Mare Nummer 21     21 februari 2008

21

FOTO: SILAS
‘Vraag aan de sjamaan wat hij gebruikt’
Onderzoek naar natuurlijke geneesmiddelen zit in een juridisch en cultureel kluwen

Genenroof, rechten van inheemse volkeren, intellectueel eigendom, miljoenenomzetten, patiëntenbelangen; de discussies over biopiraterij kunnen hoog oplopen. Wetenschappers zijn erbij betrokken, of ze het willen of niet. ‘Als we niet uitkijken, nemen ze hun geheimen mee in het graf.’

DOOR BART BRAUN Als u een slechte spamfilter heeft, dan kreeg u de afgelopen jaren tientallen spammetjes van mensen die u Hoodia willen verkopen. U opent die mailtjes natuurlijk niet, maar aan die producten is een interessant verhaal verbonden. Hoodia gordonii is een vetplant die in Zuidelijk Afrika groeit. De lokale Bosjesmannen eten hem op voordat ze op jacht gaan, en kunnen vervolgens dagenlang een prooi zoeken zonder te eten. Een eetlustremmer, kortom.

Mensen in het vetzuchtige Westen, altijd klaar om afslankproducten te kopen, willen zoiets wel hebben. Een Zuid-Afrikaans laboratorium isoleerde de werkzame stof uit Hoodia, vroeg er patent op aan, en verkocht voor veel geld een licentie. Die kwam via een klein bedrijfje terecht bij Pfizer, een farmaciereus die ook een erectiepil verkoopt waarvan de naam wellicht eveneens af en toe tussen uw spam is opgedoken.

Wat kregen de San van al dat geld? Helemaal niets. Pas na tien jaar ophef konden ze eindelijk aanspraak maken op een deel van de opbrengst. Of die er ooit gaan komen is overigens onduidelijk; het spul werd in 2005 van de Europese markt gehaald omdat niet vaststaat of het wel gezond is. Bewijs dat het werkt is schaars, en in veel verkochte Hoodia-supplementen blijkt stiekem een andere plant te zitten.

De plant is het grote voorbeeld geworden in een discussie over biodiversiteit, rechten, patenten, patiënten en miljardenbelangen. Het samenvattende woord voor dat alles is ‘bio-prospecting’, al gebruiken critici liever de term ‘biopiraterij.’

Dat debat gaat over twee dingen: de biodiversiteit zelf, en de kennis die inheemse volkeren daarover hebben. De ironie wil dat globaal gesproken de armste landen ter wereld de grootste soortenrijkdom hebben. Rijke landen willen en kunnen daar wat mee: medicijnen uit winnen, of voedingsmiddelen, of insectenverdelgers, enzovoort. Biodiversiteit is dus geld waard: hoe meer soorten er in een land leven, hoe groter de kans dat er eentje tussen zit die nuttig is voor de mens.

Arme landen met veel biodiversiteit worden er niet blij van als westerse bedrijven door hun oerwouden komen lopen, soorten meenemen en vervolgens heel veel geld verdienen zonder dat het land van herkomst er wat van terugziet. Sommige landen zetten er zelfs loodzware straffen op: de Nederlandse apenonderzoeker Marc van Roosmalen kreeg in Brazilië vijftien jaar gevangenisstraf wegens het uitvoeren van genetisch materiaal. In hoger beroep werd hij later vrijgelaten.

172 Landen hebben met elkaar afgesproken om niet aan biopiraterij te doen. In 1992, op de conventie van Rio de Janeiro, spraken ze af dat landen aanspraak kunnen maken op hun biodiversiteit, net zoals ze rechten hebben op de mineralen die in hun grond zitten.

Het probleem is dat dier- en plantensoorten zich niet houden aan menselijke landsgrenzen: als een land te strenge biodiversiteitwetgeving heeft, gaan wetenschappers gewoon in een vriendelijker buurland op zoek naar nuttige producten. Er zijn geen sancties verbonden aan het overtreden van het verdrag. Toen de Amerikaanse genenjager Craig Venter voor de kust van Chili bacteriën opviste, op zoek naar nuttige genen, hoefde zijn overheid hem daarvoor niet op de vingers te tikken. Als die überhaupt al ondertekend had. De VS weigerden mee te werken aan het biodiversiteitsverdrag: zij wilden volledige toegang tot potentiële medicijnen.

Er zijn in elk geval afspraken gemaakt, maar desalniettemin inspireerde de conventie de Braziliaanse band Sepultura tot een kritisch lied met als titel Biotech is Godzilla.

‘Stripmine the Amazon,
For cells of life itself
The rush for genes is on
Natives get nothing.’


En dat raakt dan weer aan het tweede probleem bij bedrijven uit het rijke Noorden die biodiversiteit uit het arme Zuiden willen gebruiken: de plaatselijke stammen. ‘Als je een hectare oerwoud afzet, doe je er tien jaar over om alle soorten in kaart te brengen, om over de kosten nog maar te zwijgen. Je hebt dan vijf procent kans om iets te vinden dat interessant is om verder onderzoek naar te doen’, legt Professor Jan Slikkerveer van het Nationaal Herbarium uit.

‘Het is slimmer om aan de plaatselijke sjamaan te vragen wat hij zoal gebruikt. Dan wordt de kans ineens dertig procent.’ Cultureel antropoloog Slikkerveer is bijzonder hoogleraar ‘etnobotanische kennissystemen met betrekking tot medicinale planten in ontwikkelingslanden.’ In gewoon Nederlands: onderzoeken wat die eerder genoemde sjamaan doet en weet. Sean Connery in de film Medicine Man is een populair voorbeeld: diep de rimboe in, praten met de stam, en hopen dat dat bruikbare producten oplevert.

Het vakgebied van de etnobotanie staat hevig onder druk. Omdat sommige landen de grenzen zo goed als gesloten hebben voor bioprospectors. Omdat de biodiversiteit wereldwijd in hoog tempo afneemt. Omdat er steeds minder sjamanen zijn: westerse missionarissen ontmoedigden de plaatselijke geneeskunst. En omdat de sjamanen die er zijn, niet bepaald staan te trappelen om door de hoepels van het Westen te springen. Slikkerveer: ‘De kennis verdwijnt soms zelfs sneller dan de planten zelf.’

Maar ook dat laatste kan een probleem zijn. Slikkerveer noemt de Prunus africana, een Afrikaanse boom die voor het eerst werd beschreven door een botanicus in de expeditieploeg van dr. David Livingstone. De lokale genezers gebruikten de bast voor het genezen van gele koorts, maar een Franse farmaceut ontdekte dat er ook een middel tegen prostaatklachten uit te winnen viel. ‘En een jaar later was er geen Prunus meer te bekennen in Kameroen.’

Ook Hoodia wordt inmiddels met uitsterven bedreigd, werd vorige maand bekend. Een internationaal samenwerkingsorgaan van botanische tuinen, waar ook de Leidse Hortus bij aangesloten is, waarschuwde dat 400 bekende geneeskrachtige planten in gevaar zijn door oververzamelen en ontbossing. Andere potentiële medicijnen zullen verloren gaan voordat we ze ooit ontdekken.

Ging het bij Prunus africana nog om een nieuwe toepassing die door de Westerlingen gevonden werd, in andere gevallen wisten bedrijven patenten te krijgen op kennis die inheemse volkeren al eeuwen hadden. ‘Lokale gemeenschappen voelen zich bedreigd door bedrijven’, zegt Slikkerveer. ‘Ze hebben een enorme vuist gemaakt, die zich heel ver uitstrekt.’

Zo ver dat een Leidse wetenschapper die naar een Derde Wereldland gaat, betrokken raakt in het enorme krachtenspel van miljoenenbelangen, patenten en patiënten. Eind vorig jaar trokken cultureel antropologen Gerard Persoon en Myrna Eindhoven van het Centrum voor Milieuwetenschappen aan de bel. In Berlijn vergaderen dit voorjaar de ondertekenaars van Rio over een vervolgverdrag. Een nieuwe ethische code die daar mogelijk ter tafel komt, zou onderzoekers die in de gebieden van inheemse volkeren werken sterk aan banden leggen. Niet alleen de bioloog die naar geneeskrachtige kruiden of sponzen zoekt, maar ook de archeoloog en de cultureel antropoloog.

Eindhoven: ‘Als ik afreis naar de binnenlanden van India, en iemand vertelt mij over het ecosysteem, dan ben ik vrij om die kennis mee te nemen. Maar straks moet ik nog voordat ik afreis met de lokale cultuur overeenstemming krijgen over wat ik ga doen. Ik moet al onderzocht hebben wat ik ga onderzoeken. Dat is voor antropologen een probleem, laat staan voor biologen.’

Nu klinkt ‘ethische code’ heel vrijblijvend, maar ondertussen staat wel ergens de handtekening van Nederland onder. En alle onduidelijkheid over rechten maakt het al zo moeilijk om bestaande kennis te gebruiken. Professor Rob Verpoorte van het Instituut voor Biologie Leiden onderzoekt geneeskrachtige stoffen uit planten, en houdt het dicht bij huis, ook omdat hij niet op biopiraterij-rechtszaken zit te wachten.

‘Het verdrag van Rio had de bedoeling om alles beter te maken, maar heeft tegenovergesteld gewerkt’, zegt hij. ‘Iedereen zit als een bok op de haverkist; men heeft liever dat er niets mee gebeurt dan dat een ander er iets mee doet.’

Verpoortes bedrijfje, Holland Biodiversity, doet onderzoek naar medicijnen uit bloembollen. Bloembollen zijn ook ooit met behulp van de Leidse hortulanus Clusius uit Turkije gehaald, maar als iets lang geleden is gebeurd, telt het niet als biopiraterij. Bovendien hebben Nederlandse veredelaars de planten ver doorgefokt, zo ver dat ze er kwekersrechten op kunnen laten gelden. Dan is ineens volkomen duidelijk van wie de plant is: van die kweker.

In plaats van een ethische code, zou er ook een soort kwekersrecht moeten gelden voor traditionele kennis, stelt Verpoorte. ‘Er moet wetgeving komen die bescherming geeft voor het ontwikkelen van die kennis.’ Het patentrecht volstaat niet, want die geldt voor nieuwe ontdekkingen. ‘Als een plant in China al 5000 jaar wordt gebruikt tegen diabetes, dan staat het onderzoek daarnaar helemaal stil zolang er geen bescherming is. Als daar een geneesmiddel uitkomt dat een miljard waard is, zit elke jurist in de wereld op je nek.’

Hij geeft een voorbeeld: ‘Stel, ik haal een plant uit het binnenland van Brazilië. Ik isoleer daaruit twintig werkzame stoffen, en ik schrijf daar een artikel over. Die stoffen zijn dan in één klap waardeloos geworden, want niemand kan er meer patent op aanvragen. Waar biopiraterij begint en eindigt, is dus heel moeilijk vast te stellen.’

De analogie tussen biodiversiteit en mineralen die in het verdrag van Rio wordt gemaakt, is sowieso moeilijk bruikbaar. ‘Als er op Tuvalu een goudader wordt gevonden, heeft dat land niet de kennis en technologie om die te exploiteren, net als bij een plantje. Maar het grote verschil is dat iedereen weet wat goud waard is, maar niemand kent de waarde van een plant.’

‘Om die te bepalen, moet je eerst onderzoek doen, en een medicijn ontwikkelen. Dat kost miljoenen, en het vinden van kansrijke stoffen beslaat maar vijf procent van de kosten. De ondernemer die die risico’s neemt, moet daar ook voor beloond worden’, legt Verpoorte uit. ‘Maar dan vindt hij iets moois, en dan zijn de oude afspraken ineens koloniaal. Pas als het succes er is, gaan ze klagen, net als mensen die de postcodeloterij voor de rechter slepen als hun buren in de prijzen vallen.’

Er speelt heel veel tegelijk, verzucht hij: ‘De ongelijkheid van economieën, Noord-Zuid-verhoudingen. Maar als ik mijn studenten uit ontwikkelingslanden vraag naar biopiraterij, halen ze hun schouders op. De enigen die uiteindelijk het geld krijgen, zijn de politici.’

De Neemboom, traditionele kennis en het grote geld

In India gebruikten mensen de neemboom (Azadirachia indica) al eeuwen als zeep, insectenverdelger en medicijnen tegen diverse ziektes. Op die boom rusten enkele tientallen octrooien, vrijwel allemaal van niet-Indiase bedrijven.

Het Amerikaanse bedrijf WR Grace kreeg in 1994 patent op insecticiden gemaakt van de olie uit de neem-zaden. De rechten op een traditioneel Indiaas product waren ineens eigendom van een Amerikaans bedrijf. De Indiërs hadden nooit een wetenschappelijke publicatie over hun bomen geschreven, zo redeneerde de advocaat van Grace.

Nu had dat bedrijf wel degelijk een innovatie toegepast: Indiase boeren lieten de zaden een nacht weken in water, en hielden een product over dat enkele weken houdbaar was. De extractiemethode van Grace verlengde dat tot enkele jaren. Het bedrijf startte een fabriekje in India, en verdiende enkele tientallen miljoenen dollars totdat het Europese patent werd teruggetrokken. De eigenaars van de traditionele kennis hebben er niets van gezien. Maar ja, wie zijn dat?

Jamu, westerse patenten vormen een blokkade

In professor Jan Slikkerveers geboorteland Indonesië werken promovendi van hem aan een project rond jamu, de plaatselijke kruidengeneeskunde. In kleine tuintjes in de steden telen de mensen hun planten, en stoppen die in allerlei preparaten. De opbrengst wordt binnen de gemeenschap verdeeld.

Slikkerveer: ‘We kijken daarbij nadrukkelijk niet naar de biochemische samenstelling. Het enige dat we onderzoeken is hoe de doelgroep de werkzaamheid beleeft, in termen van lokale kennis, geloof en praktijken van medicinale, aromatische en cosmetische planten.’

Leuk, maar een bedrijf dat met die planten aan de slag wil, heeft wettelijke bescherming nodig, en moet wčl precies weten wat er in de pillen zit. Slikkerveer: ‘Precies. Westerse bedrijven zullen dan ook nooit op die manier aan medicijnen komen. De westerse filosofie van wetenschap en patenten is een blokkade. Laat dat rationalisme los. Als we dat niet heel snel doen, verspelen we de kans op het verbeteren van de gezondheid van de mensheid.’

Hij vervolgt: ‘En we zullen wel moeten. Met onze technologisch gerichte geneeskunde gaan we oprukkende ziekten als hiv niet aanpakken. We zullen op één of andere manier de westerse en traditionele geneeskunde met elkaar moeten verbinden. Als we die kennis binnen kunnen halen, komen we tot een meer complementaire gezondheidszorg, waarbij de patiënt meer te kiezen heeft.’



Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook