Mare Nummer 10     13 november 2008

10
Filippijnse verpleegsters arriveren op Schiphol in 1964. Ze vormden de eerste groep vrouwen die specifiek voor de gezondheidszorg werd geworven.
FOTO: uit besproken boek
Trees heeft een Canadees en Kees een lelijke vrouw
De mens komt en gaat; inzicht in meer dan vier eeuwen immigratie en emigratie

Twee Leidse historici schreven een uitgebreid en genuanceerd overzichtswerk over Nederlandse migratie. Verplicht leesvoer voor al wie zich een mening wil aanmeten in het integratiedebat.

DOOR THOMAS BLONDEAU Twee keer zijn ze voorzichtig in dit boek. In het eerste en laatste hoofdstuk. Dan doen de schrijvers een schoorvoetende poging de tussenliggende bladzijden te duiden. Bescheiden tonen ze dan wat aanknooppunten voor wie in dit boek denkmateriaal zoekt voor het debat over immigratie en integratie.

Want historicus Herman Obdeijn is geen essayist maar de voormalige universitair hoofddocent migratiegeschiedenis in Leiden. Zijn co-auteur Marlou Schrover volgde hem na zijn pensionering op in die functie. Beiden schreven ze Komen en gaan, Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550. Een uitvoerig en prettig leesbaar boek dat een verzameling is van welke groepen Nederland in- en uitgingen sinds het ontstaan van de Republiek. Wie het boek uitleest, ontkomt haast niet aan de wat prozaďsche vaststelling dat migratie van alle tijden is en dat eventuele aanpassingsproblemen in de meest ernstige gevallen na drie generaties uitgedijd zijn. Een inzicht dat weinig bevredigend klinkt voor de beleidsmaker. Of bewoners die zich maar moeilijk kunnen aanpassen aan het idee dat in hun wijken zich steeds meer allochtonen komen vestigen. Obdeijn en Schrovers zijn de eersten om dat toe te geven. Allochtoon is overigens een typisch Nederlandstalig woord, overgenomen uit de geologie waar een nieuw gesteente schuift over een ander laag. In 1971 gemunt door een sociologe, om tegemoet te komen aan de notie dat de tweede of derde generatie nog steeds als ‘vreemdeling’ werd ervaren.

De auteurs zijn zich bewust van de politieke hoogspanning die staat op dit onderwerp. Dat mag blijken uit het aantal pagina’s dat besteed wordt aan de periode na de Tweede Wereldoorlog. Dat is evenveel als aan de eeuwen die daaraan voorafgingen.

Maar ze beperken zich tot de conclusie dat de geschiedenis aangetoond heeft dat het systematisch apart zetten van migranten nooit positief was. Niet voor hen en niet voor de samenleving. Ook als de overheid voortdurend de nadruk legt op etniciteit of de migrant als groep en niet als individu behandelt, komt een goede symbiose in het gedrang.

Wie de vier eeuwen en vierhonderd pagina’s doorleest, zal die vaststelling zo af en toe zien bovendrijven. Maar telkens als een gevolg van historische verwikkelingen, nooit door een selectieve of opiniërende aanpak van het feitenmateriaal.

Die constatering over selectieve aanpak duikt bijvoorbeeld op wanneer de Molukkers aan bod komen. Zij zagen hun tijdelijk bedoelde verblijf in Nederland na de onafhankelijkheid van Indonesië, voor onbepaalde tijd verlengd worden. Zowel de Nederlandse overheid als de Molukkers wilden dat hun gemeenschap hecht bleef zodat ze terug kon keerden naar de oud-kolonie. Maar de geschiedenis besliste anders. Molukkers voelden zich in de steek gelaten. Sommigen kantten zich tegen de overheid wat leidde tot de treinkapingen.

En wie nu vraagtekens zet bij het feit dat sommige Marokkanen van de eerste generatie nog steeds geen Nederlands spreken, dient voor ogen te houden dat de overheid ervan uitging dat deze ‘gastarbeiders’ maar tijdelijk zou blijven. Hun kinderen kregen tijdens de reguliere schooltijd onderwijs in eigen taal en cultuur in plaats van extra lessen Nederlands. Verenigingen die de etnische tradities en cultuur in ere hielden, werden gestimuleerd.

Af en toe wordt het beeld van Nederland als tolerant land behandeld. De auteurs stellen dat de Republiek in de periode 1550-1800 het rijkste en in religieus opzicht het meest tolerante land van Europa was. Daarbij hielp het dat bijvoorbeeld de vluchtende Zuid-Nederlanders rijk waren of goed opgeleid. Dit geldt ook voor de hugenoten die Frankrijk ontvluchten. De stad Groningen probeerden hen te lokken door reclame te maken voor de goede handelsinfrastructuur en de vruchtbaarheid van landsvrouwen. Na 1945 werd immigratie als ongewenst gezien omdat Nederland toen overvol zou zijn. Al waren er toen nog zesenhalf miljoen inwoners minder dan nu.

Het is kenmerkend dat het percentage vreemdelingen in Nederland weer even groot is als in 1650, namelijk acht procent. Omstreeks 1900 was dat twee procent.

De auteurs wisselen de gegevens over immigranten voortdurend af met de lotgevallen van Nederlanders die hun heil over de grenzen zochten. Velen aardden goed, anderen moesten met hangende poten terug te keren. Soms pasten ze zich aan, soms werd hen een gebrek aan integratie verweten.

Behalve om de voortdurende nuance zijn de auteurs ook te prijzen omdat ze de stevige hoeveelheid aan feitenmateriaal nooit gortdroog laten worden. Dit heeft vooral te maken met de efficiënte schrijfstijl en een gepaste dosis aan opmerkelijke feitjes (zie kader). Af en toe wordt de reeks aan cijfers en data onderbroken door een liedje of een getuigeverslag. Zo werden na de Tweede Wereldoorlog de liefjes van de Canadese bevrijders bespot in het deuntje ‘Trees heeft een Canadees’: ‘Vrijen vond ze ongezond/Maar direct na de bevrijding/Ging ’t gerucht van mond tot mond’. Een boer die zijn geluk beproefde in Canada en na een jaar zijn gezin liet overkomen, verklaarde dat hij nooit had geweten dat hij zo’n lelijke vrouw had. Een Marokkaan vertelt hoe het niet verstandig was om in het wervingskantoor te laten merken dat je Frans kon spreken. Want hersens waren niet nodig in Nederland. Dat zou het harde werk maar in de weg zitten.

Het mooiste voorbeeldje van die efficiënte stijl is te vinden in hun antwoord op de vraag waarom mensen migreren: ‘omdat ze dat willen, kunnen of moeten’. Met andere woorden, migratie is onlosmakelijk met de menselijke aard verbonden. Alle debatten of politieke partijen ten spijt.


Herman Obdeijn en Marlou Schrover, Komen en gaan, Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550, Bert Bakker, 413 pgs., € 24,95


Klein vocabulaire van migratie

CASTROLANDA: Nederlandse landbouwkolonie in Brazilië, gesticht in 1951. In de kerk en op school werd aanvankelijk alleen Nederlands gesproken. Er werd een bijzonder Nederlands aandoende molen gebouwd, genaamd De immigrant. Men kijkt Nederlandse tv. Restaurants serveren er hutspot, appelmoes en boerenjongens.

KERSTBOOM: In de negentiende eeuw vestigen vele Duitse immigranten zich in Nederland als winkelier. Sommige van hun namen klinken nog steeds bekend: Sinkel, Peek & Cloppenburg, Hünkemoller, Vroom & Dreesmann. Wanneer de dagen korter werden, zetten zij mooi versierde kerstbomen in hun etalages. Nederlandse winkeliers volgden hun voorbeeld. En even later stond hij in de huiskamer.

PINDAKOEKJE: In 1931 kwam een werkloze Chinees op het idee pindakoekjes te verkopen. Deze goedkope en makkelijk te produceren lekkernij van pinda’s en suiker werd een bron van inkomsten voor de vele Chinezen die hun scheepvaartsbaan hadden verloren door de crisis van 1929. Al snel doken honderden koekjesverkoper op in heel Nederland. Op hun trommels stond geschreven: ‘pinda, pinda lekker 5ct’.

RUSLUI: Uit de Overijsselse gemeente Vriezenveen vertrokken aan het begin van de achttiende eeuw een groep wevers naar het Russische Sint-Petersburg. Zij zetten daar een compagnie op om hun marktpositie te versterken. Deze migratiebeweging ging een eeuw later nog door. De regels waren streng: wie een Russische trouwde, moest de compagnie verlaten. De migranten wilden hun oude dag in Nederland slijten en bouwden in hun geboortestreek villa’s in Russische stijl.

THE STIRRERS: Groep Limburgse migranten die in 1960 een carnavalsclub opzette in Australië. In 1980 gingen ze terug naar Nederland om kostuums te kopen. Staat nu ook open voor Belgen en Duitsers.


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook