Mare Nummer 04     24 september 2009

04
LB, 15 september 2009
Wat een jaar...

Na een jaar voorzitter te zijn geweest van de Plaatselijke Kamer van Verenigingen –Leiden- schrijf ik dit stuk. Het is op persoonlijke titel en ik wil geenszins suggereren hierin de mening van alle studentenverenigingen te verwoorden, dit is slechts mijn visie op een aantal zaken die hebben gespeeld en nog steeds spelen.. Dit stuk is voor de studenten die zich bewust worden van hun eigen ontwikkeling, voor docenten die zo hard werken om studenten op een hoger niveau te krijgen en alumni die vaak niet door hebben wat er zich in de van buiten zo vredig en bewegingloos lijkende (jurische) vesting van Leiden afspeelt. Dit stuk probeert kritische vragen te stellen bij plannen van de Universiteit Leiden en in het bijzonder haar rechtenfaculteit. Plannen die een aanslag zijn op de identiteit van het Leids studentenleven, ongeacht of het beoogde doel ermee behaald wordt.

Alvorens van wal te steken, moet worden benadrukt dat er aan de Universiteit Leiden gelukkig heel veel goede en bijzondere wetenschappers verbonden zijn en heel veel motiverende en inspirerende docenten werkzaam zijn. Dus niets ten nadele van hen die roeien met de riemen die ze hebben gekregen van een systeem dat incorrect functioneert.

Tevens wordt in dit stuk geen gebruik gemaakt van of verwezen naar statistieken en allerlei onderzoeken die zowel binnen als buiten de Universiteit zijn gedaan met betrekking tot het onderwijssysteem, want het woud aan gegevens verheldert niet de kern van het probleem, het verergert het eerder. In dit stuk wordt getracht de essentie van het probleem te destilleren en wordt een poging gedaan de bestuurders wakker te schudden die verantwoordelijk zijn voor ontveranwoordelijke, geesteloze plannen.

Al het hele jaar gonst het in de Leidse academische gemeenschap van geruchten over plannen voor een strenger systeem. Dit is ontstaan nadat bekend werd dat de Universiteit in zwaar weer verkeert. Het begrotingstekort was een schrikwekkend getal, de overheid begon de kraan lichtelijk rechtsom te draaien en snel moesten er stappen worden ondernomen om het tij te keren. Dit moest gebeuren door studenten sneller te laten studeren. Voor elk door een student behaald punt ontvangt de Universiteit geld van de overheid met twee extra grote beloningen voor het behalen van de bachelor en de master. Dus door studenten sneller door het traject te helpen krijgt de Universiteit sneller haar beloning. Kortom, het studierendement moest snel omhoog.

Maatregelen als verscherping van het BSA, invoering van een BSA in het tweede en derde jaar van de bachelor en beperking van herkansingsmogelijkheden zoemden rond in de Leidse tamtam. Niet-Leidse zotheid zou men denken, maar het onderwerp werd toevertrouwd aan een werkgroep met een astronomische taak: er werd zowaar een Taskforce opgericht. Een team van (een) moedige dame(s) en vooral stoere heren die de opdracht kregen het CvB te adviseren omtrent het studierendement. Het woord ‘studierendement’ bleek gek genoeg niet bepaald een positieve ‘vibe’ te communiceren naar binnen en buiten Leiden (bijvoorbeeld diverse media en natuurlijk de bezorgde ouders van de toekomstige studenten), dus werd het onderwerp van de Taskforce al snel omgedoopt tot ‘studiesucces’. Een wolf in schaapskleding, want uit in oktober uitgelekte ontwerp-adviezen bleek dat de geruchten niet van de lucht waren. Verscherping van het BSA en het sleutelen aan toets- en tentamenregelementen waren inderdaad op te maken uit de eerste opzet van het advies.

Gelukkig kregen een aantal academische partijen, waarvan diverse studentenorganen niet in het minst, lucht van de voornemens en stond de academische gemeenschap vanaf toen op scherp. Snel werd er toch maar bij alle partijen aangeklopt voor een zinvolle dialoog. Hier passeerde op lichtelijk komische wijze ook nog even het instellingsplan voor 2010-2014 de revue. Een plan waar overvloedig ruchtbaarheid aan gegeven werd en dat door ouderwets polderen tot stand is gekomen. Een puik plan waar alle partijen zich in konden vinden. Maar ondertussen was de Taskforce druk bezig met het smeden van plannen die er op korte termijn echt toe moesten doen en die de Universiteit financiële armslag moesten gunnen. Plannen die in tegenstelling tot het instellingsplan direct een heftig effect zouden opleveren, dus niet geheel onbelangrijk waren.

Heel lang liet het eerste advies van de Taskforce op zich wachten. Er werd zelfs nog voor het eerste advies officiëel werd uitgebracht een uitgebreide, tweeëntwintig pagina’s tellende notitie vanuit de SGL, CSL en PKvV gepresenteerd. Deze partijen bleken het precies aan het goede eind te hebben toen een week later in maart het eerste advies van de Taskforce bekend werd gemaakt. Dit advies was in de loop van de maanden na oprichting van de Taskforce en na kritiek op de uitgelekte ontwerp-adviezen aardig veranderd, in positieve zin. En een paar maanden later werden de partijen verrast door een tweede en laatste advies waarin de positieve insteek van het woord ‘studiesucces’ tot zijn recht kwam.

Het laatste advies gaat veel meer uit van positieve motivatie. De nadruk ligt op een cultuurverandering. Dit spreekt bijvoorbeeld uit het advies om het BSA van veertig punten in het eerste jaar wel te behouden, maar de harde verplichting om de propedeuse te halen in het tweede jaar te laten vervallen. In plaats van de lat op een duidelijk zichtbare plek te leggen, moet het normaal worden dat een student per jaar in principe gewoon zestig punten haalt (culstuuromslag). Hierdoor komt de nadruk dus niet te liggen op het halen van het BSA, maar op het goed en nuttig studeren, waardoor het voor een student niet meer dan normaal wordt om in een jaar minimaal zestig punten te halen. Natuurlijk was allang duidelijk dat dit moet kunnen, maar het moet een cultuur worden, een gewoonte. In het laatste advies worden een aantal middelen voor het behalen van dat doel genoemd en ondertussen was er al een flinke cultuurverandering merkbaar op de studentenverenigingen, die allen aangaven dat hun leden (bij elkaar meer dan de helft van de Leidse studentenpopulatie en vaak genoemd als oorzaak van de problemen) merkbaar veel meer tijd aan studie besteedden dan aan de bekende extracurriculaire activiteiten.

Verenigingen gaven te kennen dat de opkomst bij verenigingsactiviteiten (borrelavonden) gedurende tentamenperiodes aanzienlijk gedaald was en bleken daar juist heel blij mee te zijn, sterker nog, verenigingen hielpen studenten een handje door bijvoorbeeld jongerejaars naar huis te sturen als die een tentamen tegemoet konden zien komen. Nog beter: de jaarplanning van verenigingen is al geruime tijd aangepast aan de jaarindeling van de diverse faculteiten. Op deze manier en doormiddel van het aanbieden van tutorklassen en uitgebreide monitorsystemen (zie voorbeeld de L.S.V. Minerva, dat in het jaar 2008-2009 onder leiding van Praeses Collegii Maurits de Jongh, naast de genoemde ondersteuningen, het Minerva Studie Fonds voor alle studenten heeft opgericht) moesten juist leden van studentenverenigingen met een gezond tempo in ieder geval het eerste jaar van de studie doorkomen. Ook in studentenhuizen bleek de stimulans om goed te studeren groot. Want waar voorheen de student alleen naar de sociëteit werd geschopt, wordt die nu met misschien nog meer geweld naar de Universiteits Bibliotheek geholpen. Kortom, de cultuurverandering is al in volle gang, een positieve ontwikkeling.

Een opvallend verschil tussen de twee adviezen was dat in het tweede advies veel meer nadruk werd gelegd op de kwaliteit van het onderwijs dan in het eerste advies, waarin de meeste maatregelen betrekking hadden op enkel en alleen studenten. In het tweede advies werden wat minder verplichtingen voor studenten geschapen, gingen de maatregelen uit van positieve motivatie en stak de Universiteit hand in eigen boezem door ook aan te dringen op een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs.

Tijdens een studiesucces-werkconferentie op het LUMC, werden de adviezen van de Taskforce door de leden van de Taskforce zelf uitgelegd aan een gemêleerd gezelschap van docenten, decanen, faculteitsbestuurders, assessoren en studenten uit diverse geledingen. Hier kregen de toeschouwers met de beste bedoelingen een geweldige poppenkast te zien van contente Universiteitsambtenaren die helemaal in hun nopjes waren met het papieren resultaat van een jaar lang hard werken. Dat resultaat mocht er wezen en de rest van de wereld mocht dat weten. Met z’n allen waren we oh zo blij met elkaar. Het was alsof iedereen bij binnenkomst in een pot happypills had gegraaid, want we vonden elkaar zo lief en ondanks wat kleine discussies over kleine details kon niemand wachten op de borrel waar iedereen wel moest knuffelen met iedereen. Eerst nog een laatste spreker en dan kon het becomplimenteren van de een met de ander eindelijk beginnen. Maar helaas, de laatste spreker gooide roet in het eten, want de beoogde maatregelen die werden gepresenteerd door de juridische faculteit bij monde van prof. mr. W. den Ouden stonden haaks op die van de Taskforce. Het verschil had niet veel groter kunnen zijn. Waar de Taskforce nog leek te geloven in een zekere goedheid van studenten en de mogelijkheid van motivatie door een inspirerend onderwijssysteem, was de student van de rechtenfaculteit meer een soort Goliath die met ferme slagen van het machtig maar nederige zwaard van het faculteitsbestuur moest worden geveld.

Nu is het niet zo dat het plan van de Taskforce zo uitermate goed was, het was in ieder geval een positief verhaal dat faculteiten moest motiveren om vanuit een andere hoek dan die van de regelrecht frontale aanval het rendement te lijf te gaan. Dit was verfrissend van de Taskforce en werd ook kritisch, maar met verbaasde bewondering ontvangen door de betrokkenen. Daarom was het relaas van prof. mr. Den Ouden zo’n koude douche, die iedereen weer deed beseffen dat ondanks de aardig vooruitstrevende, nieuwe insteek van de Taskforce, gesteund door het CvB, uiteindelijk op decentraal niveau de faculteitsbesturen dit soort initiatieven van boven zonder blikken of blozen de kop kunnen indrukken. Immers, faculteiten richten zelf de OER-modellen in en het CvB kijkt wel link uit voor er aan de zelfbeschikking van de faculteiten wordt getornd.

De stand van zaken is dat er op dit moment een kalf verdronken is in de medische faculteit en dat de studenten in de Faculteitsraad van Rechten weerloos lijken tegenover de wals van het Faculteitsbestuur. In het Leidsch Dagblad (hierna LD) van vijftien september presenteerde Carel Stolker (decaan van de Rechten Faculteit) trots de nieuwe maatregelen. Maatregelen waar geen enkel draagvlak voor is onder studenten. Niet dat de heer Stolker zich daaraan stoort, want wat weten zij nou? Laat die studenten nou maar zo snel mogelijk afstuderen! In het LD durft dhr. Stolker impliciet te beweren dat de vrijblijvendheid van het systeem ervoor heeft gezorgd dat studenten vrijblijvend met hun studie zijn omgegaan en dat ze ambitieloos zijn. Daarbij stelt hij dat de kwaliteit van het onderwijs hier niets mee te maken heeft, want de faculteit biedt “inspirerende docenten, goede vakken en studiematerialen.” Dhr. Stolker durft zelfs Oxford te noemen als het gaat om het verplichtende karakter van de maatregelen. Hierbij mag gezegd worden, om ook maar meteen klaar te zijn met een van de slogans ‘Leiden: het Oxford/Cambridge aan de Rijn’, dat de ratio professor-student in pijnlijk contrast staat ten opzichte van dezelfde ratio in Leiden. In Oxford is de verhouding ruim genomen een op tien (meestal minder), in Leiden is die met een beetje positieve insteek nog niet eens een op honderd. Verder betaalt de student voor een opleiding aan die Britse instelling gigantisch veel meer, waardoor de kwaliteit wel gewaarborgd moet kunnen worden.

Ik kan het de faculteit niet verwijten dat zij veel minder geld tot hun beschikking hebben, maar het feit dat er een vergelijking met de Britse universiteiten wordt gemaakt, getuigt van regelrechte naïviteit. De Britse instellingen kunnen dergelijke hoge eisen aan studenten stellen, omdat, dankzij de grote financiële armslag die ze hebben, de faciliteiten en de onderwijzers die ze bieden zo ongeveer de beste van de wereld zijn. Nogmaals: niets ten nadele van de Leidse onderwijzers, maar ik verwijs wederom naar bijvoorbeeld de ratio professoren-studenten.

Verder wees dhr. Stolker in het LD, net als eerder dit jaar, de studentenverenigingen aan als boosdoener. Ik denk dat ik met het bovenstaande heb kunnen benadrukken dat dhr. Stolker de verantwoordelijkheid voor het eerder falen van zijn faculteit maar iets te graag afschuift op partijen die juist de afgelopen jaren bezig zijn geweest met en verantwoordelijk zijn geweest voor een cultuuromslag. Herhalend: de verenigingen passen hun jaarplanningen al jaren aan aan die van de faculteiten en doen alles wat in hun macht ligt om hun leden te motiveren tot goed studiegedrag. Als klap op de vuurpijl beweert dhr. Stolker ook nog eens dat hij met ze is gaan praten. Welnu, er is een keer een officiële bijeenkomst geweest met hem, een bestuurslid van de PKvV en de voorzitters van de vijf grote verenigingen, waarbij hij zijn excuses heeft aangeboden voor het feit dat hij tijdens diverse besloten en openbare gelegenheden had geroepen dat de slechte studieresultaten van zijn studenten te wijten waren aan de verenigingen. In de jaren ervoor heeft hij af en toe eens contact gehad met de verenigingen, maar een consequente, gelijkwaardige dialoog is er helaas nooit geweest. Het afgelopen jaar is er verder geen formele dialoog met de decaan geweest en ondersteunt en onderkent zelfs het College van Bestuur de rol en inzet van de verenigingen met betrekking tot het studiesucces van de studenten die lid zijn van een van die verenigingen.

Mijn visie op het onderwijssysteem van de juridische faculteit is deze: er wordt niet meer aan wetenschappelijk onderwijs gedaan. Vanaf de jaren zeventig zijn er gigantisch veel studenten bij gekomen en het aantal scholieren dat gaat studeren wordt nog elk jaar groter. Vanaf dat moment zijn massale studies als rechten hun onderwijssysteem zo gaan inrichten dat studenten het maar halen, in plaats studenten een wetenschappelijke opleiding te bieden. Het systeem zit zo in elkaar dat in hoorcolleges studenten de stof die ze hadden kunnen lezen samengevat voorgekauwd krijgen en in werkcolleges het op een praktische manier kunnen toetsen. Dit staat in schril contrast met bijvoorbeeld een aantal studies aan de Faculteit Geesteswetenschappen (beter bekend als Letteren), waar docenten in colleges voortborduren op de voorbereide stof. Dit maakt het bijwonen van colleges zonder het te hebben voorbereid totaal nutteloos, let op: zonder dat er verplichtende maatregelen bij komen kijken. Studenten binnen deze studies (zo heb ik zelf kunnen ervaren) worden automatisch gemotiveerd om de stof voor te bereiden, omdat ze anders voor niets in de collegebanken zitten en waardoor ze het tentamen niet kunnen halen. In colleges worden ze gemotiveerd om mee te denken naar aanleiding van de voorgeschreven stof. De resultaten van deze opleidingen zijn ontzettend goed en dit systeem werkt, ongeacht de grootte van de collegezaal.

Bij Rechten biedt het systeem de studenten eigenlijk een stofinhoudelijke keuze. Ofwel de student leest de stof en haalt het tentamen (of niet), ofwel de student volgt de colleges, zonder de stof voor te bereiden, waarin de stof samenvattend wordt weergegeven en haalt ook het tentamen (of niet). Het wetenschappelijke aspect hierbij is dus ver te zoeken en de motivatie bij studenten om zelf na te denken is nihil. De opleiding functioneert dus als een machine waar studenten als kant-en-klare producten uit dienen te komen.

Als laatste zet ik ook mijn vraagtekens bij de financiële haalbaarheid van de plannen van de juridische faculteit. Bijvoorbeeld het studentenmonitorsysteem: enerzijds moesten er het afgelopen jaar door bezuinigingen veel niet-onderwijzende personeelsleden het veld ruimen, anderzijds moeten er heel veel bij komen om de studenten die het net niet goed genoeg doen te ondersteunen. Op dit moment al kunnen studieadviseurs niet alle studenten aan, hoe moet dat dan als elke student met iets te weinig punten nauwkeurig gemonitord gaat worden? Niets tegen het initiatief om studenten een veel persoonlijker aanpak te bieden, hulde zelfs, maar het plan lijkt me iets te ambitieus ten opzichte van de bezuinigingen van vorig jaar.

Concluderend. Er valt nog zoveel meer te zeggen en te beargumenteren, maar voorop staat dat er snel een veel betere communicatie tussen de betrokken partijen is vereist om met succes hervormingen door te voeren. Fulmineren op een systeem is makkelijk, maar de schuld afschuiven op studenten en studentenorganen is veel makkelijker. Het getuigt niet van zelfreflectie, maar van onwil om samen te werken, ergo arrogantie. ‘Aan ons kan het niet liggen’. Het is werkelijk belachelijk dat goede en weloverwogen initiatieven vanuit het Bestuursbureau (CvB, Taskforce), die na dialoog met partijen uit werkelijk de hele academische gemeenschap tot stand zijn gekomen, zomaar op decentraal niveau (decanen), opzij kunnen worden geschoven. Het toont disrespect jegens de docenten, studenten en bestuurders die hun uiterste best doen om de Leidse academische gemeenschap naar een hoger plan te tillen en ik hoop en denk dat in ieder geval de studentengemeenschap dit niet langer meer accepteert.


Guido Marchena
Student aan de Universiteit Leiden
en scheidend praeses van het Dagelijks Bestuur
der Plaatselijke Kamer van Verenigingen –Leiden-


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook