Een mannetjessluipwesp paart met een vrouwtje. Dit tafereel komt in Nederland niet meer voor, omdat alle sluipwespen van deze soort vrouwelijk zijn.
FOTO: Herman Berkhoudt (IBL)
Onbevlekte ontvangenis Bioloog ‘geneest’ sluipwespen met antibiotica van hun aseksualiteit
Sluipwespen in Noord-Europa krijgen door een infectie alleen nog vrouwelijk nageslacht. Een bacterie greep in bij de soortvorming die al aan de gang was, zo blijkt uit onderzoek met genezen exemplaren. ‘Het zijn zombies, hele suffe beesten die dankzij antibiotica terug zijn uit de dood.’
DOOR BART BRAUN Angstaanjagende gedachte: ouders die aan seks doen. De logica suggereert dat ze het minstens één keer geprobeerd moeten hebben, maar voor wie dat idee niet aankan is er de Hyves-pagina Mijn ouders hebben nooit seks gehad. Bezoekers kunnen speculeren of ze door de ooievaar zijn gebracht, uit de boerenkool komen, of zijn ontstaan door zogeheten parthenogenese.
Het woord parthenogenese komt uit het Oudgrieks en betekent ‘maagdelijke geboorte.’ Bij mensen worden daar kerstverhalen over geschreven, bij veel dieren is het vrij algemeen. Slangen, hagedissen of haaien die al jaren alleen in een dierentuin zitten beginnen soms eieren te leggen. De jonkies zijn dan klonen van de moederslang. Bij een groot aantal insectensoorten is de onbevlekte ontvangenis zelfs eerder regel dan uitzondering. De eitjes van de sluipwesp Leptopilina claviceps komen ook uit als ze onbevrucht zijn. In dat geval zijn de larfjes mannetjes; vrouwtjes komen uit bevruchte eicellen.
Tenminste, zo werkt het bij sluipwespen die niet zijn geïnfecteerd met de Wolbachia-bacterie. Zulke insecten komen in Nederland niet meer voor.
Bij sluipwespen die wel zijn besmet met Wolbachia komen er ook dochters uit de onbevruchte eieren. Die dochters dragen zelf ook de bacterie bij zich, en zo ontstaat in relatief korte tijd een populatie die uitsluitend bestaat uit vrouwtjes.
Als u nu een planeet vol mensenvrouwen voor u ziet als verhaallijn voor de beste pornofilm aller tijden, bent u niet alleen een man maar heeft u ook nog eens geen kaas gegeten van biologie. In een aseksuele groep dieren heeft het namelijk helemaal geen nut om seksuele kenmerken te hebben. Die zullen dan ook langzaam degenereren. Als de mensheid ooit Wolbachia oploopt, ziet de toekomst er niet uit als Lestravaganza 8, maar eerder als een eeuwigdurende aflevering van Vrouw en Paard.
Dat gebeurt met die sluipwespen ook, zegt de Leidse bioloog Ken Kraaijeveld. ‘Normaal paren vrouwelijke sluipwespen één keer in hun leven. Het sperma bewaren ze in een speciaal orgaantje, en met de voorraad doen ze de rest van hun leven; enkele weken. Bij Noord-Europese sluipwespen is dat orgaan verschrompelt. Het orgaan werkt ook niet meer, het sperma druipt eruit.’
Kraaijeveld is geïnteresseerd in het seksleven van de sluipwesp omdat dat licht werpt op twee evolutiebiologische vraagstukken. Het eerste is hoe soorten zich vormen, en wat de rol van een parasiet als Wolbachia daarin kan zijn. Het tweede gaat over het belang van seks.
Bij mensen en een hoop andere dieren is seks vreselijk belangrijk. Ze ontwikkelen gekke pauwenstaarten, geweien die verstrikt raken in de bomen of besteden een groot gedeelte van hun tijd aan het najagen van sekspartners. Dat moet ergens goed voor zijn, want anders waren de geile mensen allang evolutionair afgetroefd door rustiger types die de bronst weten te beperken tot, zeg, één dagje per jaar. Maar wat dan?
Het gangbare idee is dat seks nut heeft omdat je zo de genen in je populatie lekker door elkaar husselt. U bent geen kloon van uw moeder, u heeft van beide ouders wat meegekregen, en op die manier meer kans dat daar net het erfelijk materiaal bijzit dat u nodig heeft. Maar als seks zo handig is, waarom zijn er dan zoveel dier- en plantensoorten die het op hebben gegeven, en overstapten op ongeslachtelijke voortplanting. Kraaijeveld: ‘Dat idee van genen husselen is misschien wel waar, maar hoe onderzoek je het? Bij deze beesten kan dat, omdat je ze met antibiotica kunt genezen van hun aseksualiteit. Dat geeft de mogelijkheid om er experimenten mee te doen.’
In het vakblad Evolution beschrijft de bioloog een aantal experimenten met zulke ‘genezen’ sluipwespen. Die leveren inzicht op in soortvorming. Nederlandse sluipwespen hebben Wolbachia en bestaan dus alleen uit vrouwtjes. In Spanje leeft echter een populatie van dezelfde soort, waar nog wel mannetjes bij bestaan.
Die mannetjes, zo stelde Kraaijeveld vast, zijn veel geïnteresseerder in Spaanse vrouwtjes dan in de Hollandse. ‘We dachten: dat klopt, want die aseksuele vrouwen zijn minder vrouwelijk geworden. Hun lokgeurstoffen ruiken bijvoorbeeld anders dan die van de seksuele vrouwtjes.’
Hij vervolgt: ‘Dat verschil in voorkeur kon echter ook liggen aan het feit dat het om twee aparte populaties gaat.’ En dat is waar de antibiotica-truc om de hoek komt kijken. Geef Nederlandse sluipwespen een geneesmiddel, en hun onbevruchte eieren leveren weer zoons op, voor het eerst in duizenden jaren. ‘Het zijn zombies’, vertelt Kraaijeveld, ‘hele suffe beesten, die met antibiotica zijn opgewekt uit de dood.’ Ze vertonen sowieso weinig seksuele belangstelling, maar als ze wat doen, dan het liefst met vrouwtjes uit hun eigen populatie.
Conclusie: hier lopen twee vormen van soortvorming door elkaar. Als de aseksuele en de seksuele sluipwespen niet meer met elkaar paren, zullen op den duur twee verschillende sluipwespsoorten ontstaan. De Wolbachia-bacterie splitst de Nederlandse en de Spaanse populaties op.
Maar het feit dat die Nederlandse zombie-mannetjes een voorkeur hebben voor Nederlandse vrouwtjes, suggereert dat er al soortvorming aan de gang was voor die bacterie op het toneel verscheen. ‘Die voorkeur is er, en die is geëvolueerd. Maar er kan geen natuurlijke selectie op voorkeur zijn bij mannetjes als er geen mannetjes meer zijn’, legt Kraaijeveld uit. ‘De mannetjes van elke populatie vonden hun eigen vrouwtjes al leuker. Toen werden de Noordelijke beesten geïnfecteerd, maar de voorkeur is behouden gebleven in de genen.’