'Ik moest allerlei ingewikkelde testen doen om toegelaten te worden op een internetdatesite. Maar ik was dermate asociaal en onhandelbaar dat mijn inschrijving niet kon doorgaan. Helaas, er was geen hoop meer.'
FOTO: Marc de Haan
Eeuwig gezocht: een geschikte jongedame Maarten ’t Hart beschrijft zijn Leidse studentenleven in Verlovingstijd
Als student zocht hij ’s nachts naar ‘straatdellen’, als onderzoeker had hij een affaire met een van zijn studentes. In Verlovingstijd schrijft Maarten ’t Hart uitvoerig zijn tijd aan de Leidse universiteit. ‘De zoektocht naar geschikte jongedames gaat gewoon door. Ook na het huwelijk.’
DOOR FRANK PROVOOST Hij woont nog steeds in zijn oude studentenhuis, een statig pand verscholen in de polder van Warmond. Vijfenveertig jaar geleden kwam Maarten ‘t Hart (Maassluis, 1944) er voor het eerst. ‘Ik had van een studiegenoot gehoord dat hier een kamer vrij was. De hospita was nogal vervelend. Maar het was zo’n mooi huis en het was zo rustig dat ik dacht: ik ga hier toch maar wonen. Toen het later, in 1982, te koop kwam, kon ik het nét betalen. Het is een soort triomf. Alles wat toen niet mocht, mag nu wel.’
Vorige maand verscheen zijn zeventiende roman. De ik-persoon van Verlovingstijd vertoont, zoals in het gehele oeuvre van ’t Hart, grote overeenkomsten met de auteur. Het boek gaat over de rivaliteit van twee vrienden die vanaf de zandbak vechten om elkaars vriendinnetjes. Het verhaal speelt zich grotendeels af aan de Leidse universiteit, waar ‘t Hart biologie studeerde en promoveerde op het baltsgedrag van de stekelbaars.
Zonder beenbreuk was dit boek er niet geweest. Wat is er gebeurd?
‘Er liepen opeens twee ontsnapte kalveren in mijn tuin te daveren. Ik sprong kwaad op mijn fiets om de boer te waarschuwen. Toen hij me op het grindpad tegemoet kwam rijden, remde ik nogal stevig. Ik maakte een duikeling over mijn stuur en brak mijn bovenbeen op drie plaatsen. In het ziekenhuis trokken ze wit weg toen ze de röntgenfoto zagen. Dat komt nooit meer goed, zeiden ze. Dat was geen prettig vooruitzicht. Om mezelf op te monteren ben ik dit boek gaan schrijven.
‘Het zat al langer in mijn hoofd, maar de vriend uit het verhaal, Jouri, is even oud is als ik en nog kerngezond. Ik dacht altijd: om hem te sparen, kan ik het beter nog niet opschrijven. Maar toen ik daar lag met mijn gebroken been vond ik dat een goed excuus om het toch te doen.’
Wat vond hij ervan?
‘Hij vond het een leuk boek, maar wil er verder helemaal buiten blijven. Hij zegt: “Het is tien procent feit, en negentig procent fictie, en ik wil niet dat men weet wat die tien procent is.”’
Kloppen die percentages?
‘Nee. Ik zou zeggen: het is fifty fifty. Ik ben niet goed in dingen verzinnen. Ik heb altijd een kern van waarheid nodig waar ik iets omheen kan maken.’
Hoe kwam u in Leiden terecht?
‘Als gereformeerde jongen had ik eigenlijk, net als al mijn klasgenoten, naar de Vrije Universiteit gemoeten. Maar mijn vader wilde dat per se niet, omdat hij met de collectebus voor de VU had gelopen. Hij was doodgraver en stelde qua opleiding niets voor. Dat hij geld moest ophalen zodat anderen konden studeren, daar had hij de schurft aan. Leiden had de oudste universiteit en was dichtbij. In het weekend kon ik in twee uur naar Maassluis fietsen. Het eerste jaar ging ik op kamers bij een tante en oom die ouderling was. Achteraf begreep ik dat zij een oogje in het zeil moesten houden.’
Was dat nodig?
‘Nee, ik was een brave student. Dat hele studentenleven was aan mij niet besteed. Ik ben een ochtendmens. Ik ga om half tien naar bed en sta om vijf uur weer op. ’s Avonds naar de kroeg of naar de soos gaan, was totaal uitgesloten. Als ik ’s avonds practica had, wat geregeld gebeurde, vond ik dat verschrikkelijk. Maar sociale contacten miste ik niet. Bij biologie trok je voortdurend met elkaar op. Het was net een schoolklas.’
U schrijft dat jullie de alcohol uit het laboratorium opdronken.
‘Dat deden we inderdaad, aangelengd met sinaasappelsap. Dan gingen we toeterzat naar huis.’
En u nam pasgeboren ratjes uit het lab mee om thuis bij een jaargenoot aan zijn slang te voeren?
‘Ook waar.’
En de nachtelijke ontmoetingen met een ‘sletterig meisje’ die namens de evangelische Flirty Fishing-beweging u probeerde te versieren met het oogpunt u te bekeren?
‘Dat is echt gebeurd. Zo’n meisje zou ik nooit zomaar uit het niets kunnen bedenken. Zij had in Harvard inspiratie opgedaan en was nu een soort voorpost van Flirty Fishing in Leiden. Volgens mij vond ze ook gewoon leuk om er zo dellerig bij te lopen. Ik zie haar nog wel eens in de stad. Ze is nu zeventig en ziet er vreselijk uit. Vre-se-lijk!
‘De meisjes uit je jaar, daar begon je niet aan. Die waren vooral geïnteresseerd in ouderejaars. Maar waar moest je dan een meisje vandaan halen? Dan ging je ’s avonds maar zo’n straatdel opzoeken.’
Was het geen eenzame tijd?
‘Dat je zo in je eentje over de Haarlemmerstraat loopt te dwalen, dat heeft wel iets droevigs. Ik ging ook naar de mensa voor de meisjes die daar opschepten. Eigenlijk had je daar ook niets aan, want die waren niet in studenten geïnteresseerd. En het eten was ontzettend vies.’
De hoofdpersoon heeft, eenmaal in dienst als onderzoeker, een affaire met een student.
‘Ook dat is geen fictie. In 1973 was er een leuke studente die biologie bij mij deed. Ik was 29, net drie jaar aangesteld. Er was een enorm voortvarend meisje op uit om mij te versieren. Daar val je dan gewoon voor.’
In Leiden geldt sinds vorig jaar een gedragscode die relaties tussen docenten en studenten verbiedt.
‘Dat is belachelijk. Ik kan ook niet geloven dat men zich daaraan zal houden. Zoiets ontstaat gewoon eenvoudig. In dit geval ging het initiatief helemaal van haar uit. Ik werd overrompeld.’
De code zegt: ‘Docenten zijn zich in hun omgang met studenten bewust van de afhankelijkheid en de machtsongelijkheid binnen de onderlinge verhoudingen.’
‘Zoiets gebeurt toch vanzelf? Goeiendag, zeg. Moeten we dan terug naar de Middeleeuwen? In ons geval wist alleen haar vriendin ervan, en één staflid. Die vond het prima en zei: “Leef je maar lekker uit.” Uiteindelijk heeft het niet eens zo lang geduurd.’
Eigenlijk is het boek een lange zoektocht…
‘…naar een geschikte jongedame. Die gaat altijd maar door natuurlijk. Ook al ben je getrouwd.’
Vindt uw vrouw dat niet vervelend?
‘Dat valt erg mee. Ze wist destijds van die verhouding af en vond dat verschrikkelijk. Maar dat is nu zo lang geleden. Ze mag vooraf alles lezen. Als er dingen zijn die ze er echt niet in wil, overleggen we. Soms laat ik het dan weg, maar dat is in dit boek niet gebeurd.’
Hoe bent u weggegaan bij de universiteit?
‘In 1987 ben ik wegbezuinigd. Het was een soort chantage. Ze zeiden: eigenlijk moet je jongere collega weg, maar als jij verdient genoeg aan je boeken en als je vrijwillig weggaat, kan hij blijven. Als onderzoeker ben ik onbezoldigd blijven doorwerken. In 1995 is mijn 25-jarige dienstverband nog gevierd. Mijn loon was toen al acht jaar niet uitbetaald, maar nu kreeg ik wel een extra salaris.’
Had u hoogleraar willen worden?
‘Nee. Ik had het misschien nog wel voor elkaar kunnen krijgen, maar het is niks voor mij. Ik zag heel erg op tegen het bestuurlijke aspect. Je belandt in allerlei commissies en moet eindeloos vergaderen.’
En volgens Verlovingstijd bent u er ‘te asociaal’ en ‘te winderig’ voor.
‘Dat is ook wel zo. Al valt het met winderigheid tegenwoordig wel mee. Ik moet gewoon oppassen met wat ik eet.’
En die horkerigheid?
‘Ik wil altijd precies mijn eigen zin doen en kan niet samenwerken met anderen. Dat is ook de grote klacht van mijn vrouw, dat we nooit iets samen doen.
‘Laatst heb ik me - onder een schuilnaam - ingeschreven bij parship.nl, omdat ik een boek over internetdaten wilde schrijven. Vooraf moet je allemaal ingewikkelde testen doen. Sociaal wenselijke antwoorden zijn niet echt te geven omdat je ook tekeningetjes moet afmaken en dingen moet invullen waarvan je niet weet waarvoor ze dienen.
‘Ik kreeg bericht terug. Ik was dermate asociaal en onhandelbaar dat mijn inschrijving niet kon doorgaan. Helaas, er was geen hoop meer. Ik was te oud en te verstard. Daar zou geen enkele vrouw mee kunnen opschieten. Het is waar hoor. Parship had gelijk. Er valt niets op af te dingen.’