Een nederzetting uit de vroege bronstijd in Jordanië
Scherven van de klimaatklap Bronstijdboeren konden droogte aan
Hoe gingen oude samenlevingen met droogte om? Volgende week hopen twee Leidse archeologen op die vraag te promoveren. ‘Het was een ontiegelijk vruchtbaar gebied.’
DOOR BART BRAUN De wieg van de mensheid stond in Afrika, maar de schooltijd vond plaats in het Nabije Oosten. Hier hielden de mensen op met rondtrekken, en bouwden ze een paar van de eerste steden. Daar leerden ze de eerste potten te bakken, bebouwden ze de eerste permanente akkers, en hielden ze het eerste vee. Duizenden jaren later zouden hier de eerste bronssmelterijen staan, en de eerste vastgelegde wetgeving in tabletten worden gekrast. Dit is een gebied voor archeologie met een grote A, kortom.
Het probleem is dat de glorietijd die tienduizend jaar geleden begon, nu wel zo’n beetje voorbij is. Syrië en Jordanië hebben te weinig geld om zelf archeologie te bedrijven op hun bodemschatten, en Irak heeft al helemaal andere dingen aan het hoofd. Dus helpen buitenlandse archeologen mee. ‘Je ziet dat veel onderzoekers die vroeger in Irak werkten, nu in Syrië zitten’, vertelt archeoloog Arne Wossink. ‘Daardoor is de laatste vijftien jaar ontdekt dat er ook in dat gebied al heel vroeg ontwikkelingen richting beschaving waren, terwijl men daarvoor altijd aannam dat die voor het eerst plaatsvonden in het gebied waar nu Irak ligt.’
Wossinks eigen onderzoeksgebied pakte overigens nog wel een stukje Irak mee, maar hij had het voordeel dat hij geen opgravingen hoefde te doen. Hij kon gebruik maken van al eerder uitgevoerde archeologie en oude teksten. Zijn proefschrift, waarop hij volgende week hoopt te promoveren, is onderdeel van een groter NWO-project dat onderzoek doet naar de oudheid moeilijker bewoonbare gebieden van het Midden-Oosten.
Het gebied in kwestie – zuidoost Turkije, noordoost-Syrië en noordwest-Irak – was vroeger herbergzamer dan nu. Zo’n vierduizend jaar geleden vond er een klimaatsverandering plaats, en kreeg het Noorden van Mesopotamië de huidige, drogere weersomstandigheden. Hoe gingen de mensen die daar woonden daarmee om?
Wossink: ‘Mijn verwachting was dat als bijvoorbeeld water schaarser wordt, de landbouwgemeenschappen heviger in competitie gaan met elkaar, terwijl ze juist meer vervlochten raken met samenlevingen van veehouders.’
Competitie laat echter zich moeilijk meten, duizenden jaren na dato. ‘Je kunt bijvoorbeeld kijken naar de grootte van nederzettingen’, legt Wossink uit. ‘Als ze allemaal even groot zijn, is dat een aanwijzing voor competitie; als er eentje groot is met een heleboel kleintjes eromheen, is dat een teken dat de grote de kleine overheerst. Een andere aanwijzing is de aanleg van stadsmuren. Dat waren echt massale bouwwerken, die leg je niet zomaar aan omdat dat mooi is.’
Hij vervolgt: ‘Een andere bron zijn oude teksten, waarin gewoon staat dat het droger wordt en dat er problemen zijn met andere dorpen. De combinatie van al die dingen is voor mij dan doorslaggevend om te bepalen of er competitie was.’
De voorspelde toename in competitie nam Wossink inderdaad waar – in welgeteld één van de drie deelgebieden die hij onderzocht. Een ander gebied lag op een goede plek voor handel, en wist zo blijkbaar de klimaatklap op te vangen. In het derde gebied was één nederzetting veel groter dan de rest; het lijkt erop dat die de rest zo sterk domineerde dat de overheersing niet gebroken werd door de verminderde regenval.
‘Het gebied waar wel meer competitie kwam, was meteen het gebied met de hoogste bevolkingsdichtheid. Waarschijnlijk speelde bevolkingsgroei een belangrijkere rol dan klimaatverandering.’ De hypothese werd dus niet bevestigd. ‘Voor mij was dat wel een eye-opener.’
Wossink: ‘Er was wel een klimaatsverandering, maar wat daar nu de absolute effecten van waren, en in hoeverre de gemeenschap echt gedwongen werd om te veranderen, moet echt nader onderzocht worden.’ Hij waarschuwt dan ook voor te rechtlijnig denken: ‘Veel onderzoekers zien dat ergens een klimaatsverandering is geweest, en een verandering in de samenleving die ze bestuderen. En omdat die gelijktijdig zijn, moet er een verband zijn, denken ze. Maar er moet echt bewijs van een causaal verband zijn.’
Archeologe Eva Kaptijn promoveert op dezelfde dag als Wossink, en doet dat net als hij bij professor John Bintliff. Haar onderzoeksgeld kwam uit hetzelfde NWO-potje, en ook zij was geïnteresseerd in bewoners van droge gebieden.
Haar onderzoeksgebiedje, de zogeheten Zerqa-driehoek, was slechts 72 vierkante kilometer groot, en ligt in Jordanië. In tegenstelling tot Wossink heeft ze wel vondsten gedaan, ook al heeft ook zij niet gegraven. Samen met haar studenten liep ze over de akkers, en dan is het ‘alles oprapen dat door mensen gemaakt is.’ Door ploegen, wormen en muizen komen menselijke artefacten vanzelf naar boven, net zoals in een bak paneermeel de grootste korrels bovenop gaan liggen als je schudt. ‘Aan die objecten kun je een functie en een datering koppelen. En als je er heel veel vindt, kun je concluderen dat daar een nederzetting moet hebben gestaan, ook al vind je geen huizen en oventjes.’ Hadden we al gezegd dat het in het Midden-Oosten goed archeologie bedrijven is? Kaptijn en co. vonden vuurstenen sikkels, kookpotten, voorraadvaten, brokken marmer en potscherven, heel veel potscherven. De gemiddelde archeologiestudent ziet in het eerste jaar al meer scherven dan hem of haar lief is, maar de expedities leverden bijna 110.00 resten op. ‘Een enorme hoeveelheid, dat is in je eentje niet meer uit te werken.’ zegt de onderzoekster. Het merendeel bleef achter in Jordanië, de belangrijkste stukken gingen mee naar Leiden voor nader onderzoek.
De conclusie: het gebiedje is in de loop der eeuwen steeds weer opnieuw bewoond, verlaten, en opnieuw bewoond. Dat de mensen er weggingen valt te begrijpen. Het gebied is kwetsbaar voor aardbevingen, de rivier de Zerqa overstroomde om de zoveel tijd, en het is er veel te droog om goed landbouw te kunnen bedrijven.
In de tijden dat het gebied wel bewoond werd, was er voor dat laatste probleem een oplossing: irrigatiekanaaltjes graven. Die liggen er nu ook, en zij zorgen samen met de vruchtbare grond voor een enorme landbouwopbrengst. In elke periode van bewoning moeten ze er ook zijn geweest, stelde Kaptijn vast.
Kaptijn: ‘Toen in 1910 voor het eerst een westerling aan de plaatselijke boeren vroeg waar al die kanalen vandaan kwamen, wisten ze het niet. “Volgens mijn opa waren ze er al toen hij een kind was”, was de verklaring. Er woonde toen een handvol mensen, die konden nooit dat hele gebied geïrrigeerd hebben.’
Verder terug in de tijd: ‘In de zogeheten Mamlukse periode, ruwweg van 1250-1500, vond er teelt van suikerriet plaats. Wij vonden resten van suikerpotten, en er zijn watermolens gevonden waar de rietstengels werden geplet. Die lagen aan een kanaal dat aangesloten was op het huidige hoofdkanaal van het irrigatiesysteem.’
Kaptijn: ‘Een vergelijkbaar verhaal kun je opbouwen voor de Romeinse tijd: er stonden nederzettingen bij plekken waar water werd gebracht door hoofdkanalen.’ En zo moeten er in de IJzertijd ook al kanalen zijn geweest: er werd gewoond op plekken die volledig droog zouden zijn zonder irrigatie. Een botanisch onderzoeker vond ook sporen van planten die daar niet hadden kunnen groeien zonder kanalen.
‘De Zerqa-driehoek was in de IJzertijd al volledig ontwikkeld, maar in de Bronstijd waren er ook al nederzettingen. Die zullen klein zijn begonnen, met korte kanalen van een paar honderd meter. De buurman ziet dan dat dat handig is, en legt er ook eentje aan. In de loop van duizenden jaren ontstaat zo een heel netwerk.’
Kortom: de mensen gaan daar wonen, omdat het zeer geschikte landbouwgrond is. ‘Tenminste, als je je irrigatiesysteem kan inrichten en onderhouden. De dorpen moeten daarvoor samenwerken.’ Als het dorp dat tussen jou en de rivier in ligt de kanalen dichtgooit, heb je als bronstijdboer ineens een levensgroot probleem. Kaptijn: ‘Dat zal ongetwijfeld wel eens gebeurd zijn, meestal was er een samenwerkingsverband. Maar dan was het ook een ontieglijk vruchtbaar gebied.’