‘Ze sloten mij in als een zwerm bijen. Ik weerstond ze met de naam van de Heer.’ Tijdens de vroege dienst lezen de studenten de psalmen zonder ze mee te zingen.
FOTO: Johannes Vande Voorde
Een aanslag op je nachtrust Studenten zoeken naar rust en bezinning in Belgisch nonnenklooster
Vroeg opstaan, bidden, psalmen zingen, en de rest van de dag ‘ondergaan dat je eigenlijk niks doet’. Mare ging met Leidse studenten mee op retraite in een nonnenklooster. ‘Je gaat hier helder nadenken.’
DOOR HANS KLIS Door de dunne wand van de kamer is de wekker van een mobiele telefoon duidelijk te horen. Het is zaterdagochtend, kwart over zes. De eerste studenten schuifelen slaapdronken uit hun sobere kamertjes richting de douches. Het ochtendgebed, het Lauden, begint ook op zaterdag gewoon om kwart voor zeven. Morgen mogen ze uitslapen: dan start het Lauden pas om zeven uur.
Even later zit iedereen op de bruine gelakte bankjes in de kleine kapel, verdwaasd voor zich uitkijkend en gedachteloos frommelend aan de stencils met de psalmen. Veertien nonnen in habijten van gebroken wit komen binnen en verspreiden zich over de beschikbare plaatsen. Het druppelen van water in de verwarmingsbuizen doorbreekt de stilte. De nonnen staan op en richten een kort gebed aan het gekruisigde Christusbeeld boven het altaar en beginnen aan psalm 118. Ondanks de hoge leeftijd van de nonnen, klinken hun stemmen zuiver en krachtig.: ‘Loof de Heer, want Hij is goed. Eeuwig duurt zijn trouw. Alle volken hadden mij ingesloten. Ik weerstond ze met de naam van de Heer. Ze loten mij van alle kanten in. Ik weerstond ze met de naam van de Heer. Ze sloten mij in als een zwerm bijen. Maar doofden snel als een vuur van dorens. Ik weerstond ze met de naam van de Heer.’
Een dag eerder zijn de tien Leidse studenten aangekomen in de priorij ‘Regina Pacis’ in het Belgische Schotenhof, nabij Antwerpen. Onder leiding van dominee Henk Schouten van het studentenpastoraat Leidse studenten Ekklesia ondergaan zij drie dagen het leven in een nonnenklooster. Het doel: bezinning, rust en geloof.
Maar alle vriendelijke aanmoedigingen van zuster Marina ten spijt, op de vroege zaterdagochtend lezen de studenten liever mee met de psalmteksten, dan dat ze meezingen. ‘Jullie mogen best meedoen hoor’, fluistert ze terwijl ze de juiste fragmenten aanwijst. ‘Ik ben bang dat ik te hard zing en uitschiet’, zegt Jacinthe van Nie, derdejaars psychologie. ‘Dan doe je gewoon net alsof je zingt’, adviseert Schouten. Hij is de enige die dit weekend consequent alle psalmen meezingt.
‘Het gaat hier vooral om het proeven van de sfeer in een klooster’, zegt hij. ‘Om met open ogen en oren te ondergaan dat je naast de gebedsdiensten eigenlijk niks doet. En natuurlijk om te bedenken of het iets voor jou is. De allereerste keer dat ik meedeed in het ritme van een klooster, was ik doodmoe. De regelmaat zat er bij mij niet in.’ Het is zijn laatste uitstapje naar een klooster. Volgend jaar zwaait hij af bij Ekklesia. ‘Dit is een mooie afsluiting.’
Het weekend heeft vooral studenten aangetrokken die het geloof en de rituelen eromheen willen verkennen. De schuchtere Arthur Ross, tweedejaars student bio-informatica aan de Hogeschool Leiden gelooft wel, maar leest nooit in de Bijbel en gaat niet naar de kerk. Hij ging wel al een keer mee naar een monnikenklooster. ‘Je gaat hier helder nadenken. Zou er iets zijn? Hoe kan dat? Een antwoord komt dan vanzelf.’
‘Ik had verwacht dat er meer christenen waren’, zegt Thijs Feenstra, vierdejaars wiskunde. ‘Ik was bang dat ze allemaal streng in de leer zouden zijn en dat je al je progressieve ideeën moest verdedigen. Maar het fijne is dat zo’n kloosterweekend juist mensen aantrekt die vrij zijn om te twijfelen en die openstaan, dat alles niet zo zwaar moet zijn. Ik kan er totaal niet tegen dat je om de oren wordt geslagen met bijbelteksten.’
Al die diensten. Het houdt niet op
‘Ik wilde het ritme van een klooster een keer meemaken’, zegt Feenstra wiens ouders predikant zijn voor de protestantse kerk in het Groningse Oldekerk. ‘Normaal ga ik op zondag één keer naar een dienst van een uur. Nu zitten we bijna de hele tijd in de kerkzaal. Het houdt niet op.’
Deze zaterdag volgen nog vier gebedsdiensten. De tweede start om kwart voor acht. De Eucharistieviering, waarin de opoffering van Christus aan het kruis wordt herdacht, wordt ingeleid door priester Karl Einers, de enige man die op het terrein woont en het teruggetrokken leven deelt met de nonnen.
Tijdens een volgende dienst, waarbij ook de plaatselijke gemeente aanwezig is, overwint de schuchtere Arthur zijn verlegenheid. Als door de Heilige Geest gegrepen neemt hij het initiatief om een tekst uit ‘Hebreeën 10’ voor te dragen: ‘Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden. En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken’
Tussendoor is er tijd voor een rondleiding door het klooster, dat in 1926 gesticht werd door Benedictijnse geestelijke Dom Constantinus Bosschaerts. Het staat vol met beelden die de nonnen zelf gebeiteld hebben uit hout en steen, aan de muren hangen religieuze houtschilderingen. ‘De kunst hier spreekt me aan’, zegt Jacinthe van Nie. ‘Het hoeft niet alleen te worden uitgelegd op een christelijke manier.’ Maar als dat wel kan, vindt ze het ook goed. ‘Het is heel mooi dat een begrip als vriendschap ook verbonden kan worden aan God. Dat je, als je eenzaam bent, naar hem kunt kijken.’
De nonnen eten gescheiden van de bezoekers en ook hun privé-vertrekken zijn off limits. Als de studenten ook maar even de kans krijgen, vragen ze de zusters dan ook het habijt van het lijf. Hamvraag: waarom hebben ze gekozen voor het celibaat? ‘Het is een love story’,vertelt hoofdzuster Erica. ‘Ik was met iemand waarmee ik kennis had gemaakt. Maar ik had een dieper verlangen. Toen besloten we om zes weken uit elkaar te gaan om dat gevoel uit te zoeken. Na die tijd had ik hem niet gemist. Toen beloofde ik hem aan God te vragen dat hij gelukkig zou worden. Ik heb nog altijd contact met hem, één keer per jaar schrijven we met Kerst. Ik pas op, ik schrijf meer naar zijn vrouw dan aan hem. Ik wil haar natuurlijk niet jaloers maken.’
Volgende vraag: hoe houden de nonnen het gezellig in een groep die al jaren samenleeft, bidt en werkt? ‘In de kern heeft ons samenzijn iets diepers dan gezelligheid, anders hadden we allemaal wel iets anders gedaan’, legt zuster Erica uit. ‘We leven hier als celibatairen samen, we zijn geen lesbiennes.’ Toch is er ‘elke zaterdag een moment om gezelligheid te beleven, dan wordt er wat gegeten en gedronken. We vieren naamfeesten en verjaardagen, zelfs Sinterklaas. Daar geloven we nog in. We kijken ook naar films. De laatste was geloof ik Harry Potter, de eerste film en volgens mij ook de beste. Maar we leven zeker niet los en gezellig. Deze momenten zijn ter afwisseling van lange dagen harde arbeid en gebed.’
Zuster Erica vertelt ook geanimeerd over een recente trip naar Rome, waarvoor zij op internet op zoek ging naar de goedkoopste vliegtickets. ‘Dat is mijn affaire, he’, glimlacht ze.
En de behulpzame zuster Marina blijkt yoga te beoefenen. Naar eigen zeggen maakt zij ondanks haar hoge leeftijd ‘nog steeds een handstand tegen de muur’. Het verklaart de souplesse waarmee ze tijdens het gebed diepe buigingen maakt. Op de vraag van Jacinthe of zij in de evolutietheorie gelooft, antwoordt ze met een lach: ‘Wat dachte gij? Natuurlijk. Maar hoe het in het begin was, dat weet alleen God, ik was er niet bij, hè?’
Dat het kloosterleven hard werk is, blijkt tijdens de dagsluiting om kwart over acht, de laatste dienst van de zaterdag. De studenten onderdrukken zichtbaar een geeuw.
In de gemeenschappelijke ruimte van het gastenverblijf. Daar wordt nog even kort de dag doorgenomen en een paar flesjes Stella Artois uit de koelkast getrokken. Om elf uur worden de wekkers gezet voor het Lauden van zondag. Nicole ’s Gravemade, tweedejaars studente aan de pabo. ‘Ik had gedacht hier mijn rust te vinden. Dit is best een vol programma, je moet je echt zelf terugtrekken.’
‘Het weekend is sowieso geslaagd voor mij’, zegt Thijs Feenstra de volgende ochtend na de vroegste dienst. ‘Maar of ik het nog een keer doe weet ik niet. Het is een aanslag op je nachtrust.’