Column: Special special soup

Vaak vragen vrienden naar mijn favoriete Yale-ervaring. En dan zeg ik, Yale heeft zeker zo zijn goede kanten. De campus is prachtig.

Het @yale.edu-e-mailadres is leuk, vooral als je informatie van willekeurige consultants probeert te ontfutselen. Papers schrijven met een wereldberoemde professor is zeker handig.

Maar het eerste waar ik altijd aan denk zijn de food carts. Elke middag ontmoet onze kleine groep postdocs en phd’s elkaar bij de koffiemachine. Samen marcheren we de heuvel af, over Prospect Street, richting de parkeerplaats, op weg naar voedsel. Fantastisch voedsel. En de Thaise chicken noodle soup is het meest fantastisch van allemaal.

Maar er verzamelden zich donkere wolken aan de rand van de foodcart-hemel. 
Lang voordat ik überhaupt van Yale gehoord had, in de Nederlandse semi-zomers, stuurden mijn ouders mij en mijn kleine broertje de stad uit. Naar een boerderij. We klommen op alles wat er te beklimmen viel. We maakten kaas. We molken geiten. We renden achter de katten aan.

En ik speelde met mijn favoriete koe.
Mijn koe waggelde naar het hek als ze me zag en likte mijn gezicht en maakte teleurgestelde koeiengeluiden als ik weer ging voetballen. Het was een kleine lakenvelder, een zwart ras met een dikke witte streep in het midden. Alsof iemand een laken om een koe heeft gedrapeerd.

Soms probeerde ik mijn koe te knuffelen, maar hoewel klein voor een koe, was ze ook weer niet zó klein.
Door mijn koe heb ik een gecompliceerde relatie met het eten van koe. En als ik al koe eet, noem ik het in gedachten biefstuk. Door dat woord te gebruiken creëer ik de benodigde mentale afstand. Maar het blijft koe, dus meestal haak ik op tweederde biefstuk af. Het laatste stukje eet ik uit respect voor mijn koe. Immers, als je dan toch al geslacht bent wil je niet ook nog eens in de prullenbak eindigen.

Er waren overigens ook hordes kippen op de boerderij. Het enige wat ik over kippen kan zeggen is dat ik ze nog steeds met veel plezier eet. Vooral in de vorm van die Thaise chicken noodle soup. 

Nadat ik een aantal maanden uitermate consistente soep at, begonnen de mensen achter de food cart mij te herkennen. ‘Special soup for you!’ riepen ze over de studentenmassa heen. Meer heet, minder suiker – precies zoals ik het wilde. En ik kreeg extra kip. Steeds meer kip.

Eerst was dat leuk. Daarna niet meer. Door telkens enthousiast te knikken als ik ‘special soup!’ hoorde had ik per ongeluk een kippengenocide ontketend. Het begon aan mijn geweten te knagen. Plotseling leek het minder op vlees en meer op dier. Ik kauwde op klonten spier en weefsel. Maatregelen moesten worden getroffen.

Eerst bestelde ik de groentesoep. Het was boring beyond belief. Toen bestelde ik biefstuksoep, en zag mijn lakenvelder me van onder de noodles verontwaardigd aanstaren. Ik gaf op en bestelde weer kip, maar werd overweldigd door de special soup kippentsunami. Ik bediscussieerde. Ik overwoog. En uiteindelijk, de oplossing.
Maar mijn food cart werkte niet mee.

Wekenlang probeerde ik uit te leggen dat ik de helft van de kippensoep wilde vervangen met een halve portie groentesoep. In plaats daarvan kreeg ik nog meer kip. Of helemaal geen kip. Twee porties noodle soep, een met kip en een met groente.

Mijn collega’s begonnen er over te wedden. Toen, op een dag, was de verwarring afgelopen. De Thaise chef kneep zijn wenkbrauwen samen. Hij staarde me even aan. En na een paar seconde riep hij naar zijn vrouw: ‘Ah! He wants special special soup.’

Succes!

Ik ben een flexinoodlesoeptarian geworden.

Benjamin Sprecher promoveerde onlangs bij het Centrum voor 
Milieuwetenschappen in Leiden en is nu postdoc in Yale

Deel dit bericht:

Voorpagina

Blowers blijven low

Wie blowt maakt niet alleen meer fouten, maar heeft dat ook nog eens minder goed in de …

Achtergrond

Wetenschap

Nieuws

English page