Binnenkort verschijnt Oude en nieuwe Leidsche, verhalen van een stad, een bloemlezing van de Leidse letteren, samengesteld door dichter Ilja Leonard Pfeijffer en journalist Onno Blom. Blom verklaart de literaire impact van de universiteitsstad.
DOOR ONNO BLOM Leiden is beter dan Amsterdam. Je hoeft niet eens zo heel veel verstand te hebben van belangrijke dingen om dat in te zien. Amsterdam trekt altijd een beetje de aandacht met dodenherdenking, toerisme, verzakkende metrotunnels en dat hele hoofdstad zijn. Leiden heeft dat niet nodig. Leiden is in zichzelf gekeerd als een oester die een parel koestert. Leiden heeft een verleden. Amsterdam heeft een ziekelijk voortetterend heden en geen toekomst.
Leiden is een mondaine metropool. Het wordt bevolkt door mensen die weten dat buiten de Singels de wereld klopt en bruist. De wereld komt naar Leiden. Geen roedels dronken Engelsen op zoek naar hash en hoeren, maar Descartes, Mahler, Freud en Einstein. Het grootste maatschappelijke probleem in Leiden is de huisvesting van buitenlandse studenten en professoren van over de hele wereld. In Amsterdam is het wildplassen. Als Amsterdam het Sodom en Gomorra is van de Lage Landen, dan is Leiden Bataafsch Athene. De Muze heeft haar intrek genomen aan de oevers van het Rapenburg terwijl de Amsterdamse grachten worden volgekotst door barbaren.
Dat Zij hier woont, is te danken aan één simpel feit: de aanwezigheid van de universiteit in de stad. Sinds 1575. ‘Het Lugdunum der Batavieren,’ schreef Klikspaan, ‘is van tot teen Academiestad. Daar leest, daar hoort, daar peinst men latijn, daar ruischt het latijn door de boomen.’ Klikspaan voorspelde ook nog dat als de studenten de stad ooit zouden verlaten heel Leiden achter hun hielen in duigen zou vallen.
De geschiedenis geeft hem gelijk. Verreweg de meeste schrijvers kwamen naar de stad als student. In Leiden beleefden ze – voor ze elders in de provincie dominee of dokter zouden worden - niet zelden hun beste, meest frisse en humoristische tijd: Beets schreef als student met de Camera Obscura een van de beste en meest gelezen boeken van de eeuw, maar als dominee hemeltergend saaie gedichten.
We moeten, als we lessen trekken uit de geschiedenis, dan ook vrezen voor de kwaliteit van het werk van Abdelkader Benali, na zijn studie in Leiden inmiddels woonachtig in de stad der wildplassers. Laten wij medelijden hebben met Christiaan Weijts, die in een vlaag van verstandsverbijstering is verhuisd naar Den Haag. En met Ilja Leonard Pfeijffer, die momenteel resideert aan een cafétafel van Bar degli Specchi, het Burgerzaken van Genua. Mogen zij allen snel tot inkeer komen.
Het is opvallend hoeveel weemoed en liefde Leiden in de letteren heeft opgewekt. Dat komt vooral, denk ik, omdat de schrijvers hier zo’n belangrijk deel van hun jeugd doorbrachten, vriendschappen sloten, voor het eerst echt verliefd of dronken werden. Of tegelijkertijd. De meesten vertrokken dan ook uit de Sleutelstad met een bezwaard gemoed. ‘Leiden,’ dichtte Boudewijn Büch, ook al een voormalig medewerker van deze krant, ‘heb ik ooit jongens of meiden / uit een andere stad bemind?’
Ook François HaverSchmidt, alias Piet Paaltjens, was nooit opgehouden Leiden te missen. Op de late avond van 27 december 1858, zijn laatste avond als student in de stad, had hij een tocht gemaakt langs alle plaatsen waaraan hij goede herinneringen had: ‘Toen de toren van het Stadhuis mij voor ’t laatst het middernachtelijk uur toesnikte,’ schreef hij achteraf in een brief aan een goede vriend, ‘doolde ik alleen langs de eenzame straten en grachten der Sleutelstad. Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik voelde mij zo diep ongelukkig, dat het waarachtig was, of mij het bonzend hart zou barsten in de boezem. Ik bad om tranen en kon niet wenen.’
Het liep, zoals bekend, niet goed af met HaverSchmidt. Als dominee werd hij gedurende de jaren depressiever en depressiever. Zijn preken werden zwarter en zwarter. ‘De worgengel verstaat geen scherts,’ schreef hij. Op de vroege ochtend van 19 januari 1894 pakte de dominee van Schiedam het gordijnkoord van zijn bedstee en hing zich op.
Je kunt ervan leren dat het, zeker als je melancholiek bent aangelegd, niet aan te raden is om de stad te verlaten. De twee beroemdste nog levende Leidse schrijvers, de twee Maartens, hebben dat ter harte genomen. Maarten Biesheuvel, nota bene opgegroeid in het huiveringwekkende Schiedam, was bang dat hij hier ter stede nooit de weg zou kunnen vinden en de namen van de gebouwen en straten nimmer zou onthouden. In Leiden heeft hij vaak gevreesd dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Al was het maar door de aanwezigheid van de Sterrewacht. Maar hij is hier Ereburger dus blijft op zijn post.
Maarten ’t Hart is een apart geval. Die komt op de fiets vanuit Warmond bijna dagelijks naar Leiden, maar wordt nog altijd, als hij de stad nadert bevangen door een gevoel van paniek. De namen van de straten en wijken in Leiden zijn voor hem stevige bewijzen dat het hier nog altijd niet pluis is. ‘De wind komt altijd aan over het Galgewater, denk je dat dat toevallig is?’ heeft hij mij ernstig gevraagd. ‘Waarom heet een wijk “De Kooi”? Dat is toch niet voor niets? Daar kom je niet levend uit tevoorschijn. Het Morskwartier is inderdaad onwaarschijnlijk morsig. Of wat dacht je van de Uiterste Gracht? Inderdaad de meest geschikte steeg om zelfmoord te plegen.’
Maar hoe gevaarlijk het hier ook is, ’t Hart blijft toch in de buurt. Zelfs degenen die dat niet deden, zijn in hun verbeelding vaak nog dichtbij. Voor Jan Wolkers, die opgroeide in Oegstgeest, was Leiden als jongetje de Grote Stad. Een betoverende plek die aan hem trok als een magneet. Zijn hele leven heeft Wolkers met ongelofelijk veel plezier teruggedacht aan Leiden. Vlak voor zijn dood belde hij me bijna dagelijks op en vroeg me dan steevast eerst hoe de stad erbij lag. Of de terrassen al vol zaten. Of ik nog in de kas van de Hortus was geweest, bij de victoria regia. Of er op het carillon van de stadhuistoren nog Bach te horen was geweest. Of de Zangeres zonder naam. ‘Als je door Leiden loopt, Onno, dan kijk ik over je schouder mee.’
Zo houdt de Leidse Muze al wie haar welgezind zijn warm gezelschap en melancholie op gepaste afstand. Een gordijnkoord heeft men hier niet nodig.
Gebruik pennendoppen, sleutels, bibliotheekpasjes of iets anders Leids of literair verantwoords als pion. De spelers gooien om de beurt met de dobbelsteen. Wie het hoogste aantal ogen gooit, mag de eerste worp doen, waarna hij zijn pion evenveel vakjes vooruit zet als hij ogen heeft gegooid.
Kom je op een vakje, waar al de pion van een medespeler staat, dan moet je terug naar je oude plaats. Voor de vakjes met een foto, raadpleeg je de spelregels.
5. Acteur Stephen Fry houdt van literaire rollen. Niet alleen gaf hij gestalte aan Oscar Wilde, ook had hij een hoofdrol in de verfilming van De ontdekking van de hemel. Het boek van Harry Mulisch speelt zich deels af in Leiden. Je mag net zoveel vakjes vooruit als er speldeelnemers zijn die De ontdekking helemaal hebben uitgelezen.
6. Oud-Leidenaar Boudewijn Büch (1948-2002) verzamelde alles wat los en vast zat over pinguïns. Hij vereenzelvigde zich vaak met deze vogel. Waggel naar vakje twintig, het gemiddelde aantal jaren dat een pinguïn het uithoudt in het wild.
9. Echt vrolijk werd het nooit bij studentendichter Piet Paaltjens (1835–1894). Sla dus maar een rondje over.
14. Marcellus Emants (1848-1923) studeerde Leiden en bereikte onsterfelijkheid met zijn roman Een nagelaten bekentenis over een man die zijn echtgenote vermoordt. Je mag een medespeler aanwijzen die terug naar af mag.
18. Letterkundige Willem Bilderdijk (1756-1831) was een verwoed opiumgebruiker en zat daardoor vaak in de put. Blijf daar ook maar een tijdje zitten tot een medespeler langskomt en je eruit trekt.
19. Doe zoals het hoofdpersonage van Erik of Het klein insectenboek van Godfried Bomans (1913-1971) en vlieg op de rug van een insect naar vakje 37. Op hetzelfde huisnummer in de Breestraat zie je een gevelsteen voor het hoofdpersonage van Bomans Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas.
23. Doe net zoals de aanstormende auteur Christiaan Weijts en word veroordeeld voor stalking. Hup, de gevangenis in en brommen tot een andere speler je bevrijdt.
27. In literair café Burgerzaken ga je drinken met dichter Ilja Leonard Pfeijffer. De volgende dag word je pas om rond de middag wakker. Ga dus maar terug naar vakje 12.
31. Net zoals de dichter Frank Koenegracht word je in Minerva ontgroend door een jenever-infuus in je neus. En net zoals hij word je daar zo psychotisch van dat je het pand ontvlucht. Terug naar af dus, knor.
32. Goede, oude, Jan Wolkers (1925-2007). Wie kan nog sikkeneurig zijn in aanwezigheid van deze levensgenieter? Iedereen in de gevangenis of put mag een vakje verder.
36. Hildebrand (1814-1903) met de studentenschetsen uit zijn Camera Obscura kon je nog lachen. Later schreef hij saaie domineespoëzie. Terug naar 25, de leeftijd waarop de schrijver nog sprankelde.
41. Schrijver Maarten ’t Hart werd ooit versierd door een volgster van de Flirty Fishing-beweging die mannen door middel van seks probeerde te bekeren. De verleidster ving bot maar jij waant je in hogere sferen en zweeft naar nummer 57.
42. Dichter P.C. Hooft (1581-1647). Noem een titel van zijn werk en ga naar nummer zestig. Wie het antwoord schuldig blijft, slaat een beurt over.
45. Alexander Ver Huell (1822-1897) maakte pentekeningen bij de studentenschetsen van Klikspaan. Klikspaan leende zijn naam aan een studentencomplex die een flink eind fietsen is van de collegezaal. Een duwtje in de rug heb je dan wel verdiend. Naar 51.
50. Schrijver en hoogleraar Karel van het Reve parkeerde ooit zijn auto in het Rapenburg. Student en schrijver Maarten Biesheuvel leende hem zijn broek uit zodat hij toch kon doceren. Blijf wachten tot het college afgelopen is en sla twee beurten over.
52. Kom gezellig in het schuurtje van Maarten ’t Hart en blijf daar wachten tot iemand langskomt.
54. Abdelkader Benali schreef Marathonloper en geeft het goede voorbeeld. Op naar 62.
58. Boudewijn Büch woonde in Leiden boven een postorderbedrijf van seksblaadjes. Geboeid door het onderwerp, sla je beurt over.
59. Vier mee met schrijver Maarten Biesheuvel die net de P.C. Hooftprijs heeft gewonnen. Je wordt wakker op nummer 44.
Om het spel te winnen, moet bij de laatste worp het juiste aantal worden gegooid om nummer 63 te bereiken. Gooi je teveel dan moet vanaf 63 teruggeteld worden.