Mare Nummer 20     12 februari 2009

20
Hoe ik terug kijk op de affaire Buikhuisen?
Kees Schuyt: ik gaf geen ideologisch commentaar, maar enkel kritiek op methodologie

Buikhuisen werd dertig jaar geleden fel aangevallen vanwege zijn criminologisch onderzoek. Verleden week kreeg hij weerwoord in Mare. Kees Schuyt, een van zijn toenmalige critici, reageert.

DOOR KEES SCHUYT Omdat geen van de toenmalige criminologen commentaar wilde leveren, heb ik op verzoek van het Nederlands Juristen Blad in 1978 een artikel geschreven over de op dat moment bekende plannen van prof. Buikhuisen. Dat leidde tot een stevige, maar van beide kanten fair gevoerde, wetenschappelijke discussie (NJB, mei/juni 1978). Ik maakte geen deel uit van het “linkse actiewezen”, maar deed wetenschappelijk onderzoek. Ik had geen bezwaar tegen zijn onderzoek noch zijn vermoeden van biologische factoren bij het ontstaan van criminaliteit: do not block the road of inquiry. Mijn commentaar was niet ideologisch, maar methodologisch - wetenschapsfilosofisch. De kritische vragen die ik toen aan hem stelde, zijn nog steeds actueel: ik vroeg: “gesteld dat je hypothese klopt, waar moet je dan vooral op letten?”

1) de causaliteitsvraag is zeer moeilijk te beantwoorden:

Dat is het nog steeds, hoewel in de afgelopen 25 jaar veel nieuwe inzichten zijn ontstaan. Maar een rechtstreeks causaal verband tussen natuurlijke eigenschappen en culturele verschijnselen blijft twijfelachtig. Een ingewikkelde interactie is veel waarschijnlijker, waarbij de statistische verbanden tussen biologische kenmerken en crimineel gedrag bij jongeren verdwijnen, zodra het sociale milieu van jongeren hoger (en beter) wordt. Met dezelfde biologische eigenschappen, bijvoorbeeld stalen zenuwen – een ingewikkeld emotioneel syndroom - , kan je een chronische meester-inbreker worden ( laag milieu) of straaljagerpiloot ( midden of hoog milieu). Het voorbeeld is uit 1978. Net zo min als sociale klasse determineert het biologische gestel tot criminaliteit. Recent onderzoek laat zien dat slechts als er sprake is van én bepaalde biologische kenmerken én van een nadelig opvoedingsklimaat (armoede, gewelddadigheid, emotionele verwaarlozing) bepaalde vormen van criminaliteit frequenter voorkomen. Dit blijft duiden op cruciale invloeden van het sociale opvoedingsklimaat en het sociaal-economische milieu. Wat is de causa proxima, het laatste beslissende zetje in een lange reeks van intermediërende factoren? Buikhuisen heeft dus gelijk dat de ingewikkelde samenhangen tussen biologische eigenschappen in de cruciale opvoedingsjaren van jongeren in interactie met hun ouders en andere opvoeders, vooral in sociaal-economisch zwakke gezinnen, nog preciezer moeten worden bestudeerd. In die richting zoeken is zinvol.

Buikhuisens goede intentie om deze chronisch criminele jongeren te helpen stond (1978) en staat (2008) buiten elke twijfel. Bij de causaliteitsvraag wordt thans gelukkigerwijs onderscheid gemaakt tussen soft en strong determinism, waarbij de zachtere causaliteiten het meest waarschijnlijk zijn. Omdat deze causaliteiten zo ingewikkeld liggen, is het beter om niet al te luid te spreken van biologische “oorzaken”. Termen als “criminele genen” of “criminele hersenen” geven blijk van hoogst onzorgvuldig spraakgebruik en van een logische categoriefout: genen noch hersenen zijn ooit crimineel; ze zijn delen van de natuur. De eigenschap “crimineel” is een resultante van sociale en juridische besluitvorming en culturele conventies.

2) de normatieve beleidsvraag blijft problematisch:

Dat is het nog steeds. Als je eenmaal op aggregaatniveau (d. i. door vergelijking van twee groepen of categorieën) een verband gevonden hebt tussen biologische kenmerken en strafbare gedragingen, dan kan je statistisch nog niet voorspellen welk individueel lid van die groep of categorie strafbaar gedrag zal gaan vertonen. Wil men dan op basis van wetenschappelijk gevonden verbanden preventieve strafrechtelijke maatregelen nemen (bijvoorbeeld opvoedings- of werkkamp of elektronisch halsbandje) bij individuele leden van de groep met een bepaalde kans op strafbaar gedrag, dan stuit dit op een belangrijk en klassiek beginsel van de rechtsstaat: geen straf zonder een daaraan voorafgaand gepleegd strafbaar feit. Discriminatie ligt hier altijd op de loer, vooral als het louter om biologische eigenschappen gaat (ras, etniciteit). Dit probleem heb ik aan Buikhuisen voorgelegd in 1978 en speelt thans (2008) nog steeds (misschien moet ik zeggen: des te meer), ook in andere sectoren van de samenleving (bijvoorbeeld bij genetische screening voor verzekeringen). Er zijn ruwweg drie oplossingen voor dit lastige normatieve probleem: a) nog betere individuele differentiële diagnose, zoals die in het medisch-genetisch onderzoek reeds vergevorderd is; of deze differentiatie op individueel niveau bij criminaliteit ooit zal lukken, mag betwijfeld worden; b) op vrijwilligheid gebaseerde hulpverlening voor de leden met een verhoogd risicoprofiel. Dit is de oplossing die prof. Doreleijers (VU) voorstaat. Doreleijers is arts en kan en mag deze hulp verlenen, zoals ook orthopedagogen dit zouden mogen. Maar de overheid kan, naar mijn mening, geen hulpverlening afdwingen, zolang er nog geen enkel strafbaar gedrag heeft plaatsgevonden (dit is een van de moderne dilemma’s waar de wetenschap de samenleving nu voor stelt); c) een kosten-baten analyse van de risico’s van criminaliteit en de beperking van individuele rechten, zoals het recht om niet gedetineerd of door de staat opgevoed te worden, op basis van categorale kansberekening (dit dilemma speelt eveneens bij terreurbestrijding). Willen burgers hun individuele rechten op deze wijze zelf beperken?

Deze normatieve vraag blijft ook spelen nadat iemand strafbaar gedrag vertoond heeft (bij de zgn. voorspelling van recidive-kansen), maar de wettelijke grondslag om te interveniëren is dan minder problematisch.

3) de snelle fluctuaties van criminaliteit:

Die bestaan nog steeds. Een van de macro-sociale contra-indicaties voor biologische veroorzaking van criminaliteit zijn de enorme verschillen, naar tijd en plaats, in de frequenties van lichte én zware criminaliteit (zoals moord en doodslag). De biologische constituties van een bevolking of van een bevolkingsgroep kunnen nimmer zo snel veranderen. Vroeger (tot ongeveer 1970) was, in de westelijke wereld, het platteland een gevaarlijker oord dan de stad, thans is dat precies omgekeerd. Tussen de USA en Canada zijn levensgrote verschillen in geweldsmisdrijven, die slechts uit historische en culturele oorsprongen kunnen worden verklaard, zoals de opbouw en organisatie van het politie-apparaat of het recht om wapens te dragen. Vóór de Tweede Wereldoorlog was in Nederland de geregistreerde criminaliteit hoog, na WO II opvallend laag. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de grootste misdaden gepleegd. Dit misdadige gedrag kan als sociaal verschijnsel vooral geduid worden door andere sociale, culturele en ideologische verschijnselen die op een uiterst ingewikkelde wijze het individuele gedrag van mensen (met hun biologische constitutie) in specifieke sociale situaties beïnvloeden. Interspecies violence wordt gewoonlijk evolutionair-biologisch verklaard, maar het grootste voorbeeld van geweld van mens tegen dier, was de georganiseerde afslachting van duizenden en duizenden varkens tijdens het uitbreken van de varkenspest. Met andere woorden: laten we nu niet doen alsof biologische eigenschappen dé sleutel geven tot het eeuwenoude raadsel van misdadig gedrag. Ik bracht deze relativering aan in 1978 en heb nu in 2008 nog evenveel redenen om dat te doen. Buikhuisen had een goed idee (een hypothese, een hunch) om naast sociale factoren naar verdere differentiatie in de verklaring van strafbaar gedrag te zoeken door ook niet-sociale factoren daarbij te betrekken. Hij was ontevreden over de simpele verklaring van crimineel gedrag bij bepáálde jongeren uitsluitend vanuit sociale milieu-factoren. Dat die milieu-factoren een cruciale rol blijven spelen, kan op grond van onderzoek en ervaring eenvoudig niet ontkend worden. Het gaat om het woordje “uitsluitend”. Maar dat geldt evenzeer voor een biologische verklaring. Nu bestaat – niet bij Buikhuisen overigens – bij voorstanders van de biologische revolutie in de criminologie de neiging om een even simpele, reductionistische verklaring te geven voor criminaliteit, die qua structuur van redeneren precies lijkt op die waartegen Buikhuisen zich in 1978 afzette.

Tenslotte de vraag die U mij ook voorlegde: een rehabilitatie van Buikhuisen, zoals het Kamerlid Bosma heeft voorgesteld (Handelingen TK 1413, 2008-2009). Bosma noemde mij in zijn vraag aan minister Plasterk expliciet een voorbeeld van “de infame strijd van het linkse actiewezen”. Hoe infaam kan een vraag aan de minister zijn, indien zonder enige kennis van zaken van wat er toen precies gebeurd, gezegd en geschreven is, en zonder enig inzicht in de ingewikkelde kwestie van wetenschappelijke bewijsvoering, maar wat beweerd wordt. Zolang iedereen maar wat blijft roepen, houden we nog tot in lengte van dagen een affaire Buikhuisen. Maar het komt hier vooral op precisie en op genuanceerd redeneren neer. Buikhuisen is met die lastige wetenschappelijke vragen tot vandaag bezig gebleven, een mooi bewijs van zijn wetenschappelijk houding en “de wil om dingen uit te zoeken”. Het typeert bij uitstek de wetenschapsbeoefenaar die hij is gebleven en die daarbij niet de hulp nodig heeft van een soortgelijk geschreeuw als waardoor hij indertijd in zijn onderzoek ernstig werd belemmerd.


Kees Schuyt, emeritus hoogleraar in de empirische sociologie UvA


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook