Apenrots

We zaten op de bank met een stel literatuurwetenschappers en keken naar foute high school comedies. De helft van het gezelschap moest er even inkomen, maar als God niet wilde dat we slechte films zouden kijken, dan had hij de huiswijn van de AH niet zo goedkoop gemaakt.

Bij Mean Girls lachten we allen smakelijk. ‘Wat zijn scholieren toch vals,’ meesmuilde iemand, wat alom beaamd werd. ‘Ik ben blij dat ik zelf niet zo’n immoreel hormonenvat ben geweest. Als ik behoefte had aan drama las ik My Body, This Paper, This Fire wel!’ Jaja, met Foucault kan je lachen. Literatuurwetenschap staat er natuurlijk om bekend dat het een oneindige parade is van hilariteit.
Ik was het gesprek eigenlijk al helemaal vergeten tot de zondagochtend daarna. Toen ik langs het FSW liep, keek ik recht in de zelfverzekerde smoeltjes van een grotere verzameling tieners dan ik in lange tijd gezien had.
Achter hen stond een rij scooters, en ze leken allemaal een Eastpak te hebben. Ik liep haastig door. De laatste keer dat ik zo’n cluster onvolledige hypofyses zag was immers afgelopen augustus in Londen. (Zouden de Mariannes van Frans een knokploeg hebben ingehuurd, dacht ik nog? Met anderstalige spandoeken kom je immers ook niet overal.)
Uiteindelijk kwam de realisatie: het was weer tijd voor de examentrainingen. Ik had mezelf een half uur lang verbeten googelen kunnen besparen als ik beter had gekeken. De groeiende hoop energiedrankblikjes, het nerveuze gegiechel – het waren allemaal duidelijke tekens. Scholieren. Duidelijkst van alles was wel dat zelfs in deze groep (die toch een gezamenlijk tragisch lot deelde) zich al duidelijk een hiërarchiestrijd had afgespeeld, en de scheve blikken en besmuikte grijnsjes waren niet van de lucht. Ik rolde eens  ontroerd met mijn ogen. Wanneer veranderde dat nu? Wanneer werd je van een achterbaks Eastpakklootzakje nou een beschaafde intellectueel?
Ik dacht terug aan het filmavondje. Iemand had een anekdote verteld over een trieste promovendus die Deleuze en Baudrillard niet goed uit elkaar kon houden. Oh, wat hadden we gelachen.
Ik ook natuurlijk, al had ik tegelijkertijd licht hysterisch om me heen gekeken op zoek naar iemand anders die ook maar net deed of hij de grap snapte. Ik was blijkbaar de enige.
Toen had ik het pas door. Dat geniepige, die neiging tot ad hominem geouwehoer, dat geginnegap om de try-hards, of juist degenen die niet hard genoeg hun best doen – dat gaat nooit voorbij. Daar is een universitaire opleiding eigenlijk alleen maar een verlengstuk van.
Misschien wordt het zelfs alleen maar erger, nu je niet alleen op cijferlijstniveau met elkaar concurreert, maar ook voor een promotieplek en op de arbeidsmarkt. Toen ik eindexamen deed had ik het gevoel gehad eindelijk de valse, zwaar emotionele apenrots ontsnapt te zijn. Het zweet brak me uit bij de gedachte dat ik van de ene apenrots op een andere, nog grotere apenrots was beland.
‘Snappen jullie nou dat zij wil promoveren?’ had iemand gezegd. ‘Ik bedoel, meent ze dat nou? Als je Freud nog volledig serieus neemt als bron van literaire theorie? Hahaha. Wat een zelfbedrog.’
‘En haar haar zit ook altijd zo stom,’ had ik gegrijnsd, en daar was iedereen het volmondig mee een geweest.
Ik besloot maar eens een Eastpak aan te schaffen.

Anne van de Wijdeven
Masterstudent literatuurwetenschap

Deel dit bericht: