Column: Beroepsmisvorming

Zoals waarschijnlijk bij veel wetenschappers, kwam de affaire Stapel de laatste maand of twee vaak ter sprake in gesprekken met collega’s. Voor mij en bevriende antropologen, sociologen en sociaal-geografen was het duidelijk: deze affaire had te maken met een structureel probleem in de Nederlandse wetenschap.
We konden het verklaren door te kijken naar een steeds grotere prestatiedruk, gekoppeld aan toenemende marktwerking binnen de onderzoeksfinanciering, waarbij je om elk dubbeltje onderzoeksgeld moet concurreren met je directe collega’s.
Stapels fraude was een extreme, uitzonderlijke reactie op dit systeem. Maar ook ‘normale’ wetenschappers liggen ’s nachts te piekeren over hun publicaties, krijgen psychosomatische klachten van al het overwerk, of voelen zich op z’n minst schuldig dat ze hun kinderen niet vaak genoeg zien.
Toen raakte ik op een NWO-dag in gesprek met twee klinische psychologen, die absoluut niks van deze maatschappijwetenschappelijke verklaring moesten hebben. Stapels gedrag had helemaal niets te maken met de neoliberalisering van de wetenschap of met welk systeem dan ook. Hij was een anomalie, een halve psychopaat. Als hij in een andere sector had gewerkt – het bedrijfsleven, de gezondheidszorg – had hij op den duur ook bizar, onacceptabel gedrag vertoond. Een uitleg die zich geheel op het individu richtte.
Geconfronteerd met hun stelligheid moest ik wel erkennen dat ik Stapel totaal niet ken en dus ook geen sterke aanwijzingen heb dat zijn gedrag sterk causaal verband hield met ‘het systeem’. Hetzelfde gold voor de interpretatie van de psychologen, die zich ook tot een diagnose op afstand moesten beperken. Het was vooral grappig om te merken hoezeer je disciplinaire achtergrond je wereldbeeld beïnvloedt: maatschappijwetenschappers gaan meteen op zoek naar structurele verklaringen, gedragswetenschappers naar individuele.
Een bevriende historicus vertelde dat ze dit verschil in disciplinair wereldbeeld ook kende. Ze was met een journalist op vakantie gegaan naar de Gambia, en waar haar vriendin telkens ‘verhalen’ zag, was zij zelf juist getroffen door de manier waarop het lokale begrip van geschiedenis werd gekleurd door Amerikaanse tv-series. Een criminoloog vertelde een soortgelijk verhaal: op vakantie in Barcelona zag hij overal  waar hij kwam mensen informele of illegale activiteiten ondernemen, zo getraind was hij om ‘deviantie’ te herkennen.
Ik heb er zelf ook een beetje last van. Mijn promotieonderzoek ging over milieuproblematiek in het Caraïbisch gebied, en nu kan ik nooit meer naar een tropisch eiland zonder me af te vragen of het rioolwater ongezuiverd de zee in gaat, waarom er alleen maar witte mensen op het strand zitten, en of de hotels allemaal in handen van multinationals zijn. En na drie jaar een vak over stedelijke ongelijkheid te hebben gegeven, kan ik ook geen stedentrip maken zonder benieuwd te zijn naar waar ze hun arme mensen en lelijke jarenzestigflatgebouws hebben verstopt.
Mijn huidige onderzoek valt binnen de subdiscipline van de antropologie van de staat, en hier heeft mijn beroepsdeformatie wel weer voordelen. Als ik in Jamaica weer eens lang in de rij moet staan bij één of andere overheidsdienst, of in Nederland in een ingewikkelde bureaucratische procedure terecht kom, troost ik mezelf dat ik weer een interessant etnografische ervaring rijker ben, waarmee ik de theorie beter kan begrijpen en toetsen. Als ik deze truc ook leer toe te passen op die ‘structurele problemen’ waar alle wetenschappers weleens mee geconfronteerd worden, heb ik helemaal niets meer te klagen.
Hoe zouden psychologen en historici dat doen?

Rivke Jaffe
Universitair docent culturele antropologie

Deel dit bericht: