Mare Nummer 08     22 oktober 2009

08
Zo zijn jongens nu eenmaal. Punt
Judi Mesman krijgt 1,6 miljoen voor onderzoek naar sekseverschillen in opvoeding

Jongens vertonen vaker probleemgedrag dan meisjes. Maar komt dat door biologische verschillen, of ook door een andere manier van opvoeden? Om dat te onderzoeken gaat Judi Mesman gezinnen filmen.

DOOR FRANK PROVOOST Eén baby, twee pakjes. Draagt de baby een blauw pakje, dan gaan volwassenen heel druk met ‘hem’ spelen, wordt het kind ‘stoere grote vent’ genoemd en krijgt het autootjes toegestopt. Heeft het kind een roze pakje aan, dan zal ‘zij’ zachtjes heen en weer worden gewiegd, krijgt het kind poppen om mee te spelen en worden liefkozingen als ‘lief’, ‘schattig’ of ‘mooi’ toegefluisterd. Het is een klassiek experiment uit de psychologie, genaamd ‘Baby Joe, Baby Jane’.

‘Je kunt niet zeggen dat het kind seksespecifiek gedrag heeft uitgelokt’, zegt Judi Mesman. ‘Volwassen hebben uit zichzelf, ongeacht wat zo’n kind doet, een idee over wat normaal is bij jongens en meisjes en hoe ze daar op zouden moeten reageren. Dat zou de biologische verschillen – die er op activiteitsniveau en impulscontrole zeker zijn – wel eens kunnen versterken.’

Deze maand ontving de bijzonder hoogleraar bij algemene en gezinspedagogiek een subsidie van 1,6 miljoen euro van het European Research Council om dit te uit te zoeken. Boys will be boys? gaat het project heten. ‘Met een vraagteken’, benadrukt Mesman. ‘Ik doe nu twaalf jaar onderzoek naar probleemgedrag onder jonge kinderen. En uit alle literatuur blijkt dat jongens meer agressief en ongehoorzaam gedrag vertonen dan meisjes. Dat wordt zo voetstoots aangenomen, dat het er in huidige studies vaak met één bijzinnetje in de discussie wordt afgedaan. Vanwege “biologische en sociale factoren” staat er dan. Punt. Want dat weten we nu wel. Maar de vraag is: waarom is dat zo? Moeten we dat niet eens gaan bekijken?’

Dat gaat Mesman doen door thuis te filmen bij gezinnen met twee kinderen (alleen jongens, alleen meisjes, oudere broer, oudere zus) waarvan de jongste bij het begin van het onderzoek één jaar is en de oudste ongeveer drie. ‘We kijken zowel naar agressie en gehoorzaamheid van het kind als naar het disciplineren door de ouder’, zegt ze.

Daarvoor zijn verschillende situaties bedacht: vrij spelen, een taak die net te moeilijk is voor het kind (zodat de ouder moet helpen) en frustratietaken als opruimen of ‘een mooie berg speelgoed neerzetten waar ze niet aan mogen komen’. Mesman: ‘Dat klinkt heel gemeen, maar het is gewoon een manier om na te doen wat er in een supermarkt of speelgoedwinkel gebeurt.’

Tot en met de vierde verjaardag van het jongste kind filmen de pedagogen jaarlijks aan huis. ‘Juist die periode is interessant. Vanaf jaar één stijgt het lastige gedrag. Tijdens peuterpuberteit - tussen twee en drie - bereikt dat een hoogtepunt. Daarna zijn de kinderen cognitief beter ontwikkeld en redelijk gesocialiseerd: ze hebben door wat wel en niet mag, kunnen zich beheersen, weten dat het pijn doet als je iemand slaat. Die curve is heel duidelijk aanwezig.’

De vraag is of de jongens en meisjes in identieke situaties – zoals bij Baby Joe of Baby Jane – anders worden behandeld. Mesman: ‘Voorspelt het gedrag van het kind eerder het gedrag van de ouders, of andersom? Ik vermoed dat het allebei het geval is. Ouders – maar ook leerkrachten - maken de verschillen soms groter dan ze zijn. Jongens worden minder aangemoedigd tot pro-sociaal gedrag en minder bekritiseerd voor agressie en ongehoorzaamheid. Dat doen jongetjes nu eenmaal, heet het dan. Maar is dat zo? Of denken ouders dat alleen maar, waardoor ze zich anders gaan gedragen en jongens vaker wegkomen met dat gedrag? Als je ergens mee wegkomt, is de kans dat je het vaker gaat doen veel groter. Dat is een simpel beloningsmechanisme.’

Of ze zelf soms aan die verleiding toegeeft, vragen haar studenten soms. ‘Je bent hooguit strenger voor jezelf en weet wat je fout doet. Maar ik ben ook maar een mens.’ Ze lacht: ‘Ik heb drie meisjes, van één, vijf en zeven. Maar ze voetballen wel allemaal heel graag met mijn man in de tuin.’

‘Hoe passen Turkse kinderen zich aan?’

Bij haar onderzoek Boys will be boys? - naar sekseverschillen in opvoeding - koos Judi Mesman voor autochtone gezinnen. ‘Als je binnen een steekproef ook nog allerlei verschillende etnische groepen krijgt, wordt het heel moeilijk analyseren. Maar gezien mijn leerstoel - ‘Opvoeding en onderwijs in de multiculturele samenleving’ - vind ik het wel heel interessant. Er zijn aanwijzingen dat genderspecifiek opvoeden in bepaalde culturen een veel grotere rol speelt dan in de Nederlandse.’

Eerder dit jaar kreeg ze ruim 800.000 euro subsidie voor een internationaal onderzoek naar Turkse migrantenkinderen in Nederland, Duitsland en Noorwegen. Daarin staat de vraag centraal welke factoren van belang zijn bij de overgang naar het basisonderwijs en middelbaar onderwijs. ‘Hoe lukt het hen om zich aan te passen aan de groep en de regels van de school? Het is de eerste stap naar een diploma, dat je verdere leven bepaalt waar je terecht kunt komen. En wat is daarbij de rol van het gezin, de buurt en land? Daar zal ik ook naar gender kijken.’

Voor beide onderzoeken worden drie promovendi en een post-doc aangetrokken. ‘Het is werk van de lange adem’, zegt Mesman. ‘Ook bij het onderzoek naar Turkse leerlingen zijn er drie meetmomenten die een jaar van elkaar liggen. Voordat je data hebt, ben je drie of vier jaar verder.’


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook