders dan nu, legt ze uit: ‘In de jaren ’70 had terrorisme een veel heterogener karakter. Je had de Molukkers, de RAF, de Rode Jeugd. Al die verschillende groeperingen werden in Nederland niet tot een angstbeeld samengesmeed, zoals nu wel gebeurt met de jihadisten. In Duitsland werd de RAF veel harder aangepakt. Er bestond daar veel meer angst voor het linkse gevaar.’

‘Obama snapt het beter’

Door de bevolking te mobiliseren ontstaat ‘het theater van angst’ dat terroristen wensen

In de pers bleef de berichtgeving echter terughoudend, waardoor geen ‘discours van bedreiging’ kon ontstaan. ‘Een bewuste strategie’, vertelt De Graaf. ‘Hoofdredacteuren werd verzocht om er niet over te schrijven. Hier werd min of meer gehoor aan gegeven.’

Er was niet één centrale benadering, waardoor er geen landelijk discours over terrorisme ontstond. Mede daarom bleef de rust in de samenleving bewaard, legt ze uit. ‘Media-aandacht en een reactie van de politiek zijn de zuurstof voor aanslagen.’

Een andere casus is de situatie in de Verenigde Staten, ook in de jaren ‘70, waar de Weather Underground Organization (WUO) actief was. Op de achtergrond speelde de oorlog in Vietnam. De Amerikaanse aanpak onder leiding van toenmalig president Nixon was vele malen harder en niet alleen gericht op terroristen. Ook in zijn woordkeuze was Nixon hard: ‘Certainly hundreds, perhaps thousands, of Americans are determined to destroy our society.’

Toen op 4 mei 1970 bij een uit de hand gelopen demonstratie op de Kent State University in de staat Ohio vier studenten door schoten van het leger om het leven kwamen en foto’s daarvan de hele wereld over gingen, was het resultaat in de VS een enorme toename van het aantal demonstraties en acties. Kort na de schietpartij blies de WUO een legergebouw op. Nixon leek inmiddels het onderscheid tussen student en Weatherman niet meer te zien. Naar politieke argumenten werd niet geluisterd. Uiteindelijk bleek het onmogelijk om de aanslagen te voorkomen.

Nadat het beleid minder hard werd en de performativiteit ook minderde, daalde ook het aantal aanslagen, laat het onderzoek zien. De Graaf: ‘Terroristen hebben een drijfveer nodig. Maar Nixon was weg, de oorlog was voorbij, de steun liep terug.’

In haar boek durft ze voorzichtig de hypothese te stellen dat die performative power van het beleid een voorspellende waarde heeft voor het aantal incidenten of slachtoffers. Dus zwaar inzetten op terrorismebeleid kan de bevolking mobiliseren, waardoor een theater voor de terrorist ontstaat. Omgekeerd werkt ook, dan wordt het theater dus kleiner.

‘Obama snapt dat beter’, vindt ze. ‘Hij heeft preciezer omschreven wie de vijand is, duidelijk gemaakt dat niet elke moslim of elk moslimland gevaarlijk is. In Caïro noemde hij de islam een vredelievende religie. Daarmee ontnam hij ook de terroristen munitie. Die kunnen niet meer zeggen: “zie je nou wel hoe de westerse wereld over ons denkt.”’

De Graaf hoopt dat haar onderzoek kan bijdragen aan de bestrijding van terrorisme, al is dat moeilijk. ‘Het hoofd van de Britse Inlichtingendienst MI5 zei ooit: “Het geheel voorkomen van terroristische acties is niet mogelijk. We moeten alle ballen vangen en zij kunnen blijven schieten. Het hoeft maar een keer raak te zijn.”’

En het ligt gecompliceerd, omdat terrorisme dus geen gewone criminele activiteit is. De Graaf: ‘Terroristen strijden om beeldvorming, ze hebben geld en nieuwe mensen nodig. Dit is geen pleidooi voor een soft beleid. Het gaat om een bijna chirurgisch punctueel hardhandig optreden.’ Ambivalent is ze over informatiecampagnes, waardoor de angst onder bevolking kan groeien, maar waar zelden terroristen mee gepakt worden. ‘Het is te breed en je gaat over de hoofden van mensen heen.’

Ook nu ziet ze dus het theater van angst aan het werk. ‘Jihadistisch terrorisme resoneert met bepaalde breuklijnen in de samenleving, men koppelt de aanslagen van een handjevol mensen aan de islam of immigranten als geheel’, legt ze uit. Maar is die link er niet, dan blijft de impact minimaal. De Graaf: ‘Neem bijvoorbeeld de aanslag van Karst T. tijdens Koninginnedag 2009. De dader was een blanke Nederlander. Uiteindelijk is het maatschappelijk effect van die aanslag klein geweest. Maar stel je voor dat het een Marokkaanse man geweest was. Dan was het effect waarschijnlijk groter geweest. Het beeld van Karst T. paste niet in die breuklijnen.’


Praten met terroristen

Voor het onderzoek sprak De Graaf met oud-terroristen. Zo interviewde ze in 2007 Bernadine Dohrn, een voormalig leidster van de Weather Underground Organization (WUO).

‘Die beweging heeft er bewust voor gekozen om niet te doden. Je zit dus niet met een moordenaar aan tafel, dat maakt het minder moreel verwerpelijk. Dohrn is nu professor jeugdrecht aan een Amerikaanse Universiteit. Ze wilde de overheid een lesje leren vanwege de Vietnamoorlog. Het is een enorm charismatische vrouw, als zij het zegt, begin je er bijna in te geloven.’

Ook sprak ze met een Molukse man die betrokken was bij de bezetting van de Indonesische ambassade in 1970, waarbij een politieman omkwam. Zijn broer was later betrokken bij de treinkaping in ’77.

Spreken met huidige terroristen is lastig, omdat je zou ze dan bij de politie moeten aangeven, legt ze uit. Wel probeerde ze te praten met jongens die nu in de gevangenis zitten. ‘Ik heb netjes de advocaat van Samir A. benaderd. Maar ze willen niet met onderzoekers praten. Tenminste niet toen ik het vroeg.’


Beatrice de Graaf, Theater van de angst. Boom, 394 pagina’s, € 25,-

Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook