Hoogleraarscolumn: 1995

Een nadeel van studenten is dat ze in zulke onwaarschijnlijke jaren geboren zijn — en dat ze dat zelf niet beseffen. De nieuwste lichting bijvoorbeeld, komt overwegend uit 1995. Terwijl het de vraag is hoe je dan nu al zou kunnen praten of rechtop lopen, zwalken ze over de Breestraat en lallen.

Wie zijn leven doorbrengt op de universiteit, voelt de tijd harder tikken. Iedere september komt er een nieuwe groep zeventien- en achttienjarigen aangespoeld, en iedere El Cid-week blijkt dat volwassenen nóg jeugdiger kunnen zijn dan de augustus ervoor. Tweedejaars studenten hebben het gevoel al: de kleuters die vorig jaar op de middelbare school achterbleven, blijken ineens in staat tot zooien en andere grotemensendingen.

Wat die tweedejaars niet vermoeden: ieder cohort heeft zijn eigen gedachten en gevoelens bij het geboortejaar 1995. Degenen die in 1990 geboren werden, zijn afgunstig, of worden dat binnenkort. Dan publiceert zo’n nieuw aangekomene ineens een eerste roman, en wordt ze allerwege geïnterviewd terwijl jij nu al vijf jaar dacht dat je alle tijd had om door te breken en dat men verbaasd zou staan over jouw jeugdige overmoed.

De promovendi, geboren in 1985, kunnen nu voor het eerst zwelgen in nostalgie en vertedering. Ah! Die jonge generatie, die geboren is nadat het internet voor iedereen toegankelijk werd! De eerste generatie die het internetloze tijdperk niet bewust heeft meegemaakt! Nooit zullen ze weten wat het is om naar een discman te luisteren! Nooit hoe het was om met een vaste telefoon te bellen naar een nummer dat soms minder dan 10 cijfers had! Terwijl de universitair docenten uit circa 1975 hun afgunstige gevoelens van tien jaar geleden inmiddels vergeten zijn en plotseling beseffen dat er onder die nieuwe studenten ook een kind van henzelf had kunnen rondlopen, als ze indertijd wat wilder hadden geleefd. Tot nu toe gleed het leven soepel aan je voorbij en ineens sta je voor je eerste generatiekloof. Onder de nieuwe aankomende geleerden loopt er allicht een rond die verwekt is tijdens een El Cid-week waar jij als mentor argwanend bekeek of er in je groepje geen mensen waren met al te jong en vroegtijdig talent.

Mensen die in een normaal jaar geboren zijn, zo rond 1965, waren in 1995 al gepromoveerd. Zij hadden in die tijd van hun eerste arbeidscontract al uiterst moderne apparaten gekocht zoals een modem om contact te zoeken met het internet (zij het niet te vaak, want dan werd de telefoonrekening te hoog). Zij volgden gespannen of geamuseerd het proces tegen O. J. Simpson. Zij begonnen gaandeweg te voelen dat de nieuwste lichting van studenten die dat jaar aan was gekomen, en die geboren was rond 1978, toch wel erg ver weg van ze stond.

Er schijnen op deze universiteit mensen rond te lopen die nóg eerder geboren zijn. In 1955 bijvoorbeeld. Zij zullen wel berustend vaststellen dat zij theoretisch inmiddels al grootouders zouden kunnen zijn van die nieuwe instroom, en dat het er allemaal niets meer toe doet. Zij zullen wel niet meer zien dat de studenten almaar jonger worden, omdat de hele universitaire gemeenschap uit naïeve jonkies bestaat. Zij zullen inmiddels wel wachten op de dag dat ze met pensioen gaan en kunnen ze zeggen dat ze het ‘nu drukker hebben dan ooit’. Althans, ik vermoed dat zij zo denken; ik weet het niet zeker, want ik praat eigenlijk nooit met mensen die in zo’n onwaarschijnlijk jaar geboren zijn en dat zelf niet eens beseffen.

Marc van Oostendorp
is hoogleraar Fonologische Microvariatie

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

Letters stellen gerust

Hij was al met emeritaat, maar vorige week promoveerde typograaf Gerard Unger op een …

Wetenschap

Rubrieken

YouTube in Academia

Hoe laat je 100 studenten een presentatie houden? Cognitief psycholoog Pascal Haazebroek …

English page