Leesmuizen op het slagveld

Historicus brengt vijf eeuwen militaire boekcultuur in kaart

Door Marleen van Wesel

Militairen zijn grotere boeken-wurmen dan je zou verwachten, ontdekte promovendus Louis Sloos. Sommige officieren hadden zelf leesclubjes. ‘Zij behandelden samen Don Quichot of Goethe.’

'Ze hebben heel wat geschreven om elkaar de hersens in te slaan, zeggen sommigen.' Louis Sloos (1972) opent de deur van het boekendepot van het Legermuseum in Delft, waar hij conservator is. 'Hier staan 250.000 boeken vanaf 1500. Vanaf toen begon men oorlog niet langer alleen als een praktische zaak te beschouwen. Er kwam een theoretische onderbouwing bij.'

De opkomst van het buskruit dwong artilleristen en vestigingsbouwers tot nadenken over het verstevigen van hun vestigingen en het aanpassen van hun geschut. 'Karel VIII van Frankrijk trok in 1494 met een leger van 40.000 man over de Alpen naar Italië. Daar was men nog niet berekend op enorme overmacht en gigantische slachtpartijen. Met de kogels die zijn nieuwe vuurwapens afschoten tijdens veldslagen ontketende hij een debat over oorlogsvoering.'
Doordat ook de boekdrukkunst zich in die tijd snel uitbreidde, kwamen de militaire uitgaven rond 1500, vooral met boeken voor ingenieurs en artilleristen, in een stroomversnelling terecht. De invasie van de hertog van Alva met zijn Spaanse leger in de tweede helft van de zestiende eeuw had voor de Nederlanden hetzelfde effect als Karel VIII voor Italië. 'De wetenschap in het algemeen kende een bloei tijdens de Tachtigjarige Oorlog, door de komst van bijvoorbeeld Justus Lipsius, Simon Stevin en de boekdrukker Christoffel Plantijn naar de Noordelijke Nederlanden.'
Alles wat in de lange rijen boekenkasten te vinden is, valt onder wat Sloos de 'militaire boekcultuur' noemt: het gedrukte boek als communicatiemiddel binnen de krijgsmacht, maar ook de leescultuur onder militairen, de boekproductie door militairen en de wisselwerking tussen de krijgsmacht en de samenleving op dit gebied. Dat is tevens het onderwerp van het proefschrift waarop Sloos onlangs in Leiden promoveerde.
Het onderwerp is minder obscuur dan het lijkt, legt hij uit. 'De militaire cultuur in het algemeen, en ook de leescultuur, vormt een mooie afspiegeling van de maatschappij. Alle ontwikkelingen op het gebied van druk- en uitgeverijgeschiedenis, alfabetisering en trends vind je terug in de militaire publicistiek. En omgekeerd heeft juist het leger op een aantal punten behoorlijk wat invloed gehad op de algemene boekcultuur. Denk aan de alfabetisering in de negentiende eeuw, die werd bespoedigd door onderwijs aan soldaten, of aan de opkomst van pocketboeken in de twintigste eeuw. Ook droeg het leger in belangrijke mate bij aan technieken zoals de ontwikkeling van de lithografie.'
Rond 1500 hadden officieren een brede smaak, zegt hij. 'Ze waren meestal van adel en beschikten over fraaie boekenkasten met, naast militaire boeken, ook poëzie en romans. Uit een onderzoek naar boedelinventarissen en conduitelijsten blijkt dat ze die boeken daadwerkelijk opensloegen. Door de Verlichting werd van mensen een zekere universele kennis verwacht, die ze lezend opdeden. Een commandant noteerde bijvoorbeeld over een kornet, die regelmatig in de boeken dook, al hielp het in dit geval niet veel: "Hij leest om zich op verscheiden wetenschappen toe te leggen, edoch zijne denkbeelden blijven confuus."'
Hoewel Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke producent was van militaire literatuur, kwamen er omstreeks 1830 pas eigen publicaties. In de Napoleontische tijd kwamen er al wel veel vertalingen van Franse werken op de Nederlandse markt. 'Lodewijk Napoleon was een echte soldatenkoning. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van het Nederlandse leger in de negentiende eeuw. Ook ontstond er onder zijn bewind tussen 1806 en 1810 een gespecialiseerde uitgeverij-boekhandel, door de gebroeders Van Cleef.' Zelf was Lodewijk Napoleon overigens een aardige boekenwurm, getuige de lijst van zijn bibliotheek die is opgenomen in Sloos' proefschrift.
Een nieuw genre in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw was het zedenkundige boek. 'Vanaf de invoering van de dienstplicht in 1810 kwamen alle rangen en standen, zelfs het schuim der natie, in het leger terecht. Dat was de aanleiding voor een beschavingsoffensief vanuit onder andere de kerk en de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Aanvankelijk stond in die boeken uitvoerig uitgelegd dat je niet mocht vloeken, niet te veel moest drinken en hoe je met vrouwen moest omgaan. In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de krijgsmacht de distributie als het ware overnam van de kerk, werden rekruten met boekjes meer aangezet tot heldenmoed.'
Het effect van deze fatsoenspogingen blijkt uit een anoniem pamflet uit 1890, waar een oud-militair klaagt dat 'de vuilste taal, het verschrikkelijkste vloeken, de ontucht en de dronkenschap' nog altijd beschouwd werden als een vorm van kranigheid.
Hoewel zestiende-eeuwse officieren zich al verdiepten in poëzie, kwamen pas in de tweede helft van de negentiende eeuw vermakelijke militaire boeken op, zoals spannende romans over de diensttijd. 'Mede door de dienstplicht kwamen ook intellectuelen, zoals de schrijver Lodewijk Mulder en de tekenaar Willem Staring, in het leger terecht. Mulder schreef het satirische werk De Stokvischorders, over zijn eigen ervaring met de toenemende absurde regeltjes waar militairen zich aan moesten houden. Staring maakte daar later spotprenten bij. Staring is later nooit meer bevorderd. Maar hij werd sindsdien wel regelmatig gevraagd voor illustraties.'
Boeken geschreven door militairen vonden gretig aftrek, vooral in garnizoenssteden, maar ook op andere plaatsen. Ze werden met regelmaat gerecenseerd door vooraanstaande literaire bladen als De Gids.
Tussen prachtig bewaarde boeken uit het Ancien Régime wijst Sloos in het depot op ellenlange rijen sjofel ogende boeken. 'In de negentiende eeuw kwamen de kazernebibliotheken op en tijdens een missie, bijvoorbeeld terwijl ze op wacht stonden, sloegen militairen regelmatig een boek open. Lezen was zo populair dat boekjes goedkoop op grote schaal werden geproduceerd.' Sommige officieren verenigden zich zelfs in militaire leeskringen. 'Zij behandelden samen ook literaire werken, zoals Don Quichot en zelfs Goethe.'
Ook bijbeltjes werden halverwege de negentiende eeuw gratis verstrekt aan Nederlandse soldaten, om analfabete soldaten samen mee te laten oefenen, en natuurlijk om de 'bijbelse waarheid' over te brengen. De boekjes, beschikbaar gesteld door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, waren precies zo groot 'dat de borstzak der tuniek voldoende ruimte aanbood'. Terwijl in de Amerikaanse burgeroorlog soldaten gered werden doordat het zakbijbeltje soms kogels tegenhield, had het Nederlandse leger het vrij rustig. Vermakelijke heroïsche beschrijvingen van eerdere oorlogsdaden hielden in de chauvinistische negentiende eeuw de krijgsmachtsgeest er in.
Vanaf de Tweede Wereldoorlog geven sommige uitgevers Amerikaanse soldaten boeken mee op missie. Zedenprekende boeken, bijbels en reglementen, maar ook pocketromans. Ondanks moderne vormen van vermaak ging in 2003 nog altijd wat leesvoer mee naar Irak, zoals een bewerking van een filosofisch oorlogswerk van de Chinese generaal Sun Tzu uit de vierde eeuw voor Christus.
Ook in Nederland speelt het boek nog een belangrijke rol bij Defensie, zegt Sloos. 'Ondanks de digitale mogelijkheden lenen cadetten, ook van lagere niveaus, behoorlijk wat boeken bij de bibliotheek van de Koninklijke Militaire Academie. Een opvallende ontwikkeling is wel dat militairen tegenwoordig meer opgeleid worden tot een soort diplomaten. Ze doen uit boeken veel kennis op over het volk, de taal en het geloof van het land waar ze heengaan. Daarover is nu een debat gaande. Minister Hillen vindt eigenlijk dat ze minder voor ontwikkelingswerker moeten spelen en weer meer moeten vechten. Maar Defensie is eigenlijk wel trots dat militairen overal waar ze komen midden in de maatschappij staan.'
Sinds 1850 stellen militairen na een missie bijna altijd een gedenkboek samen. 'Dat doen ze nu nog steeds. Kameradenboeken zijn het, met foto's en teksten over wat ze samen beleefd hebben, vaak betaald van het geld dat hun bar binnenbrengt.' In de talloze kasten kan hij zo snel geen voorbeeld vinden. Wel komt hij een prachtige Korpsgeschiedenis tegen, geïllustreerd door Willem Staring. 'Aan zo'n hoogtepunt van art nouveau wordt in de boekwetenschap nauwelijks aandacht besteed. Daar hangt nogal een hoog Betje-Wolff-en-Aagje-Dekengehalte.'

Gewapend met kennis. 500 jaar militaire boekcultuur in Nederland Louis Ph. Sloos Vantilt, 544 pagina's, 3 april 2012.

Deel dit bericht: