DOOR ANCO MORITZ “Pas op het moment dat er iemand sterft, weet ik wat niet vanzelfsprekend is. Tot die tijd leef ik het leven van een koning.” Hij schreef het neer, opdat hij het niet zou vergeten. En voegde toe: “Ik ben een koning.” Waarop hij ging slapen.
Toen hij de volgende ochtend wakker werd, trof hij een trivialiteit. Er was geen goede reden om zoiets op te schrijven.
Volgens het nieuwe rooster had hij over drie kwartier college, maar tijdens het ontbijt kreeg hij bericht van Lianne.
- Ben je wakker?
- Ja
- Ik ben sip. Wil je misschien langskomen? Zou het heel fijn vinden
Hij twijfelde even; typte toen:
- Tuurlijk. Even snel ontbijten, ben er over 20 min
Hij was een kwartier te laat, maar hij wist dat haar kus niet anders zou zijn.
Op bed liggend, vertelde ze hem: “Ik kon vandaag niet beginnen met studeren. Ik vroeg me af wat ik ermee zou doen, later, met de kennis die ik nu opdoe. En ik kon niets bedenken. Dus waarom zou ik nog een boek openslaan?”
Hij wist dat Lianne minder plezier in haar studie had dan hij. Ze had er een gekozen omdat dat moet en alleen omdat dat moet, dus was ze nu de weg kwijt. Het was logisch.
“Wat moet ik?”
Ze moest stoppen met haar studie, uitzoeken wat ze precies wilde en daarvoor lang de tijd nemen. Het was triviaal.
Hij zei: “Je moet er vooral niet te veel over nadenken. We zijn maar mensen, snap je. Uiteindelijk gaan we dood, dus niets in het leven leidt ergens toe. Zolang we plezier hebben, doen we het goed. En hebben we nu geen plezier?” En hij streelde haar rond haar navel.
“Jawel. Maar.”
Er was een stilte.
Hij bedacht dat hij misschien nog de tweede helft van zijn college zou kunnen volgen. Er werden tentamenvragen besproken, meende hij. “Ik heb eigenlijk college, nu. Ik denk dat ik zo nog even naar de tweede helft ga.”
“Ik vind dat je moet blijven.”
“Vertel me waarom.”
“Nou, zit niet te vissen,” zei ze en ze sloeg haar armen om hem heen. Niet veel later lagen ze te vrijen, en toen hij tegen de avond vertrok, zei ze hem nog hoe fijn ze het had gevonden, dat hij was gebleven. Terwijl hij naar huis fietste, stapte hij bijna af om een zwerver wat kleingeld te geven.
Er bleek een proeftentamen online te staan, met daarin alle vragen die die dag besproken waren. Mogelijke antwoorden werden ook gegeven. Hij bestudeerde ze en wist dat het goed zou komen.
Naast zijn toetsenbord lag een stuk papier, dat beschreven was met een levensspreuk.“Pas op het moment,” mompelde hij. Het was nog even waar als die ochtend, en net zo min begreep hij waarom het hier moest liggen. Hij verkreukte het en gooide het weg.
Op een vaste avond in de week kwam hij met zijn jaarclub bijeen – vanavond was zo’n avond. Met Boy at hij van te voren in een eetcafé in de binnenstad.
“Dus,” begon Boy. “Dus. Hoe is het met jouw vriendin?”
“Nou ja. Wel goed, geloof ik. Ze heeft het moeilijk met haar studie, maar daar komt ze wel weer overheen.”
“Denk je?”
“Ja.”
“Maar ze houdt van je, nietwaar?”
“Precies.”
In het gebouw van de vereniging ontmoetten ze de rest van de jaarclub. Ze proostten bij elk glas op iets anders, en zo bleken er veel redenen tot proosten te zijn. Toen op een zeker moment niemand nog iets wist, zei Xander: “Op avonden als deze.” En “Op avonden als deze” zei ook de rest.
“Wat een luxe he. Dat we dit kunnen doen, op een doordeweekse dag,” zei Boy tegen hem.
“Zeker,” zei hij. “We zijn rijke mensen.”
“Inderdaad. We zijn rijke mensen.” En ze dronken van hun bier, luisterden naar de half verstaanbare gesprekken om hen heen en probeerden niet te veel te denken. Zo bleven ze een tijdlang zitten.
“Alle mensen die van me houden, leven nog,” zei Boy toen.
Hij fronsde.
“Zijn er bij jou al mensen gestorven, dan?”
“Nou, nee.”
“Zie je,” zei Boy. “En toch is het middelmatig. Ik denk dat mijn vriendin van mij houdt, want dat doet ze me geloven. En waarschijnlijk denkt zij hetzelfde van mij. Maar ik weet niet of ik van haar houd.”
Hij zei: “Natuurlijk wel,” wendde zich tot iemand anders en probeerde de rest van de avond te blijven lachen. Het ging heel redelijk.
Op weg naar huis begon hij te denken. Misschien hield hij niet van Lianne. Maar zou dat erg zijn? Ze hield immers van hem – en daarvan was hij zeker – en daar ging het om.
Toen hij in bed ging liggen, bedacht hij dat het waar was. Hij hield niet van Lianne. Eigenlijk wist hij het al lang, maar had hij er nog niet over nagedacht. Het bleek logisch. Ze hadden het zo gewild, omdat ze het allebei zo wilden. En het was fijn, zoals ze het hadden.
Maar was dat middelmatig? Moest hij ergens met volle overgave van houden? Dat zou toch niet werken? Nee.
Natuurlijk had Boy gelijk: het was middelmatig. Maar dat was niet erg, want hij bleef de koning die hij zichzelf verklaard had. Hij had haar liefde, en de liefde van iedereen die ooit van hem gehouden had. En met die gedachte sliep hij in.