‘Je moet niet gaan roepen: wij zitten in een ivoren toren en wij zitten hier best.’
FOTO: Peter Boer
De tussenschotten moeten weg Commissie Cohen over de toekomst van de geesteswetenschappen
De geesteswetenschap moet zichzelf vernieuwen, vinden Job Cohen en Frits van Oostrom. Ze wisten extra geld los te krijgen bij minister Plasterk voor de alfa’s. ‘Je hoeft geen bedrijfseconoom te zijn om te zien: dit is gekkigheid.’
DOOR ARJEN VAN VEELEN “Interessant rapport”, begon een e-mail gericht aan Frits van Oostrom. “Ik hoop niet dat het de zoveelste reductie op de geesteswetenschappen is.” Van Oostrom antwoordde: “Iemand die vijftien miljoen euro structureel extra - met het serieuze commitment van de minister om dat op te hogen over de jaren - als de zoveelste reductie ziet, die moet zich laten nakijken.”
De mail typeert de moedeloosheid bij sommige alfawetenschappers. Ze kampen met vergrijzing van de staf, slechte doorstroom van talent, dalende inkomsten, lage studierendementen, povere maatschappelijke uitstraling en gebrek aan een deugdelijk meetinstrument van kwaliteit.
De sjeu moet terug bij de alfa’s. Niet voor niets prijkt op het omslag van het rapport van de Commissie Cohen (vernoemd naar de burgemeester van Amsterdam die voorzitter was) een Hollands landschap met een regenboog. Die staat symbool voor hoop. En voor een pot geld. Maar verwijst ook, voor wie het zien wil, naar de ark van Noach, de redder van de biodiversiteit. Een groot probleem waar de alfa’s mee kampen is volgens de Commissie Cohen de verkokering van onderzoek en versnippering van het studieaanbod. Er zijn heel veel traditionele specialistische studies die nauwelijks studenten trekken. Die diversiteit aan studies is een zegen en vloek tegelijk.
Extra geld, was het eindadvies van de commissie, maar alleen als de alfa’s hun eilandjescultuur doorbreken, en met voorstellen komen voor bredere programma’s. Quid pro quo. Plasterk honoreerde het plan met vijftien miljoen euro per jaar extra, mogelijk oplopend tot zeventig miljoen bij gebleken succes. Van Oostrom, universiteitshoogleraar in Utrecht, wordt voorzitter van het ‘regieorgaan’ dat de pot met geld gaat verdelen.
‘De geesteswetenschappen gaan mij geweldig ter harte’, zegt Job Cohen. ‘Ik ken die wereld. En ik heb ook het gevoel dat het zoveel beter en rijker zou kunnen en dat je er zoveel meer aan zou kunnen hebben.’ Cohen heeft een academische achtergrond. Hij promoveerde in de rechten in Leiden. Hij komt uit een alfa-familie. Zijn vader was historicus en rector van Leiden. Zijn broer is historicus in Utrecht. Zelf studeerde Cohen rechten en was hij rector van Maastricht. Nederland zou er verstandig aan doen meer te investeren in universiteiten, vindt hij. ‘Andere landen geven er ongelofelijk veel geld aan uit; wij steeds minder. Dat is dom. Het zou mij niet verbazen als het door de economische crisis hoger op de agenda komt.’ En wat Cohen betreft mogen studenten zelf ook meer gaan betalen voor hun studies. ‘Kijk wat een vakantie kost en een jaar collegegeld; daar zit een wanverhouding tussen.’
Zijn academische carrière was een ‘geweldige vooropleiding’ om burgemeester van Amsterdam te worden. ‘Als je het buitengewoon eigenwijze gezelschap aankan dat een universiteit per definitie is - en hoort te zijn - dan kun je die eigenwijze Amsterdammers ook wel aan.’
Hij vindt dat alfawetenschappers meer naar buiten moeten treden met hun onderzoek. Maar wat is er mis met de wetenschapper in de ivoren toren? Cohen: ‘Die mogen er ook best zijn, als ze maar goed zijn. Je moet alleen niet gaan roepen: wij zitten in een ivoren toren en wij zitten hier best. Dan zie je dat het niet goed gaat.’
Hij geeft een voorbeeld uit zijn eigen studie. Zijn hoogleraar Romeins recht, H.J. Scheltema, had twee medewerkers. ‘Eén had brillenglazen van min tien, die man was totaal onaangepast. De ander was ongeveer het tegenovergestelde, die kon een verhaal vertellen.’ Beide benaderingen moeten er zijn, vindt Cohen.
Ander voorbeeld: zijn broer werkte twintig jaar aan een specialistisch boek over het ontstaan van de moderne natuurwetenschap. ‘In het Engels, voor gewone mensen niet leesbaar. Maar hij heeft er ook een Nederlandse vertaling van gemaakt. Daar zijn nu vijf drukken van. Waarom? Omdat mensen het hartstikke leuk vinden om te lezen. Daarom vind ik die geesteswetenschappen zo belangrijk.’
Heeft hij er als burgemeester ook iets aan? ‘Absoluut. De canon van Amsterdam, bijvoorbeeld. Die is in een vloek en een zucht gemaakt. En wat een prachtig geschiedenis! Dat soort maatschappelijke uitingen zijn mogelijk omdat de wetenschap goed in elkaar zit.’
De schotten tussen vakgebieden moeten weg, vindt de commissie. Van Oostrom: ‘Daar is een mooi begrip voor, splendid isolation. Maar de afzondering is meestal niet zo schitterend. Ik herinner me dat bij geschiedenis werd gesproken over een “Groningse school”. Keek je daar nuchter naar, dan bestond die in feite uit één hoogleraar, en een medewerker die zat te wachten tot die hoogleraar omviel - van die Het Bureau-achtige toestanden.’
De bedreigde kleine talenstudies krijgen niet speciaal extra geld. Allereerst omdat dat jaren geleden al vergeefs was geprobeerd via de zogenoemde Staalgelden. Dat geoormerkte geld is stilletjes verdwenen in de algemene kas. Van Oostrom redeneert dat het geld er dus nog moet zijn. ‘Tien jaar geleden was dat mijn standpunt al als decaan (van de Leidse Letterenfaculteit, red.):. De Staalgelden waren structureel en zijn dat ook nog steeds. Dus ga maar zoeken in je schoenendozen! Het ligt ergens nog. Tenzij je zegt – maar dat moet je dan openlijk zeggen – we houden op met het daaraan uit te geven, want we geloven er niet meer in.’
Het in stand houden van bedreigde, unieke studies als Indonesisch is de verantwoordelijkheid van de universiteiten zelf, vindt Cohen. ‘Als commissie was onze verantwoordelijkheid om de totale geesteswetenschap een injectie te geven. Als die er beter voorstaat kun je ook meer geld krijgen en binnen je universiteit weer een steviger vuist maken. Dat Staalgeld is er, maar niemand kan het vinden. Wat heeft het nou voor zin als wij dat nog een keer gaan doen? Dat hebben we nu juist niet willen doen.’ Van Oostrom: ‘Maar we zullen wel die faculteiten erop aanspreken hoe ze omgaan met die unica. We hebben niet geschreven: die studies kun je allemaal wel afzinken.’
En als Leiden zegt: we gaan niet een landelijke last torsen? Van Oostrom: ‘Ach, zo heeft iedereen wel wat. De Universiteit van Amsterdam heeft het Allard Pierson-museum. Dat zal ook niet winstgevend zijn, schat ik zo in. In Harvard hebben ze ook hun musea en collecties. Bovendien: wij beogen een landelijke perspectief. Dus niet alleen: wat is goed voor Leiden of Amsterdam?’
De maatschappij verandert, vindt Cohen, en de universiteit moet daarop reageren. Studenten kiezen nu liever een brede opleiding zoals communicatiewetenschap dan een specialisme als Frans. ‘In ons rapport zeggen we: speel daar nou op in. Haal daar juist je kracht uit. Ga mee met die maatschappelijke ontwikkeling.’
Universiteiten moeten gaan snoeien in het enorme aanbod aan specialistische alfa-opleidingen. Van Oostrom: ‘Je hoeft ook geen bedrijfseconoom te zijn om te zien: dit is gekkigheid. Maar afgezien van de kosten is het voor studenten ook helemaal geen prettig aanbod. Honderden opleidingen, dat klinkt leuk. Maar ik herinner mij mijn eerste bezoek aan een Amerikaanse supermarkt een enorme wand met alleen maar ijsmerken. Daar kon ik geen vooruitgang in zien. Studenten hebben vandaag de dag behoefte aan opleidingen die de breedte in gaan. Ik geloof dat de nieuwe vakken daaraan tegemoet moeten komen, anders vervreemden ze van de collegezalen. Studenten zijn eclectischer geworden. Dat staat haaks op de enorme specialistische verkokering binnen de geesteswetenschap.’
Zijn droom is dat de alfawetenschap zich modelleert naar de Amerikaanse liberal arts colleges: opleidingen die brede academische vorming bieden, in plaats van dat studenten meteen het eerste jaar in een specialisatie duiken waar ze niet meer uitkomen. ‘Dat wordt de grote vraag: gaan de geesteswetenschappen evolueren naar een liberal arts-achtig model? De grote winst zou zijn dat die specialisten dan iets kunnen betekenen voor een veel grotere groep studenten.’
Van Oostrom is om diezelfde redenen een groot voorstander van het invoeren van core curricula – universiteitsbreed toegankelijke keuzepakketten. ‘Dat zou ik het liefst aan Nederlandse universiteiten opleggen.’ Pretpakketten zijn dat beslist niet, zegt hij. ‘Cruciaal is dat je er ook echt iets van maakt. Ik heb het in Harvard gezien en het is fantastisch. De meest bezochte core course was die van James Kugel, The bible and its interpretations. Daar komen twaalfhonderd studenten op af. Die worden echt niet allemaal theoloog, maar ze komen omdat het steengoede colleges zijn.’
Tegelijk verbaast het Van Oostrom dat er in Nederland nog niet zoiets bestaat als een Engelstalige masteropleiding zeventiende-eeuwse schilderkunst. ‘Dat is toch heel erg vreemd! Heel de wereld kijkt naar onze Gouden Eeuw, maar we hebben niks te bieden. Zes opleidingen kunstgeschiedenis, en dan is er maar één iemand die iets van zeventiende-eeuwse schilderkunst afweet.’
De uitdaging wordt om de breedte in te gaan met behoud van een hoge kwaliteitsstandaard, erkent hij. ‘Want je kunt veel over die oude vakken zeggen, maar ze hebben wel een standaard. Je kunt niet zomaar wat over Sanskriet gaan kletsen.’ Dat door de verbreding de uren voor bijvoorbeeld taalvaardigheid bij veel studies teruglopen, ziet hij als overkomelijk. Allereerst omdat woordjes stampen ook niet per se zo academisch hoeft te zijn. En ook omdat de tijden veranderen.‘Mijn leermeester in Utrecht zei: mediëvistiek studeren zonder Latijn kan niet. In Amerika wemelt het nu van wetenschappers die dat doen - en op goed niveau.’