Drs. drs. Spiegelpaleis

Biograaf van Boudewijn Büch wil zich ‘niet blindstaren op mystificaties’

Boudewijn Büch als Mare-redacteur op reportage in de universitaire crèche, 8 september 1980. Foto Klaas Koppe

Door Frank Provoost

Alles draaide altijd om hem, en het was altijd alles of niets, schrijft biograaf Eva Rovers over schrijver, presentator en ‘populairste leraar van het land’ Boudewijn Büch.

Hier volgt een schuldbekentenis: het Leids universitair weekblad Mare is meerdere malen betrokken geweest bij oplichting, bedrog, belediging, valsheid in geschrifte en belastingontduiking. Een voormalig redacteur heeft verschillende personen onder valse voorwendselen grote sommen geld afhandig gemaakt, voerde onterecht meerdere universitaire titels, kocht talloze boeken op de pof zonder ooit aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen en peuterde onterecht uitkeringen los.

Signalement: een jongeman met zwart lang haar, engelachtige en erudiete uitstraling, innemende persoonlijkheid, vaak gekleed in een Afghaanse hippiejas met standaard een stapel boeken onder de arm.
Ook de Universiteit Leiden is betrokken bij het schandaal – zij stond namelijk toe dat de verdachte voor zijn Mare-werkzaamheden contant werd uitbetaald: op die manier kon hij namelijk zijn inkomsten geheim houden voor de curator en fiscus die achter hem aan zaten.

Jammer genoeg kan van vervolging geen sprake meer zijn: de dader is veertien jaar geleden overleden. En ook al liep de materiële schade in de tonnen, het was peanuts vergeleken bij het menselijk leed.

Want overal waar Boudewijn Maria Ignatius Büch (1948-2002) opdook, liet hij uiteindelijk een spoor van gebroken harten achter. Hij moet zelf ook doodongelukkig zijn geweest, blijkt uit de zeshonderd pagina’s tellende Boud, geschreven door Eva Rovers.

Eerst maar even de grootste leugens, dan hebben we die gehad.

Vader Rien was geen Duitse jood die naar Engeland vluchtte om als geallieerde piloot zijn geboortestad te bombarderen en uiteindelijk zelfmoord te plegen waarop Boudewijn miljoenen guldens zou erven. (Hij was wél een brave gemeenteambtenaar die zich thuis ontpopte tot een servies smijtende tiran, zijn vrouw sloeg, zijn zes zoons jonge katjes liet verdrinken en Boudewijns dierbare transistorradio kapot trapte toen hij er stiekem in bed naar luisterde. Hij stierf na een hartaanval en liet zijn zoons elk 944 gulden na.)

Boudewijn was niet de zelfbetitelde ‘drs. drs. psychofarmacohistoricus’, hij studeerde nooit aan de Leidse universiteit: geen Duits, filosofie of Nederlands en promoveerde ook niet in het zelfverzonnen vakgebied over ‘de geschiedenis van middelen die het centrale zenuwstelsel beïnvloeden’ – zeg maar: ‘drugskunde’ – waarvoor hij al evenmin onmiddellijk een leerstoel kreeg aangeboden. (Hij maakte niet eens de Mulo af en waste borden in het restaurant van de V&D.)

En het bekendste bedrog: hij had geen zoontje, Boudewijn Iskander, die aan een zeldzame ziekte leed en stierf nadat zijn aan de drank verslaafde moeder hem insuline en valium had gegeven. (Dat kind was namelijk niet van hem, én leeft nog.)

Hoe bont Büch het ook maakte, Boud is geen biografische afrekening geworden. Rovers weigert de fact checker van een fantast te worden, wil zich niet ‘blindstaren op Büchs mystificaties’, schuwt psychologische verklaringen en hamert erop dat het haar gaat om de beschrijving van het fenomeen: de ‘Comédie Büchienne’.

Vanaf de tribune van dat ‘spiegelpaleis’ zou je toch vooral de figuranten willen toeschreeuwen: ,,Rennen!” Want het grote mysterie is niet alleen dat Büch het voor elkaar heeft gekregen om iedereen zo te bedriegen, maar vooral hoe. Telkens weer trappen al die goede lobbesen in zijn leugens, die steeds krankzinniger worden. (‘Mag ik geld van je lenen? Je krijgt het terug hoor, want ik heb net anderhalve ton verdiend met het bedenken van de slogan “Giroblauw past bij jou”.’)

En telkens weer was het de waarheid waarvoor de vriendschap moest wijken: zodra Büch het kaartenhuis van verzinsels in elkaar zag vallen, verbrandde hij alle schepen achter zich. Gek genoeg reageren de slachtoffers bijna allemaal even vergevingsgezind. Want, zeggen ze in koor: het was zo’n lieve jongen, zijn wervelende energie werkte zo aanstekelijk, ons leven werd zoveel leuker door hem. En: hoe hard hij ook loog, zijn emoties waren wél authentiek.

Helaas lijkt de biograaf die laatste smoes zelf ook te geloven. Door nergens te oordelen en het slagveld alleen neutraal te beschrijven laat ze Büch te gemakkelijk wegkomen. Te vaak blijf je gissen: wat heeft hem nou werkelijk bezield? Hoe kon dit?

‘Hij had constant mensen om zich heen nodig’, schrijft Rovers, ‘publiek dat de leegte met veel applaus opvulde’. En niet te vergeten: het gat in zijn portemonnee. Zo bedacht hij zijn eigen fonds, waarin boezemvrienden Peter van Zonneveld en Jacques van Alphen prompt tien procent van hun eerste zuurverdiende universitaire loon (respectievelijk als Neerlandicus en bioloog) stortten. En zo troggelde hij Marianne, de moeder van Boudewijn Iskander, vijfduizend gulden af die ze van haar oma had geërfd (en zegde per brief hun vriendschap op toen ze vroeg of hij het wilde terugbetalen). In de commune waar hij was ingetrokken, weigerde hij als enige zijn inkomsten te delen omdat hij ‘ernstig depressief’ zou worden als hij geen boeken kon kopen. Na zijn faillissement gingen vrienden zelfs crowdfunden om zijn collectie te ‘redden’ van de gedwongen verkoop. Ze haalden achtduizend gulden op.

Alles draaide altijd om hem, en het was altijd alles of niets, concludeert de biograaf. Hoe meer ophef, hoe beter. Om maximale aandacht te generen koos hij bewust voor de rol van buitenstaander, en deed hij zich achtereenvolgens voor als jood, homo en pedofiel. Hoezeer zijn liefde voor ‘prinsjes’ oprecht leek (‘ik bedoel:/ik zou je/heel graag willen kussen/maar de politie/staat ertussen.’), het ging hem om de controverse. Die zou hem groots lanceren in de letteren. En dus wilde hij voor de foto van zijn poëziedebuut Nogal droevige liedjes voor de kleine G. in een bakfiets vol kleine jongetjes poseren, achtervolgd door halfnaakte agenten. Aanbeveling op de kaft: ‘De kinderlokker vertelt.’

Nog zo’n schreeuw om aandacht: het dwepen met de dood. Hij raakte maar niet uitgepraat over zijn eigen begrafenis en zou op de dag voor zijn 21e verjaardag zelfmoord plegen. De rouwkaart was al klaar.
‘Ik ben bang oud te worden en sterf liever jong aan een tumor’, krabbelde hij in zijn dagboek’ - inclusief bijsluiter hoe een toekomstige biograaf dat hoorde te interpreteren. Zulke drama’s hoorden volgens hem bij het leed van een literator.

Maar zo’n groot schrijver was hij helemaal niet, aldus Rovers. Ze is bikkelhard in het beoordelen van zijn oeuvre, geeft recensenten die zijn afgeraffelde romans neersabelen gelijk, en onthult dat die boeken toch vooral tot stand kwamen dankzij de onuitputtelijke hulp van bewonderaar en letterkundige Harry Prick, en de Arbeiderspers-redacteur Emile Brugman. Terwijl Büchs geduld allang op was, zaten zij nog aan zijn zinnen te schaven, of (her)schreven desnoods hele alinea’s.

Er zat niets anders op dan stukjes te schrijven, en dus werd de Mare-redactie ‘zijn tweede huiskamer’. ‘Zodra hij een voet over de drempel zette, werd de sfeer baldadig en trilden de ramen in de vensters door de klaterende lachsalvo’s.’

De kleine blonde dood ontstond daar, als een reeks columns over de dood die na dertien afleveringen opeens ontaardde in ‘een papieren gedenkzuil voor een nauwelijks zesjarige’. Het werd zijn beste roman, maar geen meesterwerk. En omdat hij wist dat hij niet beter kon, werd het in plaats van het begin van zijn schrijverschap juist het einde.

Zo begon zijn opmars als tv-presentator, waarin hij dankzij zijn boeken- en reisprogramma’s uitgroeide tot ‘populairste leraar van het land’, en tussendoor niet te beroerd was om te cashen met rijstreclames of aan te schuiven in Hints, Waku Waku, TROS Triviant of De vijf uur show.

Ik heb mijn leven zo verkunsteld’, bekende hij in een niet verzonden brief. ‘Het “oeuvre” van mijn leven is mislukt.’

Zulke passages blijven knagen, omdat ze de ware tragiek tonen van de schrijver die zich tegen beter weten bleef vastklampen aan dat ene zinnetje uit Brieven aan Mick Jagger (1988): ‘Het verleden is altijd waar, zelfs als je het verzint.’

Eva Rovers, Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch (1948-2002). Prometheus, 608 blz. €29,90

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

Wetenschap

Nieuws

Rubrieken

071-527...: Aardappel

Professor Rebecca Earle (Universiteit van Warwick) is gefascineerd door de normaliteit …

English page