Mare Nummer 01     03 september 2009

01
‘Ik wil niet meer. En ik kan niet meer’
Zuid-Afrikaanse gastschrijver Marlene van Niekerk heeft genoeg van de realistische roman en vlucht voorlopig in lyrische gedichten

Angst maakt haar land ziek, zegt de Zuid-Afrikaanse auteur Marlene van Niekerk. Dit semester is ze gastschrijver in Leiden. ‘Het is een statistische stupiditeit om in dit land te blijven. Maar toch doe je het.’

DOOR FRANK PROVOOST Het regent in Zuid-Afrika. Dat is normaal in augustus, want dan is het hartje winter. Alleen: de lucht is blauw en de straten zijn droog. Het is vuilnis dat met bakken uit de hemel komt. Het wordt omhoog gesmeten door gemeenteambtenaren die zich op straat hebben verzameld. Geďnspireerd door bouwvakkers die eerder succesvol staakten – anders zouden de voetbalstadions niet op tijd klaar zijn voor het WK van 2010 – eisen ze per direct 15 procent loonsverhoging. Zo lang dat niet gebeurt, blijven ze met rotzooi gooien en steken ze alle leeggeschudde prullenbakken in de hens.

Kookpot in die Kaap’, kopt het dagblad Die Burger. Wie de centra van grote steden kan mijden, schrijft de krant, moet dat vooral doen.

Het is een scenario waar Lambert Benade altijd zo bang was. Sinds het einde van de apartheid in Zuid-Afrika waarschuwde hij al: als de zwarten aan de macht komen, breekt de hel los. En om die te kunnen ontvluchten, hamsterde hij benzine. Opgeslagen in bij de vuilnis gevonden wijnzakken begroef hij dat in de tuin. Als het land – en de benzinepompen – dan in brand stonden, zou hij wegrijden. Richting het Noorden.

Maar de hel is veel dichterbij, zo blijkt uit de roman Triomf van Marlene van Niekerk, waarin Lambert een van de hoofdpersonages is. Vloekend, vechtend, drinkend en zich aan elkaar vergrijpend slaan de Benades zich een weg door hun troosteloze bestaan. Het zwartgallige portret over de blanke Afrikanerfamilie verscheen uitgerekend in het jaar van de eerste vrije verkiezingen, toen de nieuwe regenboognatie in een roes van hoop verkeerde. Vijfhonderd pagina’s ellende over wit uitschot sloegen in als een bom. Triomf won vele prijzen en werd in het Engels en Nederlands vertaald. Twee romans later geldt Van Niekerk als een van de belangrijkste auteurs in het Afrikaans.

Behalve schrijver is ze hoogleraar creative writing aan de universiteit van Stellenbosch. Haar werkkamer is er in een puinhoop veranderd, verontschuldigt ze zich in een plechtig soort Nederlands, met af en toe een anglicisme (‘halverwege schopt het in’) of afrikanisme (‘dat is slechts ogenverblinderij’). Maar dat heeft te maken met haar aanstaande vertrek. Komend semester geeft ze colleges in Leiden, als vijfentwintigste gastschrijver.



GEWELD
‘Ik ging een tochtje maken naar de Eersterivier, die langs Stellenbosch loopt en waarover ik een verhaal wilde schrijven. Op 800 meter van mijn huis ben ik door een paar mannen van mijn fiets geslagen. Ze namen alles mee: fiets, mobiel, verrekijker, sleutels, opschrijfboekje, trui, appel - de uitrusting van een dame op leeftijd die op pad gaat voor een veldwerkexpeditie. Dat is een shitty ervaring. Een maand geleden heeft mijn huishulp op exact dezelfde plaats hetzelfde meegemaakt. Ik heb niet één familielid of vriend met wie het niet al een keer is gebeurd. Het is Russische roulette. Je hebt gewoon geluk als het je niet overkomt.

‘De oeverloze criminaliteit die over het land spoelt, is in de townships nog veel erger. Daar pakken ze niet alleen je spullen af, maar ook je menswaardigheid. Als je op je twaalfde nog niet verkracht bent, mag je van geluk spreken.

‘Iedereen in Zuid-Afrika is bang. De angst is ziekmakend. Onze adrenalinespiegels zijn te hoog. Het wordt een way of life. Altijd als ik in Nederland ben, duurt het minstens drie weken voordat ik mijn hypervigilante, alerte mensdiergedrag kan afschudden en gewoon op mijn gemak kan rondstruinen. En andersom? Zodra ik hier ben geland, slaat de angst weer toe.’



SPELEN ‘In Leiden ga ik colleges creative writing, scheppend schrijfwerk, geven. Daar is men in Nederland vaak sceptisch over. Het vakgebied heeft de reputatie halfzacht te zijn. Er rust dus een bewijslast op de docent om te bewijzen dat het alles behalve het geval is.

‘Natuurlijk, binnen academische instellingen wordt tijd steeds beperkter. Daardoor verschuift de nadruk naar “nuttige” wetenschap en vaardigheden. Ik kan me voorstellen dat men dan denkt: we hebben geen tijd voor dit soort Spielerei. Maar in een wereld die steeds meer gericht is op doelgerichte productie is het heel belangrijk om de spelende mens wakker te houden en om hem goed te leren spelen. Nou ja, dat moeten ze dan maar halfzacht noemen.

‘Het is moeilijk om een goed gedicht of kort verhaal te maken. Velen denken dat het gaat om expressie van je gevoelens; dat het pas goed wordt als je eerlijk zegt wat je bedoelt. Maar dat is saai. In literatuur moet juist je leren zeggen wat je niet bedoelt. Je moet je onbewuste mobiliseren, jezelf losschroeven uit de consensus van taal en nieuwe zegswijzen vinden voor totnogtoe ongevoelde gevoelens. Dat is een zelfonderzoek waarin je risico moet nemen. Als dat niet gebeurt, merk je het meteen. Dat soort werk, ook van mezelf, interesseert mij niet. Dat belandt meteen in de prullenbak.

‘Het gaat niet alleen om wat maakwerk op papier. De studenten krijgen behoorlijk wat te lezen, in andere omgevingen dat alleen de letterkunde. Ik leen graag van de filosofie, antropologie en sociologie. Voor een schrijver bestaat er geen betere leesopdracht dan een heel dik boek over dierengedrag of de formatie van minerale neerslagen. We hebben niet zoveel in onszelf. Als zogenaamde scheppers zijn we voor onze ideeën en vorm volledig afhankelijk van wat er reeds is gemaakt.

‘Vaak worden kunstuitingen “cultureel” genoemd, maar ik denk dat er biologische en natuurlijke patronen aan ten grondslag liggen. In hun boek Mille Plateaux beschrijven de Franse filosofen Gilles Deleuze en Felix Guattari de zogeheten scenopoeetes dentoristris, ook wel prieelvogel, waarvan het baltsgedrag bestaat uit het creëren van een toneelruimte. Het mannetje bouwt een boogje met aan weerszijden versieringen van blaadjes, takjes en stukjes plastic. Het is volkomen symmetrisch, ik verzin het niet! Daarvoor draait hij alle blaadjes zo om dat de rode en gele kantjes naar boven liggen. Het wijfje komt dan kijken en vindt het vaak nog niet goed genoeg.

‘Dat een vogel zo’n toneel aanricht, dat doet mij denken dat de kunstuiting een hoofdzakelijk libidinale uiting is. Een spelende mens is op zoek naar liefde en wil zichzelf laten zien als een aantrekkelijk persoon.’



KOELKASTFABRIEK ‘Schrijven is een strijd. Op mijn computer open ik een bestand met de werktitel van de roman en de ondertitel “Deeg”. Daarin stop ik alle klodders in die ik nog moet kneden. Door regelmatig in je eigen afscheidingen te wroeten, gaan sommige punten aan elkaar kleven. Dan ontstaat een verhaal, maar soms ook niet. Om een voorbeeld te geven: pas op pagina 300 van de tweede versie van Agaat wist ik: nu is het goed. Deze ga ik schrijven. Come hell or high water.

‘Op het moment dat je dat weet, begint de research. Voor Triomf heb ik dagenlang in een koelkastfabriekje zitten kijken hoe gas werd afgetapt en gaten in leidingen werden gedicht. Ik wilde weten wat er in de gereedschapskisten lag en hoe die tangetjes allemaal heetten. Je moet het effect creëren dat je zelf een koelkast zou kunnen repareren. Voor Agaat heb ik talloze patiëntverslagen gelezen en borduurboeken. Maar of ik kan borduren? Ben je gek.

‘Sommige mensen vinden Memorandum, mijn laatste roman, een onleesbaar, ingewikkeld boek. Het is een soort protest. Ik baal van de dumbing down in onze leescultuur. Lezers willen steeds meer hapklare brokken en schrijvers maken steeds makkelijkere boeken. Voor dit boek moet men maar een beetje moeite doen.

‘De motivatie achter alle grote kunst is ijdelheid. Dankzij zijn fundamentele narcisme heeft een kunstenaar de behoefte om zichzelf eindeloos te herhalen. Het is allemaal een uitdrukking van een tekort in het eigen ego. Er is maar één verhaal, en dat schrijft hij telkens weer.

‘Het gekke is dat ik er achterkwam, toen een kritisch stuk over mijn eigen werk schreef. Ik ontdekte dat er altijd een “achterkamerkind” bestond. Het heeft een gebrek en het houdt zich schuil in een achterkamer met geheimzinnig gedoe. Zo’n ontdekking is een onluisterende ervaring, maar daarna moet je jezelf heroriënteren. Als ik nu begin te schrijven, zie ik het binnen de kortste keren. Oh! Daar heb je hem weer. De zwerver. De boemelaar. De marginale. En o jee, en hij praat niet en hij doet geheimzinnig. Nu kan ik hem op tijd proberen te camoufleren of verstoppen.’



WINTERSLAAP ‘In een land met zoveel verschrikkelijke vormen van ellende zijn er nuttiger dingen dan kunst bedrijven. Iedereen die dat toch doet, weet dat het een luxe is. Als kunstenaar werk je in de schaduw van je eigen bevoorrechting. Je bent medeplichtig aan het systeem.

‘Het is heel belangrijk dat je die medeplichtigheid in je werk gestalte geeft. Het beste is een kunstwerk dat aan het eind zijn eigen staart inslikt, zich als het ware na een kort moment van veruitwendiging ontmantelt.

Maar hoe doe je dat met een verhaal, dat ergens begint en eindigt? Ik werk nu aan een aantal korte verhalen die terugkoppelen in zichzelf en een soort strange loop, een Möbiusband, vormen. Het zijn eigenlijk Escher-trucs: de lezer gaat zich afvragen: waar ben ik in het verhaal en is het nu waar of niet? Het wordt waarschijnlijk een vierluik - getiteld De sneeuwslaper.

‘Een schrijver in Zuid-Afrika probeert altijd een antwoord te formuleren op wat er in dit land aan de hand is. Dat is niet makkelijk. En eerlijk gezegd heb ik er op dit moment problemen mee. Want ik wil niet meer. En ik kan niet meer. Er worden 21.000 moorden per jaar gepleegd, één op vijf kinderen is aidswees, er zijn 400.000 inbraken per jaar, één op twee vrouwen loopt de kans op verkrachting, honderden boeren worden vermoord op hun boerderijen, in de townships is ongeveer de helft van de economie in het criminele circuit verzonken.

‘In zo’n land denk ik eerlijk gezegd dat er een andere soort subversie nodig is dan de reguliere realistische roman waarin je kritiek levert op een systeem. Dat bestaat uit: heel kleine, goed gemaakte lyrische gedichten schrijven. Het gaat vaak zo: om te kunnen overleven in tijden van grote maatschappelijke omwenteling en onuitstaanbare brutalisering trekt de kunst zich terug in een winterslaap van lyriek.

‘Dat is heel droevig. Maar als je de grenzen wil opzoeken van wat er echt aan de hand is, speel je met je leven. De enige overgebleven interessante journalisten hebben minstens drie bodyguards nodig. Ik ben oud, al 54, en daar heb ik de moed niet voor.

‘Hopelijk komt er na de gedichten nog wel een roman, maar die zal over de liefde gaan. Het verhaal zit al in mijn kop, maar ik kan er nog niets over zeggen.’



STUPIDITEIT ‘Ik heb mijn best gedaan om de Afrikaner te begrijpen. Voordien was het een mens met een ideologische inhoud, maar nu is het een onbegrijpelijk kluwen. Veel Afrikaners zijn geldwolven geworden, uniform in het najagen van de laatkapitalistische waarzin. Zodra ze rijk waren, hadden ze het ego-voedsel van het nationalisme niet meer nodig.

‘Van een nieuwe identiteit bespeur ik maar weinig. Ze moeten me het maar laten zien: de grote werken van wetenschap en geschiedschrijving, de grote altruďstische daden. De blanke mannen die het sindsdien hebben over het “herverbeelden van het volk” zijn zelf naar Australië geëmigreerd of bevelen foute boeken met een racistische ondertoon aan.

‘Mensen zijn heel onzeker en komen erg teruggetrokken over. Dat heeft te maken met een goed gevormd zelfbegrip en eigenwaarde. Dat hebben de Zuid-Afrikaners niet meer want ze zijn te bang voor elkaar. Analyze that: dat is verschrikkelijk. Om iedere dag aan te kunnen hebben we aan de buitenkant nog een schilletje dat zo dun is als de buitenste laag van een ui.

‘Iedere Zuid-Afrikaner denkt aan weggaan. Het is een statistische stupiditeit om hier te blijven. En toch blijf je, want je familie is er. En niet te vergeten: je horizonnen. Ik moet een berg in mijn buurt hebben om te voelen hoe klein ik ben. Zo word ik herinnerd aan mijn absolute, volslagen nietigheid.’



Gastschrijver in Leiden

  • Openbaar interview door hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Jaap Goedegebuure, 8 september, Rapenburg 70, 20.00 u.

  • Gesprek met hoogleraar moderne beeldende kunst Kitty Zijlmans over de tekst en de schilderijen in roman Memorandum, 29 september, locatie wordt nog bekendgemaakt, € 5

  • Albert Verwey-lezing: De vriend. Mimesis, poësis, parodie: de verantwoordelijkheid van de verbeelding en de grenzen van de fotografie in roerige tijden. 15 oktober, Academiegebouw, 20.00 uur, € 5


    White trash en vechtende vrouwen

    Blank uitschot, boeren en intellectuelen. De personages in het werk van Marlene van Niekerk gaan van laag naar hoog. Haar debuut Triomf (1994) handelt over ultiem white trash. Mol, Pop, Treppie en Lambert Benade gaan zich te buiten aan drank, geweld en elkaar. De onnozele Lambert repareert koelkasten, terroriseert familie en buurtgenoten met zijn ongecontroleerde driftbuien en koelt zijn woede door bij zijn moeder in bed te kruipen. Maar hoe bedroevend laag de Benades ook zinken, op een of andere manier lukt het de schrijver om de sympathie van de lezer te behouden.

    Van Niekerk woonde zelf ooit in Triomf, een voorstad van Johannesburg, en deed daar inspiratie op bij haar overburen. De blanke achterstandsbuurt was voorheen een multiculti-wijk die Sophiatown heette, totdat in 1963 de bulldozers de huizen van de zwarte platwalsten. Alleen blanken mochten blijven.

    Van dergelijke historische verwijzingen wemelt het ook in Agaat (2004). Het boek beschrijft de machtstrijd van een blanke boerin Milla de Wet die tijdens een slopende ziekte wordt verpleegd door haar dienstmeid, de kleurlinge Agaat, die langzaam de boerderij overneemt. De psychologische oorlog tussen de twee vrouwen staat tegelijkertijd symbool voor de opgeschudde politieke verhoudingen in Zuid-Afrika.

    In Memorandum (2006) probeert Johannes Frederikus Wiid, directeur Stadsverfraaiing, -reiniging en -instandhouding, op zijn sterfbed na een lang en onbetekenend leven aan een intellectuele inhaalslag te beginnen.

    De roman is een samenwerking met de (inmiddels overleden) schilder Adriaan van Zyl, van wie twaalf schilderijen zijn opgenomen. Een uitgebreid notenapparaat – ook weer vol Zuid-Afrikaanse geschiedenis – verbeeldt de bureaucratische hang naar volledigheid van een saaie ambtenaar.



    Marlene van Niekerk, curriculum vitae

    1954 geboren in Caledon, Zuid-Afrika

    1973-1978 studie literatuur en filosofie, Universiteit van Stellenbosch

    1977 dichtbundel Sprokkelster

    1980-1985 studie filosofie, Universiteit van Amsterdam

    1983 dichtbundel Groenstaar

    1986 docent filosofie, Unisa Universiteit Pretoria

    1989 docent Afrikaans en Nederlands, Wits Universiteit Johannesburg

    1992 verhalenbundel Die vrou wat haar verkyker vergeet het

    1994 roman Triomf

    2000 hoogleraar departement Afrikaans en Nederlands, Universiteit van Stellenbosch

    2004 roman Agaat

    2006 roman Memorandum