Column: Bij de ballen

Eigenlijk was ik van plan om deze week een bier-en-tieten-column te schrijven, want ik weet dat De Leidsche Student na zijn tentamens niet veel anders aan het hoofd heeft. Maar dat was voordat ik de krant een paar dagen geleden opensloeg en daar een nieuwsberichtje tegenkwam over een gebeurtenis die op lange termijn een serieuze bedreiging zou kunnen vormen voor onze schier oneindige biertoevoer en daaropvolgende tieten.
Thermphos, de Zeeuwse producent van fosfor, is door de rechter failliet verklaard.
Ze konden niet op tegen concurrentie uit Kazachstan. En zo rondkijkend op het internet is niemand daar rouwig om. De website van RTL bericht ademloos over 'geheime documenten van de overheid' waarin zou staan dat het opruimen van radioactieve afval op het Thermphos-terrein de belastingbetaler honderden miljoenen zal gaan kosten. Op omroepzeeland.nl staan berichtjes van omwonenden die blij zijn dat die verschrikkelijke vervuilende fabriek eindelijk dicht is.
Allemaal waar. Fosfor produceren is nu eenmaal een relatief vervuilend proces, dus mooi dat we dat kunnen outsourcen naar derdewereldlandjes. Daar zijn ze toch allang dood voordat ze kanker kunnen krijgen van zo'n fosforfabriek. Maar wat de kranten helemaal over het hoofd zien is dat Thermphos de enige overgebleven Europese fabrikant van fosfor was. Fosfor heb je nodig voor kunstmest. Zonder kunstmest geen bier en/of ander voedsel. Nu is heel Europa voor ons kunstmest, en dus voor ons eten, compleet afhankelijk van landen als Marokko, Kazachstan en, hoe kan het ook anders, China. Dat lijkt mij vrij gevaarlijk.
Dat landen ook echt machtspelletjes spelen met hun grondstoffenmonopolies is niet zo maar een leuk Tom Clancy-scenario. In mijn eigen onderzoeksgebiedje gebeurt het nu al. Neem nu neodymium. Een obscuur metaaltje dat vooral voor extreem sterke magneten wordt gebruikt.
In 1997 kochten twee Chinese bedrijven Magnequench, de laatste Amerikaanse fabriek die in staat was neodymiummagneten te maken. Zo'n beetje alle high-tech wapensystemen zijn afhankelijk van neodymiummagneten, dus werd er bedongen dat de fabriek in de VS moest blijven. Minimaal vijf jaar. Een eeuwigheid voor onze kapitalistische economie. In een document van het Amerikaanse ministerie van Defensie staat smakelijk beschreven hoe precies vijf jaar later - op de dag nauwkeurig - alle werknemers van Magnequench werden ontslagen. De fabriek werd naar China verscheept. Dat was allemaal geen probleem, want de magneten werden er alleen maar goedkoper op. Totdat de Japanners in oktober 2010 de kapitein van een Chinese vissersboot hadden gearresteerd, omdat hij met zijn bootje rond een paar onbewoonde eilandjes aan het vissen was, waar China en Japan beiden aanspraak op maken. De eilandjes, bij elkaar niet meer dan zeven vierkante kilometer, zijn onbewoond, maar de zee er omheen bevat veel olie en gas. Vandaar.
De Chinezen probeerden twee weken lang via diplomatieke wegen hun kapitein terug te krijgen. Toen zetten ze simpelweg de export van neodymium naar Japan stil. Officieel wegens problemen met de douane. Vervolgens liep zo'n beetje de hele elektronica- en autoindustrie van Japan het gevaar om haar deuren te moeten sluiten. Uiteindelijk moest Hillary Clinton er aan te pas komen om het conflict op te lossen. Japan liet de kapitein gaan.
Op zich zijn dit soort grondstoffenmonopolies wel weer op te lossen. In Duitsland zit bijvoorbeeld nog een klein bedrijfje dat zelf magneten maakt en in Finland hebben ze ook fosfaten. Maar die productie opschalen om in de behoefte van 504 miljoen Europeanen te kunnen voorzien duurt gewoon tien jaar. En tien jaar is een lange tijd om aan bier en tieten te denken terwijl de Chinezen je bij de ballen hebben.

Benjamin Sprecher
Promovendus bij het Centrum voor Milieu-
wetenschappen Leiden

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

Wetenschap

Snorren met een helm

Motorrijden is het dodelijkst, blijkt uit onderzoek naar ongelukken van gemotoriseerde …

Rubrieken

English page