'Geen zorgen maken, tikken'

De scriptie van Marc van Oostendorp, hoogleraar fonologie
Door Thomas Blondeau

De scriptie is voor de meesten het sluitstuk van hun academische vorming. Voor hoogleraren was het slechts een opstapje. Wat maakt het verschil? In deze nieuwe reeks praat Mare met prominente wetenschappers over hun scriptietijd. Taalkundige Marc van Oostendorp bijt de spits af.

Wat was uw afstudeercijfer?

'Dat weet ik niet meer precies. Maar ik ben wel cum laude afgestudeerd.'

Proficiat nog.

'(lacht hartelijk) Dank u. Als ik me heel ongelukkig voel, dan denk ik daar nog wel eens aan.'

Voelde het toen als een triomf?

'Ik wil niet overdreven bescheiden klinken maar of ik nu een acht of een negen haalde, maakte mij niet zoveel uit. Zelf een onderwerp kiezen, dat helemaal in je eentje uitzoeken en opschrijven, merken dat je dat leuk en interessant vindt – dat is veel belangrijker.

'Ik ben toen best eigenwijs aan de slag gegaan. Ik heb het in de zomer van 1990 geschreven terwijl iedereen op vakantie was. Toen mijn begeleider terugkwam, kreeg hij opeens een volledige scriptie zonder dat ik ooit tussenversies had voorgelegd.'

Uw scriptie onderzoekt de syntaxis van moedertaalsprekers van het Esperanto, een kunstmatige taal die ooit bedacht is om de communicatie tussen volkeren te vergemakkelijken. Hoe komt een mens daarbij terecht?

'Het is best een dwars onderwerp. Als je taalkunde gaat studeren, krijg je bij wijze van spreken op college één van het vak "Inleiding tot de taalwetenschap" te horen dat de taalwetenschap zich bezighoudt met de natuurlijke taal van mensen. Niet met bijen- of computertaal en ook niet met bedachte talen zoals Esperanto. Eén van de argumenten daarvoor is dat kunsttaal geen moedertaalsprekers kent. Ik had mezelf op mijn dertiende Esperanto geleerd en wist er dus al het nodige vanaf. En als eerstejaars dacht ik meteen: dat klopt niet. Heel eigenwijs, zoals ik al zei.'

Dus toen u nog maar net studeerde, had u al een scriptieonderwerp te pakken?

'Zo zou je het kunnen zeggen. Toen ik het onderwerp jaren later inleverde, dacht ik nog dat het wat controversieel zou zijn, maar het werd meteen geaccepteerd.'

Op je dertiende Esperanto aanleren, de liefde voor taal zat er vroeg in.

'Ja. Toen ik als kind op vakantie naar Wales ging, leerde ik de naam van dat ene dorp daar uitspreken: (Zonder haperen) Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch. Die ken ik dus ook al dertig jaar uit mijn hoofd.

'In de openbare bibliotheek van Den Bosch - waar ik woonde - vond ik een cursusboek van de Federatie van Arbeiders-Esperantisten en zo ben ik mij erin gaan verdiepen.'

Voor scriptie deed u onderzoek naar moedertaalsprekers van Esperanto. Wat voor mensen zijn dat?

'De beste zijn drietalige mensen die het kind zijn van internationale ouders die elkaar ontmoet hebben op een Esperanto-congres. Dus dan leren ze de taal van moeder, vader en Esperanto.

'Ik vond die via het Internationaal Esperanto-instituut in Den Haag. Een half uur nadat ik ze had opgebeld, kwamen ze met een lijstje van moedertaalsprekers in Nederland. Daaruit heb ik de meest geschikte gekozen en ze een vragenlijst opgestuurd.'

Een scriptie moet, hoe minimaal ook, nieuwe informatie presenteren. Wat was uw ontdekking?

'Je hebt een traditie die zegt dat Esperanto geen syntaxis heeft. Er bestaan zestien grammaticaregels. Heel simpel dus. Alles wat niet door die regels verboden wordt, kan. Maar hoe je dan een zin opbouwt, dat moet dus ergens vandaan kan komen.

'Ik heb laten zien dat in het Esperanto van die moedertaalsprekers dingen zitten die je niet kunt verklaren aan de hand van de andere talen die die mensen ook spreken.

'Mijn conclusie was dan de syntaxis dus aangeboren was. Over die uitkomst zijn mijn gedachten nu wat veranderd. Inmiddels vind ik dat antwoord niet afdoende. Want als het niet aangeboren is, waarom komt het dan ook niet in die talen voor? Nu zou ik zeggen dat het voorgekomen is uit een clash van de talen van de ouders. Je wordt sadder and wiser, hè.'

Ziet u soms eigenwijze studenten in de collegezaal zitten die u doen denken aan hoe u vroeger was?

'Ik vind het leuk om twee studenten elkaar in de haren te zien vliegen over de vraag of een klankregelmatigheid nu aangeboren of historisch zo ontwikkeld is. Vroeger was ik één van hen.'

Nooit zorgen gemaakt over wat u zou doen na uw afstuderen?

'Nee. Na een jaar Nederlands te hebben gestudeerd, ben ik overgestapt naar algemene taalwetenschap en heb ik er ook een propedeuse informatica bij gedaan. Ik ben uiteindelijk afgestudeerd in de computertaalwetenschap. Begin jaren negentig wist je dat je dan meteen aan de slag kon.

'Ik had bovendien de ongelofelijke luxe dat er meerdere promotieplaatsen beschikbaar waren. Maar misschien moet je dat maar niet opschrijven want anders worden studenten van nu wanhopig jaloers als ze dat lezen.

'Wel dacht ik toen soms: "Als ik nu ga promoveren, dan ben ik vier jaar ouder en heb ik mezelf dan niet uit de markt geprijsd?" Maar in 2000 had je een crash en kwamen veel informatici op straat te staan. Ik kreeg toen net mijn eerste vaste baan.'

Studeren draaide voor u altijd om kennisverrijking blijkbaar, nooit om je klaar te stomen voor een baan.

'Precies. In het eerste jaar moest je een enquête invullen. Wat je wilde worden met deze opleiding en wat je dacht te gaan worden. De meesten gaven als antwoord op de eerste vraag "journalist" of "dichter" en op de tweede "leraar".

'Er was maar één iemand die op allebei de vragen invulde 'hoogleraar'. Nu moet ik zeggen, ik was de eerste van mijn familie die ging studeren, dus ik wist was waarschijnlijk niet zo goed wat dat precies inhield. (lacht)'

Sommige studenten kunnen eindeloos tegen de scriptie aanhikken.

'Ja, voor sommigen kan het iets te groot worden. Perfectionisme kan dan gaan tegenwerken.

'Als ik mensen begeleid, raad ik hen aan zo snel mogelijk aantekeningen te maken. Ga zo snel mogelijk tikken, stel het niet uit.

'Dat is mijn enige truc, het enige wat ik voor heb op mensen die het moeilijk vinden om tot iets te komen. Ga gewoon zitten en (gooit zijn handen op het toetsenbord). Als het niets is, kun je het nog weggooien. Mijn nadeel is dat ik corrigeren en herwerken dan weer minder leuk vindt. Mijn scriptie was ook het eerste werk dat ik op een computer schreef.

'Van die gigantische floppy's had je toen nog. Vooral met het bijhouden van de verschillende versies die je op andere computers had geschreven, ging het wel eens mis.'

Dacht u tijdens het schrijven van die scriptie nooit: 'God, dit moet ik nu tot mijn vijfenzestigste zien vol te houden'?

'Nee, alleen zijn, schrijven en nadenken, ik vind het nog steeds fantastisch.'

Wie is hij?

Marc van Oostendorp (1967) ging als eerste van zijn familie naar de universiteit. Hij ving zijn studie aan in Leiden om in 1991 cum laude af te studeren in Taal en Informatica te Tilburg. In 1995 promoveerde hij aldaar, eveneens cum laude.

Momenteel werkt hij als senior-onderzoeker op het Meertens Instituut, het onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen dat zich bezighoudt met de bestudering en documentatie van Nederlandse taal en cultuur.

Bij de Leidse taalkunde-opleiding is hij hoogleraar fonologische microvariatie. Daarnaast levert hij bijdrages over taal aan verschillende media zoals Radio Noord-Holland, het tijdschriftOnze Taal en het weblog Sargasso. Ook werkte hij mee aan Dat is andere taal!, een tv-serie over dialect en moedertaal, te zien op Nederland 2 op maandagavond.

Deel dit bericht: