Google van de oudheid Epigrafen als de papyrologen hopen op geld uit speciale potje voor Geesteswetenschappen
Twee van de langstlopende wetenschappelijke projecten ter wereld worden in hun voortbestaan bedreigd. Komt er extra geld van Minister Plasterk voor deze papieren zoekmachines?
DOOR ARJEN VAN VEELEN Wie in de klassieke oudheid iets wilde opschrijven, deed dat bijvoorbeeld op steen of op papyrus (papier van plantenstengels). Honderdduizenden van die teksten zijn de afgelopen eeuwen teruggevonden. Die primaire bronnen kunnen ons en détail vertellen over het leven in de oudheid.
Als we ze tenminste kunnen lezen. De teksten zijn vaak beschadigd: er zitten gaten in het papier of krassen op het marmer. Daarbij hadden de Grieken en Romeinen andere schrijfgewoontes, zoals schrijven zonder spaties, wathetlezenvaaklastigmaakt.
Gelukkig zijn er wetenschappers die de teksten te ontcijferen, interpreteren en publiceren. De taakverdeling is als volgt: papyrologen doen de teksten op zachte materialen (papyrus, potscherven, soms textiel of hout); epigrafen doen de harde materialen (marmer, brons, glas). Jaarlijks verschijnen er zo honderden wetenschappelijke artikelen over nieuw ontdekte stukjes tekst - of met nieuwe ontdekkingen over lang geleden gepubliceerde teksten. Die artikelen verschijnen in talloze - soms heel obscure - tijdschriften en boekjes.
Om een weg te vinden in die uitdijende jungle van nieuwe bronnen, kunnen onderzoekers terecht bij twee in Leiden geproduceerde handboeken.
Het eerste, de Berichtigungsliste der Griechischen Papyrusurkunden aus Ägypten, verzamelt sinds 1922 in één band alle wetenschappelijke updates over reeds uitgegeven papyrusfragmenten (‘Berichtigung’ betekent correctie). Het andere, het Supplementum Epigraphicum Graecum (sinds 1923) is een Engelstalig jaaroverzicht van alle nieuw uitgegeven inscripties uit de Griekse wereld. Het zijn papieren zoekmachines voor de oudheid.
Zonder deze almanakken zijn veel ontdekkingen en bronnen feitelijk onvindbaar, want het alternatief is om zelf al die honderden publicaties door te spitten. ‘Cruciale wetenschappelijke infrastructuur’, noemt het Leidse faculteitsbestuur de twee projecten dan ook, in de subsidieaanvraag die deze week de deur uitging naar het Regieorgaan Geesteswetenschappen.
De naslagwerken mogen hun nut hebben bewezen, financiering is altijd lastig geweest. Deze zomer ontstonden nieuwe problemen. Onderwijsfinancier NWO besloot de subsidie deze zomer te stoppen. De papyrologen wisten al eerder dat in 2010 hun subsidie van NWO afloopt.
Zowel de epigrafen als de papyrologen hopen nu op geld uit het speciale potje dat minister Plasterk heeft ingesteld voor de noodlijdende Geesteswetenschappers. Anders zullen de projecten moeten verhuizen naar andere universiteiten, zoals in 2006 al gebeurde met de in Leiden geproduceerde Annual Egyptological Bibliography. Die wordt nu in Oxford gemaakt.
Een ‘pi’ of een ‘nu’?
Fragment van een e-mail van Dr. Cisca Hoogendijk, papyrologe, aan een Vlaamse collega:
In je artikel in JJP 43 (2004) op p. 30, noot 4, corrigeer je Papeithes in Paneithes
(…).
In regel A 19 lijkt die tweede ‘pi’ toch echt meer op een ‘pi’ dan op een ‘nu’(de ‘nu’ loopt elders bovenop eerst schuin naar beneden, om dan weer naar boven te gaan om het tweede pootje te vormen). In het Oslo-deel, regel B-2, kloppen de eerste sporen (twee onderkanten van pootjes) zeker niet met een nu (ook niet met een pi): wel zou het hier kunnen gaan om de onderkant van een epsilon, dan de onderkant van een pi of nu (kan allebei) gevolgd door, ertegenaan, de onderkant van een iota (i in plaats van ei) dan theta eta.
Hoogendijk is redacteur van de Berichtigungsliste der griechischen Papyrusurkunden aus Ägypten. Haar taak: het doorspeuren van vakliteratuur op zoek naar correcties op papyrusteksten. ‘Iemand zegt bijvoorbeeld: ik lees hier niet “Jan”maar “Piet”, dan zoek ik de foto van het papyrusfragment er bij op en controleer ik dat.’
Voor het laatste deel van de Berichtigungsliste lazen Hoogendijk en haar collega’s liefst vijf jaargangen van honderdzesendertig tijdschriften, en nog 275 boeken, in talen in talen variërend van Frans tot Catalaans, op zoek naar nieuws over oude papyri.
De e-mail hierboven is een mooi voorbeeld. De Vlaamse papyroloog schreef in een voetnoot dat hij in een bepaalde papyrustekst de Griekse letter ‘nu’ leest in plaats van ‘pi’. Zo’n verkeerd gelezen letter kan gevolgen hebben voor de interpretatie van de tekst (en uiteindelijk voor ons beeld van de oudheid). In dit geval twijfelde Hoogendijk aan de interpretatie van haar collega. De ‘correctie’ wordt, met een kanttekening, opgenomen in de Berichtigungsliste.
Het project ademt nog steeds de ziel van de oprichter, de Duitse postbeambte-papyroloog Friedrich Preisigke. Hij zag in dat er orde moest worden geschapen in de stortvloed aan papyrologische publicaties. Deel één verscheen in 1922. Rond de Tweede Wereldoorlog viel het project stil. In 1952 werd op een papyrologencogres te Genève het project aan Leiden toegewezen.
Sinds de start zijn er twaalf delen verschenen. De eerste elf kwamen onlangs opnieuw uit op cd-rom. Dat vergroot de zoekmogelijkheden enorm. De droom van Hoogendijk is om de digitale versie van de Berichtigungsliste te koppelen aan de internationale database met Griekse teksten, foto’s en vertalingen van papyri, www.papyri.info. Dan heb je alles bij elkaar: de papyrus, de vertaling, het kritisch apparaat en de wetenschappelijke updates.
Hoogendijks’ baan is door bezuinigingen van de faculteit met één dag per week gekort tot een halve werkweek. Aan eigen onderzoek komt ze nu nauwelijks toe. ‘We doen dit werk niet voor ons zelf, maar voor de rest van de wereld. Het werk aan de Berichtigungsliste houdt nooit op.’ Voorlopig is de stroom aan nieuwe papyri nog niet opgedroogd. Er zijn nu ongeveer een miljoen papyri opgegraven, waarvan ruim vijftigduizend zijn uitgegeven. In dit tempo is er nog voor duizend jaar werk - los van wat er nieuw wordt opgegraven. ‘Dit werk gaat altijd door.’
‘Het is een dienende taak’
Dr. Rolf Tybout heeft een bijzondere hobby: hij speurt wel eens in in veilingscatalogi van bijvoorbeeld Sotheby’s of Christie’s naar voorwerpen uit de antieke oudheid, zoals standbeelden of stèles. Hij is niet geïnteresseerd in kopen; hij kijkt of er misschien een Griekse tekst op het voorwerp staat. Als hij een interessante, onbekende tekst ontdekt, publiceert Tybout er soms een wetenschappelijk artikel over. Zo redt hij een beetje informatie van de vergetelheid, naar voorbeeld van de grote Franse epigraficus Louis Robert, die vond dat er in elke inscriptie un peu d’histoire schuilgaat.
Tybout is specialist in het ontcijferen van Griekse inscripties. Dat kunnen teksten op plaquettes zijn, op standbeelden, wijdingen aan goden, decreten, maar ook graffiti. Hij werkt als redacteur van het Leidse Supplementum Epigraphicum Graecum (SEG). Dat is een jaaroverzicht met de complete teksteditie van alle nieuw uitgegeven inscripties uit de Griekse wereld, plus wetenschappelijk nieuws over al uitgegeven inscripties. Die oogst aan inscriptienieuws wordt jaarlijks gebundeld in één band, met handig trefwoordenregister en andere zoekfuncties. Een historicus of een rechtsgeleerde die bijvoorbeeld een artikel wil schrijven over democratie of de positie van de vrouw in Athene kan in één oogopslag zien of daar nog wat nieuws over is ontdekt.
De taak van Tybout is om vakliteratuur door te lezen op zoek naar nieuwe vondsten. ‘Wij verwerken 98 procent van de literatuur.’
Het SEG werd in 1923 opgestart door de Leidse leraar-geleerde J.J.E. Hondius. De uitgave was toen nog in het Latijn, en Hondius deed alles in zijn eentje. Sinds 1976, toen de hoogleraar Oude Geschiedenis H.W. Pleket het project opnieuw naar Leiden haalde, verschijnen de almanakken in het Engels, tot nu toe 30 delen. Tybout heeft vrijwel dagelijks mailcontact met zijn drie collega-redacteuren in Heidelberg, Oxford en Berkeley.
De jaarboeken verschijnen in een oplage van ongeveer achthonderd bij Brill. Prijs: 177 euro. Binnenkort komt de eerste digitale versie; dan zijn alle jaargangen van het SEG digitaal doorzoekbaar.
Leiden is nog steeds het centrum van de Griekse epigrafiek. Maar geld is al decennia het probleem. ‘Sinds ik in 1976 in dienst kwam, werd er alleen maar bezuinigd. En krijg ik nog steeds de vraag: “is dat nou nooit afgelopen, dat project?” Nee, dat is nooit afgelopen. Elk jaar worden er nieuwe inscripties gevonden. En dat wordt alleen maar meer. We krijgen overal prachtige recensies, maar slechts weinig fondsen, en nauwelijks meer uit Nederland. Inmiddels doen noch de faculteit noch NWO iets, behalve dan mij dulden in deze kamer. Ik moet mijn eigen broek ophouden.’ Dat lukt vooralsnog, met sprokkelwerk. Belangrijk was een fikse donatie van het Packard Humanities Institute, van computerfabrikant Hewlett Packard. ‘David Packard, zelf ook classicus, zag het belang in van het project en heeft ervoor gezorgd dat het niet verdween.’
Tybout heeft een voorliefde voor grafschriften, die vaak iets vertellen over de visies van Grieken op leven en dood. Hij wil daar nog een boek over schrijven. Maar intussen heeft hij zijn handen vol aan de SEG. ‘Het is een dienende taak’. Voldoening haalt hij uit kleine dingen, zoals een voetnoot waarin hij een paar woorden in hun context plaatst. ‘En uitermate bevredigend is natuurlijk dat we aan het eind van het jaar een boek van ongeveer duizend bladzijden hebben, dat als naslagwerk op de planken van bibliotheken overal ter wereld staat. De papyrologen gaven onlangs voor het eerst een feestje toen hun Berichtigungsliste XII uitkwam. Daar zijn wij misschien nog wat te bescheiden voor.’