Mare Nummer 05     01 oktober 2009

05
Een Surinaamse jongen in jeugdgevangenis De Doggershoek, in Den Helder. Het in zijn nek getatoeëerde ‘187’ is de Amerikaanse politiecode voor moord.
FOTO: Mark van der Zouw/HH
De pleuris regeert
Prof verblijft tussen jeugddelinquenten

Voor zijn roman Vast bezocht Ton Anbeek, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, verschillende jeugdgevangenissen. ‘Waarom heeft u geen reageerbuisjes bij u?’

DOOR FRANK PROVOOST ‘Verdomme, dacht ik de eerste keer. Dit wordt een totale flop. Ik praat veel te netjes. Ik heb een veel te bekakt beroep. Over acht uur sta ik weer buiten, zonder dat het iets heeft opgeleverd. Die jongens zeggen natuurlijk niks tegen mij.’

Ton Anbeek (65) was in 2007 op weg naar de jeugdgevangenis in Lelystad. In de gesloten inrichting voor jonge criminelen ging de emeritus Nederlandse moderne letterkunde veldwerk verrichten voor zijn aanstaande roman. Hij had om een ‘zware groep’ gevraagd, dat was goed voor het verhaal. Maar hoe, vroeg hij zich vertwijfeld af, breek je het ijs bij misdadige pubers?

In ieder geval niet door met ze over literatuur - of nog erger: poëzie - te praten, dacht hij. ‘Het woord “professor” heb ik niet gebruikt. En “hoogleraar” al helemaal niet. Ik zei gewoon: in een vorig leven heb ik aan een universiteit gewerkt. Daar gaf ik les over boeken. Nu ik vrij ben, wil ik dingen doen die ik leuk vind en dit hoort daarbij. Ik wil weten wie jullie zijn.’

‘Bent u professor?’ wilde een Marokkaanse jongen weten.

‘Dat klopt’, antwoordde Anbeek.

‘Maar waarom heeft u dan geen reageerbuisjes bij u?’

Toen vroeg een van de gevangenen: ‘Gaf u ook les over gedichten?’

‘Jazeker’, zei de professor.

‘Da’s mooi, want ik schrijf ook gedichten.’

Hij bleek niet de enige. Anbeek: ‘Binnen een kwartier had ik zo’n dik pak bij elkaar. Sommige mocht ik alleen even inzien, de rest kon ik houden. Je leest over grote eenzaamheid, de enorme woede over het feit dat zo lang zitten opgesloten. En veel gedichten gaan over hun moeder, toch de belangrijkste persoon in hun leven. Poëzie bleek hun manier te zijn om de meest directe emoties te uiten.’

En de research voor die roman bleek dus nog best mee te vallen. ‘Ze hadden natuurlijk liever een goochelaar gehad, of Johan Cruijff. Maar met een professor zonder reageerbuisjes kun je ook spelen.’

Vorige week is Vast verschenen, een roman vanuit het perspectief van een jeugddelinquent. Een ‘fokking teringkomedie’, noemt hoofdpersoon Ronnie – zoon van Surinaamse vader en Nederlandse moeder – het bestaan tussen de gevangenismuren. De eindeloze verveling, de angst voor de toekomst en het wachten op geweldsuitbarstingen vat hij in drie woorden samen: ‘De pleuris regeert.’ In genadeloze straattaal observeert hij zijn medegevangen. De‘izz goed’-zoemende ‘mokro’s’ ontkennen altijd alles ontkennen, fantast en ‘apotheker’ Joop de Dope voorziet liefhebbers en vooral zichzelf van alle soorten drugs, de afwezige Antilliaan Stanley houdt de inhoud van zijn onafscheidelijke SeeBuyFly-tas angstvallig geheim, en ‘de pedofiel’ geldt als collectieve pispaal. Eigenlijk is Ronnie - ‘die een paar jaar havo heeft gedaan’ - de enige die droomt van een volwaardig bestaan buiten de bajes.

Het idee voor de roman had Anbeek al langer. Toen hij in 2005 met vervroegd emeritaat ging en zijn spullen opruimde, vond hij een oude agenda terug waarin hij tien jaar eerder het verhaal had opgetekend over een jonge psycholoog die werkend in een jeugdinrichting zijn idealisme ziet verdampen. ‘Elke dag voor ik begon, schreef ik een kwartier tot twintig minuten. Daar had ik dan over nagedacht als ik van Leiden Centraal naar het instituut wandelde. Sommige stukken waren aardig om terug te lezen, maar toch beviel het me niet. Het was te veel Ciske de Rat. Nu wist ik wat er niet goed aan was: ik had eigenlijk over die jongens willen schrijven.’

‘Je loopt toch het risico lopen kreupel te worden geslagen’

‘Elke dag voor ik begon, schreef ik een kwartier tot twintig minuten. Daar had ik dan over nagedacht als ik van Leiden Centraal naar het instituut wandelde. Sommige stukken waren aardig om terug te lezen, maar toch beviel het me niet. Het was te veel Ciske de Rat. Toen ik het weer las, wist ik wat er niet goed aan was: ik had eigenlijk over die jongens willen schrijven.’

‘Je moet er heen’, zei een van de deskundigen die hij sprak. ‘De spanning op zo’n afdeling, de herrie, de vijandigheden en de mogelijkheid tot anarchie; dat moet je ruiken. Pas dan snap je het.’ Daarom bracht hij bracht vijf dagen door in verschillende jeugdinrichtingen in Lelystad en Eefde, nabij Zutphen. Hij draaide mee op de afdeling, sprak uitgebreid met gevangen en begeleiders en mocht - ‘een beetje stiekem soms’ – dossiers van gevangenen inzien. Verder kreeg hij toegang tot enkele zittingen van de jeugdrechter, die normaal gesproken besloten zijn. Met één groep (‘van wat lichtere gevallen’) ging hij mee op skikamp in Zuid-Duitsland. ‘Daarvan heb ik het meest geleerd. We zaten met zijn allen in één chalet. Dan maak je ze 24 uur per dag mee.’

Op de terugweg ging het verkeerd. Langs een koffiepauze langs de Duitse snelweg liep Anbeek met de groepsleiders terug naar de bus. ‘Dan voel je meteen dat er iets mis is. Je merkt het aan de blikken, mensen kijken weg. Toen bleken er twee jongens ruzie te hebben gekregen. De ene hield de ander in een wurggreep.’

Later wilde een van de jongens per se voorin wilde zitten. ‘Dan heb je de macht over de muziek, dat is heel belangrijk voor ze. Maar toen dat niet mocht, begon hij wild om zich heen te trappen.’ Als straf moest hij, zoals dat heet, “gestrekt worden”. ‘Dan leg je iemand plat op de grond om te laten zien wie de baas is. Soms gaat iemand er bovenop zitten.’ Om zowel de vrede bewaren als hard te kunnen ingrijpen, moeten begeleiders een soort kruising zijn tussen psycholoog en beroepsmilitair. ‘Want laten we eerlijk wezen: je loopt toch het risico lopen kreupel te worden geslagen.’

Even later zat iedereen weer in het busje. ‘Het was een van de meest bizarre momenten uit mijn leven. Die jongen die net was gestrekt, likte zijn wonden. Naast mij zat een nicotineverslaafde die om de vijf minuten schreeuwde dat hij moest roken. Aan de andere kant was een jongen zo verkouden dat het snot uit zijn neus stroomde. Ik zag mezelf als oude geleerde in die benauwde ruimte zitten en moest vreselijk lachen. Ik dacht: waar ben ik nu toch terecht gekomen?’

En waarom eigenlijk? ‘Oude geleerden hebben dingen in hun leven meegemaakt die ze altijd al hebben willen onderzoeken. Op mijn lagere school in Veenendaal zaten ook zulke jongens. Niet ver van dat gereformeerde dorp lag het plaatsje Overberg, waar ook een jeugdinrichting was. Ik zag die jongens achter in een laadbak langsrijden en schunnige opmerkingen maken. De schoffies, werden ze genoemd. Dat was zo volkomen anders dan het goedburgerlijke milieu waarin ik opgroeide, met alle gedemptheid die bij de jaren vijftig hoorde. Dat vond ik bijzonder interessant.’

Wat ze hebben gedaan is voor de roman minder interessant dan waarom ze dat deden. ‘Bij de heel zware gevallen heb je altijd te maken met een vader of stiefvader die sloeg. Als je dag in dag uit meemaakt dat je moeder, je oudere broer en jijzelf wordt afgeranseld, krijg je een ontzettend laag zelfbeeld. Ze zien zichzelf ook als totaal mislukt.’ Of zoals de gevangenen in het boek verzuchten: ‘Als je een puppy elke dag slaat, wordt hij vanzelf vals.’

Zelf heeft hij zich nooit bedreigd gevoeld. ‘Dat je van buiten komt, ze niets wilt leren of opdringen en enkel belangstelling hebt, waarderen ze enorm.’ Waar nodig dicteerden ze straattermen als ‘de blauw’ (voor politie) of ‘pacha slaan’ (voor masturberen). ‘Ik was ontzettend bang dat het een loodzware sociaal-realistische roman zou worden. Dat moesten we niet hebben. Ook de vrolijkheid die er is, moest er in.’


Van binnen wacht een gevaarlijke gek

Zware jeugddelinquenten die jeugd-tbs krijgen, kunnen in plaats van tot hun 18e tot hun 22e worden vastgehouden. Dat wordt bepaald door tussentijdse beoordelingen. Jeugdige crimineel Ronnie legt in de roman Vast uit, hoe hij zich zou moeten gedragen.

‘Je kan elke dag keurig je kamer opruimen, nooit bijdehand doen tegen de groepsleiders of stennis maken en toch vet fout zitten. Het gaat er namelijk om dat je je goed gedraagt niet omdat de leiding dat wil, maar omdat je genezen bent van alle aso-neigingen. Als ze je verdenken van Sociaal Wenselijk Gedrag betekent dat: je doet net of je een sociaal mens geworden bent, maar van binnen wacht een gevaarlijke gek op zijn kans.

Nu is het fokking moeilijk SWG van écht Sociaal Gedrag te onderscheiden, want het ziet er van buiten precies hetzelfde uit: de bekeerde boef. Toch gaat het om een levensgroot verschil, want kom je vrij en verval je weer in gevaarlijk gedrag, dan haal je meteen de krant en de televisie en krijgt de leiding (te slap) alle schuld. Ze moeten dus iets verzinnen om SWG (bedrog) van SG (genezing) te kunnen onderscheiden. Die methode heet “triggeren” en dat houdt in dat ze een verdachte bewust gaan pesten en uitdagen met onredelijke eisen en straf.

Reageer je meteen pislink, is het niet goed: deze jongen kan zijn agressie nog niet reguleren, moet dus langer binnen blijven voor behandeling. Word je uiteindelijk toch kwaad maar niet gewelddadig: bent op de goede weg, ga zo door. Maar blijf je onder alle vernederingen en pesterijen doodkalm, dan is dat echt he-le-maal fout, je bent een zwaar geval, monster vermomd als mens en dan valt al gauw het p-woord. Psychopaat.’



Uit: Ton Anbeek, Vast, Uitgeverij Podium, 250 pgs. € 18,50


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook