Deze steenvlieg is nu makkelijker te determineren. Dit is de Nemoura marginata
FOTO: Naturalis
Altijd in de sloot met een netje Eindelijk een boekje, ondanks de verschrompelde geslachtsorganen
Steenvliegen zijn kieskeurige beesten, die alleen in het allerzuiverste water willen wonen. Nu de waterkwaliteit verbetert, kunnen veel in Nederland uitgestorven soorten weer terugkeren. Een biologiestudent bedacht een determinatietabel, waarin ook voor de potentiële terugkeerders plaats is.
DOOR BART BRAUN In het openbare gedeelte van Naturalis is een indrukwekkende verzameling aan natuurhistorisch materiaal te zien. Dat is echter maar een fractie van alles wat ze hebben. Achter de schermen bevindt zich het sancto sanctorium: de collectietoren. Alleen bij bijzondere gebeurtenissen mogen niet-medewerkers erin. Een nog door Darwin verzamelde kiekendief kon er jarenlang onopgemerkt staan, tussen duizenden andere roofvogels. Objecten die te kwetsbaar zijn om in het museum tentoon te stellen staan daar, of dingen waar nog een plek voor gevonden moest worden. De vers tentoongestelde Stier Herman verbleef er jaren voor hij aan de openbaarheid werd prijsgegeven.
En er staan eindeloze verzamelingen bewaarde beesten. Kasten en kasten vol met schelpen, fossielen en insecten. Van die laatste groep alleen al heeft Naturalis er meer dan vijf miljoen in de collectie. Biologiestudent Bram Koese loopt vertrouwd tussen de archieven en termietenheuvels door, naar de lades met zijn steenvliegen.
Hij laat een la vol Nederlandse soorten zien. ‘Eigenlijk is het zonde om ze met zo’n speld door de rug te bewaren’, legt hij uit. Steenvliegen zijn waterdieren, die bij het bewaren indrogen. Dat maakt het moeilijk om te bepalen bij welke soort een exemplaar hoort, omdat determinatiekenmerken als de geslachtsdelen verschrompelen. Zelf bewaart hij ze liever in alcohol. Hij laat een paar buisjes zien met insecten op sterk water: ‘Deze heb ik vorige week meegenomen uit Noorwegen.’
De afgelopen twee jaar heeft Koese voor zijn afstudeeronderzoek gewerkt aan de steenvliegen van Nederland. Als kind verzamelde hij ze al: ‘Ik was altijd al in de sloot aan het scheppen met een netje, maar nu weet ik eindelijk hoe ze heten.’
Het zijn insecten met over elkaar gevouwen vleugels, en twee sprieten op hun achterste. Wie ze buiten Naturalis wil zien, moet de Randstad uit: Twente, de Veluwe en Zuid-Limburg zijn de hotspots. Koese: ‘Dat betekent dat je dan op een dag hooguit vier verschillende soorten kan zien.’
Het was deeltijdwerk: ruwweg de helft van die tijd werkte hij ernaast – ook in Naturalis. Een cijfer heeft hij nog niet, maar zijn afstudeerscriptie is al wel te koop via www.naturalis.nl/et. Het is een rijk geďllustreerd boekje van 160 pagina’s, met een determinatietabel voor alle Nederlandse steenvliegsoorten.
Hoeveel dat er zijn? Tien. Steenvliegen zijn enorm kieskeurige insecten, die alleen in heel zuiver, koel en zuurstofrijk water voorkomen. In de vorige eeuw zijn zeventien soorten uit Nederland verdwenen, met name door milieuverontreiniging en lozing van koelwater. Koese: ‘De Rijn is de afgelopen honderd jaar vier graden warmer geworden door thermische vervuiling, ecologisch gezien is dat absurd.’
Inmiddels ziet het er hoopvoller uit voor de steenvliegen: de waterkwaliteit is sinds de jaren zeventig weer verbeterd. Eén soort die in de jaren tachtig was verdwenen, keerde onlangs terug naar Nederland. In Koeses boekje is daarom ook plek voor de zeventien verdwenen soorten, en een aantal andere steenvliegen uit het buitenland die ooit hier naartoe zouden kunnen verhuizen. ‘Het soortenaantal was gelukkig te overzien’, zegt hij er zelf over, ‘een boek over de meer dan honderd soorten kokerjuffers was moeilijk geworden.’
In zijn boekje wijst hij zijn favoriete soort aan: de wintersteenvlieg. ‘Dit is een typische laaglandsoort. Hij was vroeger karakteristiek voor Nederland, maar we hebben hem weggepest.’ Alhoewel: waterschappen beginnen met monsteren in april, en dan is deze soort al uitgevlogen. Koese trok zelf een paar keer het veld in (‘Ik wilde alle soorten op hun natuurlijke plekje zien, dan gaat het toch meer leven’), maar heeft de soort daar niet aangetroffen.
Die waterschappen zijn overigens de reden dat Koese het boekje heeft uitgebracht. Omdat steenvliegen zulke hoge eisen stellen aan de waterkwaliteit, vertelt de aanwezigheid van die dieren de waterbeheerder dat hij goed bezig is. Dan is het ook handig als duidelijk is welke soort er in de netjes zit.
‘Een tabel voor deze dieren is jarenlang een ongeboren kindje geweest’, vertelt de bioloog. ‘Zowel bij het Wageningse ecologie-instituut Alterra als bij Naturalis werkte iemand eraan, maar geen van de manuscripten kwam ooit verder dan de bureaula van het betreffende instituut. Nu heb ik het tot een goed einde gebracht.’
De Nederlandse waterschappen werkten dan ook goed mee aan Koeses afstudeerwerk. Met hun hulp maakte hij ook de kaartjes van Nederland met daarop de verspreidingsgebieden van de soorten. ‘In geval van twijfel vroeg ik dan of ze de exemplaren bewaard hadden. De enkele dieren die dan bewaard waren gebleven bleken meestal verkeerd gedetermineerd. Dat neem ik ze niet kwalijk, want het was ook heel moeilijk om dat goed te doen. Tot nu toe.’