Column: Over één nacht ijs

In Australië hebben ze het maar makkelijk. Dat is typisch zo’n continent waar de natuur actief haar best doet om je een langzame, pijnlijke dood te doen sterven. Raak de verkeerde boom aan en je ligt een kwartier later schuimbekkend tussen de wombats. Dat klinkt niet bepaald wenselijk, maar het werkt voor die Australiërs. Als je huis verlaten betekent: je begeven in de oneindige strijd tussen mens en natuur (UV-straling, hondsdolle opossums, drop bears), dan leef je elke dag wel alsof het je laatste is.
Daar hebben we het hier een stuk moeilijker mee. We proberen het wel, door in de zomer zenuwachtig weg te dansen voor wespen en af en toe de deugdelijkheid van dijken in twijfel te trekken, maar dat zijn lapmiddelen. We hebben het gewoon niet getroffen in de letaliteitsloterij. Tot nu.
Terwijl Erik Hulzebosch in De Wereld Draait Door gelukzalig zucht over de Elfstedentocht trekt heel Nederland erop uit. Mensen schieten onder het ijs, vallen van bevroren trappen, raken betrokken in ijsbalgevechten en kettingbotsingen. Ik vind het afgrijselijk, maar toen ik heimelijk door de stad sloop (fiets aan de hand, oren gespitst op elk geluid wat maar kon wijzen op baldadige twaalfjarigen of – erger nog! – halfzatte mannendisputen) greep iedere voorbijganger de weersomstandigheden aan om enthousiast een gesprek te beginnen.
Op weg naar de Universiteitsbibliotheek werd ik op de Witte Singel bijna geschept door een chauffeur met een hysterische blik in zijn ogen. Achter mij klonk het uitgelaten: ‘Wat een weer, hè! Met al die sneeuw!’
Ik hijgde terug: ‘Jaaa, maar wel gevaarlijk.’
Waarop achter mij: ‘Lévensgevaarlijk!’ Dat iemand zoveel extase, zoveel gusto kon leggen in vijf lettergrepen deed me gauw mijn fiets oprapen. Dat soort mensen, daar moet je voor uitkijken. Die zijn zo bereid je onder een auto te duwen. Als offer aan de weergoden, zullen we maar zeggen.
Verderop stond een bejaarde vrouw naast haar droevig ogende Fiat. ‘Zal ik het erop wagen?’ vroeg ze, wijzend op de weg die nu meer weg had van een skipiste.
‘Het lijkt me niet verstandig’, antwoordde ik, me rillend aan mijn fiets vastklampend.
‘Nee hè?’ beaamde ze guitig, en kroop achter het stuur.
Ik bedoel maar. Het vriest een paar nachtjes en iedereen verandert in een roekeloze zelfmoordenaar. Dat is ijspret anno 2012. Niks geen koek en zopie: traumahelikopters. Als je per se een sneeuwbal wil gooien naar iemand, doe er dan een steen in. Vooral ook niet langzaam rijden (waar heb je anders die winterbanden voor?) Als je niet minstens drie bijna-doodervaringen hebt tijdens elke willekeurige excursie naar het land van sneeuw en ijs, dan had je net zo goed binnen kunnen blijven. Ik passeerde een meisje dat innig stond te zoenen met een lantarenpaal. ‘Straks vries je vast’, riep ik nog, maar ze kon al geen antwoord meer geven.
Op de Lange Mare duwden twee jongens een slee voort. Ze hadden allebei rode konen van iets wat het midden hield tussen onderkoeling en opwinding. ‘Voorzichtig!’ riep de één achter de slee, zijn armen wanhopig molenwiekend om het kind op de slee er niet vanaf te laten vallen. Ik was al bijna bereid tot een vertederde glimlach toen ik zag dat er op de slee helemaal geen kind zat. Het was een krat Grolsch.

Anne van de Wijdeven
Masterstudent literatuurwetenschap

Deel dit bericht: