Wat zou u van mij denken als ik in alle ernst beweer dat het alleen aan de beste, de edelste, de mooiste exemplaren van de menselijke soort mag worden toegestaan zich voort te planten, zulks ter verbetering van de kwaliteit van het menselijk ras? U zou mij met allerlei lelijks associëren: racisme, fascisme, Hitler. Toevallig is de hier verkondigde opvatting echter die van de grote filosoof Plato (uit: De Wetten). Oei, dan is het misschien zaak het idee in context te plaatsen, het te vergelijken met andere ideeën van Plato, het in zijn tijd te zien etcetera. Omdat het Plato is en niet Hitler gaan we driftig op zoek naar een interpretatie, naar een uitleg die de scherpe kantjes er wat afhaalt.
Ik wil hier maar zeggen dat het niet de woorden zijn of de argumenten die tellen. Een succesvolle spreker of schrijver heeft dit succes niet alleen te danken aan de kwaliteit van wat hij te melden heeft, maar minstens evenzeer aan wat in de retorica ‘ethos’ heet, het imago.
Een goede reputatie bij het publiek, een positief imago, betekent dat een spreker al voor de discussie een beetje gewonnen heeft. Vandaar dat er zo vaak pogingen worden gedaan om het imago van de tegenstander te bekladden, met de hoop dat het publiek dan ook diens steekhoudende argumenten niet serieus neemt.
Slechter ethos dan Hitler kun je tegenwoordig niet hebben. Wie eenmaal een fascist heet te zijn wordt door dit label zelfs verwijderd uit de publieke discussie. De argumenten van een fascist zijn bij voorbaat niet relevant. Deze wet gaat ook in mildere vormen op. In sommige kringen kun je maar beter niet bekend staan als orthodox moslim, gestaald kader, Telegraaflezer.
Zo staan de zaken, men speelt liever de man dan de bal, maar dat betekent niet dat iedereen de situatie blijmoedig accepteert. Zeker in de wetenschap is het idee juist dat argumenten zoveel mogelijk wčl de doorslag moeten geven.
De leukste case-study is in dit verband de discussie tussen Deetman en de universiteiten. Het imago van de universiteiten is zo slecht dat er in de politiek nauwelijks argumenten nodig zijn om het eens te worden over voorgenomen bezuinigingen. Uit de notitie ‘Kaderstelling selectieve krimp en groei’ begrijp ik dat dit tot voor kort gebeurde ‘met de kaasschaaf’, hetgeen al dadelijk wijst op een raar imago: alsof de universitaire instellingen een homogeen blok zijn waar je overal wat af kunt snijden. Dat doen we dus niet meer (jammer voor de mensen die met het kaasschaafargument ontslagen zijn). Deetman zegt nu zes faculteiten te willen opheffen, wat mij de methode van de gatenkaas lijkt, waarbij er meer lucht dan substantie overblijft.
De universiteiten hebben dus een slecht imago en daarom hoeft Deetman niet serieus te zoeken naar argumenten om wat blokje kaas af te snijden. Het succes van de vorige snijpartij lijkt hem echter wat overmoedig gemaakt te hebben. Deetman legt uit waarom hij zelf beslist welke faculteiten moeten verdwijnen. ‘Zij die getroffen worden zullen protesteren, zij die de dans ontspringen zullen zwijgen.’ Als je niet wist dat het Deetman was zou het een citaat van Machiavelli kunnen zijn!
Dit is een ingekorte versie van een column van prof. dr. Willem Witteveen die verscheen op 11 september 1986. Witteveen was van 1979 tot 1989 verbonden aan de Leidse Universiteit als wetenschappelijk medewerker staatsrecht. Daarnaast was hij tot verleden jaar lid van de Eerste Kamer. Ter ere van het dertigjarige bestaan van Mare wordt op deze plek teruggeblikt.