Mare Nummer 25     26 maart 2009

25
Arthur Japin.
FOTO: Corbino
Hij hoort niet in een Hollandse kast
Arthur Japin is blij dat hoofd Badu Bonsu II aan Ghana wordt teruggegeven

Schrijver Arthur Japin is tevreden. Minister Plasterk maakte vrijdag bekend dat Ghana het hoofd van koning Badu Bonsu II terugkrijgt dat nu in Leiden bewaard wordt.

DOOR THOMAS BLONDEAU Het hoofd van Badu Bonsu II, koning in het toenmalige Goudkust kwam in de negentiende eeuw naar Nederland voor schedelonderzoek. De man werd vermoord nadat hij twee Nederlandse soldaten om het leven had gebracht. Schrijver Arthur Japin, schrijver van De overgave en Een schitterend gebrek, zag het hoofd tijdens een bezoek aan het Anatomisch Museum van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Hij maakte zich hard voor teruggave. Daarvoor lobbyde hij zelfs bij de koningin.

Hij is blij het nieuws te horen. ‘Vanaf het moment dat ik tegenover Badu Bonsu stond, wist ik dat ik hem liever thuis zag dan in een donkere Hollandse kast. Tot op dat moment had ik er geen mening over. Zeker niet over de geschiedenis. Daarover hoeven wij niet te oordelen, de geschiedenis oordeelt over zichzelf. Eind vorig jaar heb ik het aangekaart tijdens een staatsdiner voor de toenmalige president van Ghana. Uit zijn kordate reactie werd mij wel meteen duidelijk dat de zaak niet zou versloffen, maar dat het binnen een paar maanden zou lukken had ik niet durven hopen.’


Is het niet vreemd dat door een combinatie van toeval en doorzettingsvermogen de stoffelijke resten nu de laatste eer krijgen? Voor hetzelfde geld was het hoofd u niet eens opgevallen.

‘Wat dat betreft is het niet anders dan met de hoofdpersonen van mijn romans. Ik ontmoet ze bij toeval en de vlam slaat over. Ineens is er een mens, ergens in de geschiedenis, met wie je nog iets uit te zoeken hebt. Je kunt er niet naar op zoek en je kunt het niet afdwingen, het overkomt je. Vaak valt er in zo’n geval iets uit te leggen en recht te zetten. Meestal wordt het een boek, dit keer wordt het een verlate thuisreis.’  


Hoe leerde u over het bestaan van het hoofd?  

‘Ik hoorde erover, denk ik, voor het eerst van professor René Baesjou. Ik sprak met hem tijdens mijn onderzoek voor mijn eerste roman (De zwarte met het witte hart, red.). Dat zal ergens begin jaren negentig zijn geweest. Mijn roman werd gepubliceerd in 1997 en ik maak daarin melding van Badu Bonsu II, generaal-majoor Veveers strafexpeditie tegen hem en laat Kwasi en Kwame, de twee hoofdpersonen in Nederland oog in oog staan met het afgehakte hoofd van de vriend van hun vader.  

‘Pas een jaar of vijf daarna nam een lezer contact met mij op. Het ging over een ander aspect van mijn roman. Ik had een frenoloog opgevoerd die de Afrikaanse prinsjes had opgemeten. De lezer die mij benaderde, had ontdekt dat die door mij verzonnen figuur inderdaad bestaan had en ook diens tekeningen van Kwasi en Kwame’s hoofden had hij gevonden. Hij had contacten in Leiden en via hem heb ik toen kunnen achterhalen waar het hoofd zich precies bevond. Dit overkomt je dus als schrijver, dat je de waarheid fantaseert.’


Was het eenvoudig om toegang te verkrijgen tot het museum?

‘Het ging niet zonder meer, maar dankzij deze tussenpersoon is het gelukt. Het hoofd werd voor mij neergezet op het aanrecht van een soort bijkeukentje in het Anatomisch Museum. Ik zag een man van een jaar vijfendertig, schat ik, met een ringbaardje, zijn ogen gesloten alsof hij sliep en een kleine glimlach rond de lippen. Hij dreef op sterk water in een grote ronde glazen pot.’ 


Heeft u de indruk dat er in het Anatomisch Museum nog meer stoffelijke resten huizen die rust verdienen in hun thuisland?

‘In Ghana gelooft men dat de ziel van een dode geen rust vindt als het lichaam niet compleet is. In dit geval kunnen we daaraan iets doen omdat we de identiteit van de overledene kennen. Dat zal in veel andere gevallen niet zo zijn. Maar dat er meer is waarover je zou kunnen discussiëren, daar en elders, dat is zeer waarschijnlijk.’


Heeft u een nog een reactie gekregen van het LUMC?

‘Ik heb terwijl ik Badu Bonsu aankeek tegen de betrokkenen meteen gezegd wat ik dacht en voelde. Ik merkte wel dat dit onbespreekbaar was. Dat was mijn laatste contact met hen.’


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook