MARE DI LIBRI - MARE 32, 3 juni 2004
Occidentalisme verzet zich tegen consumptie, hedonisme en rationaliteit
Haat tegenover het Westen verklaard
Ian Buruma en Avishai Margalit: Occidentalism: The West in the Eyes of Its Enemies. The Penguin Press,. New York 2004. 165 pgs. ISBN: 1843542870. 27,95
John Gray: Al Qaeda and What It Means To Be Modern. Faber and Faber. Londen 2003. 160 pgs. ISBN: 1565848055. 20, 95
Uri Rosenthal
Wie na het neerhalen van de Berlijnse Muur, nu vijftien jaar geleden, dacht voortaan in rust en voorspoed te kunnen leven, is bedrogen uitgekomen. De jaren negentig van de vorige eeuw wierpen hun schaduwen al vooruit. Maar de gewelddadige uitbarstingen en confrontaties in dat decennium hadden nog een bekende logica. De Golfoorlog was het gevolg van de aanval van een dictatoriaal regiem op een aangrenzende soevereine staat.
Bij de slachtingen in Ruanda stonden etnische groepen elkaar naar het leven – wat in de jaren zestig ook al eens gebeurd was. Daarnaast waren er de nodige terroristische aanslagen op verschillende continenten. Ze behoorden voor het merendeel tot het klassieke terrorisme. Ze waren gericht op beperkte doelen en hielden het aanwenden van geweld binnen de perken.
Het nieuwe terrorisme, met het catastrofaal terrorisme als een van zijn bloeddorstige varianten, wil maximaal effect boeken door zoveel mogelijk slachtoffers te maken. We zijn nog maar net de 21ste eeuw binnengetreden en we hebben al een reeks terreuraanslagen van catastrofale proporties achter de rug. De literatuur over de Islamitische catastrofale terreur stemt uitermate somber. Ze laat zien hoe vehement de weerzin tegen het westen in sommige Islamitische kringen is en hoezeer die weerzin terugvoert tot de ideeën van even invloedrijke als obscure denkers uit verschillende, ook niet-Islamitische landen en culturen. Daar lijkt geen kruid tegen gewassen.
De krachtigste en meest verontrustende analyse komt van Ian Buruma en Avishai Margalit in hun boek Occidentalism: The West in the Eyes of Its Enemies. Ze beschrijven trefzeker het anti-Westerse vijandbeeld dat zich in vorige eeuwen ontwikkeld heeft, deels ook in Westerse landen zelf. Dat vijandbeeld noemen zij ‘occidentalisme’ – dus de tegenvoeter van Edward Said’s ‘oriëntalisme’.
Het manifesteert zich in een grondige afkeer van de Westerse rationaliteit, van de mechanische voortbrenging en consumptie van nutteloze producten, van het hedonisme en de zucht naar comfort, van de zielloze leegheid van het economistische bestaan. Dit alles komt samen in de ondeugden van de grote stad waar geldwolven en hoeren de dienst uitmaken.
Zoals Buruma en Margalit opmerken, gaat het allerminst om een uitsluitend Islamitisch probleem. Westerse ideeen zijn bijvoorbeeld ook in Japan, de Meiji periode in de tweede helft van de negentiende eeuw uitgezonderd, vaak afgeschilderd als ziektekiemen die de Japanse geest dreigden aan te tasten. En we treffen bovendien zo niet de kenmerken, dan toch stevige aanknopingspunten voor het occidentalisme aan in allerlei Europese stromingen die zich in extreme mate verzetten tegen de verworvenheden van de Verlichting.
Dat varieert van de Duitse romantische Kultur tot het Russische nativisme. Dit neemt niet weg dat het occidentalisme momenteel vooral in de Islamitische wereld aan populariteit heeft gewonnen, met Osama bin Laden als perfect symbool. Cruciaal voor de verbinding tussen het occidentalisme en het terrorisme van Islamitische groeperingen is de convergentie tussen politieke radicalen en religieuze fundamentalisten. Vanuit dat perspectief is, aldus Buruma en Margalit, de val van de politieke elite in Saudi-Arabië slechts een kwestie van tijd.
De haat tegenover het Westen betekent niet dat de occidentalisten de functies van de westerse rationaliteit veronachtzamen. Buruma en Margalit laten zich daar af en toe wat laatdunkend over uit: wel kritiek oefenen maar intussen er wel volop gebruik en vooral misbruik van maken. John Gray slaat op dit punt in Al Qaeda and What It Means To Be Modern een veel nuchterder toon aan.
Hij plaatst het occidentalisme onverkort in zijn moderne context. Islamitische terreurgroeperingen, waaronder Al Quaeda, zijn bij uitstek moderne organisaties, en dan niet alleen omdat ze computers gebruiken maar juist ook omdat hun ideologische ‘vondsten’ volledig in het teken staan van de voortdurende confrontatie met het Westerse doen en laten. Ze maken doeltreffend gebruik van de feilen van het Westerse denken en doen.
Gray neemt het Westen in dit opzicht de maat: ‘Terrorism thrives on the weakness of states’ (p. 75). De vastbeslotenheid van Islamitische terreurgroeperingen staat in schril contrast tot de zwakheden en het gebrek aan daadkracht van de Westerse landen.
De connectie tussen terrorisme, de drugshandel en de georganiseerde misdaad wijst verdacht sterk in de richting van occidentalistische barsten in het Westerse zelfbeeld en, toch ook, in de bittere Westerse realiteit van de 21ste eeuw. En waar de Verenigde Staten, aldus Gray, met hun anti-koloniale zelfbeeld uiteindelijk niet bereid en in staat zijn als een imperialistische mogendheid hardhandig en blijvend orde op zaken te stellen, ziet de toekomst er allesbehalve rooskleurig uit.
Wat hebben deze twee even korte als pregnante boeken ons nu te bieden? Buruma en Margalit laten zien hoe een verwrongen anti-Westers vijandbeeld zich inmiddels diep in de Islamitische wereld genesteld heeft. Het is de vraag of het veel zin heeft daar allerlei Westerse feiten tegenover te stellen.
Vooroordelen laten zich immers maar ten dele door feiten corrigeren, en als men pech heeft, bevestigen die feiten anderen alleen maar in hun vooroordeel. Buruma en Margalit geven ons met dit al weinig houvast als het erom gaat catastrofale terreur te bestrijden. Het lijkt zo ongeveer wat auteur Jean Baudrillard opmerkt: ‘The spectacle of terrorism forces the terrorism of spectacle upon us’ (The Sprit of Terrorism, London 2002, p. 30).
We komen verder met Gray. Zijn prikkelende analyses duiden op de noodzaak van Westerse vastbeslotenheid. Westerse regeringen moeten de terechte behoefte aan veiligheid van de bevolking weer serieus nemen. 1989 – de val van de Berlijnse Muur – behoort tot de vorige eeuw. Regeringen moeten beseffen dat ze geconfronteerd worden met moderne tegenstanders die op veel punten, zoals snelheid van handelen en verrassing, op voorsprong staan. Ze hebben het mandaat van hun bevolking: ‘The mass of humanity cares more about security than it does about prosperity. States that deliver safety are more legitimate than those that promise wealth’ (p. 96).
Ook als Al Quaeda – zo zegt Gray - over een jaar of tien over zijn hoogtepunt heen mocht zijn, is de dreiging van catastrofale terreur niet weg. Die dreiging kan uit een heel andere hoek dan het occidentalisme komen. Ze hoeft ook niet perse door duistere ideeën gevoed te worden. Er zijn vele typen mensen en groepen van de kwade wil. Des te meer reden dus voor de Westerse regeringen om het terroristen – wie en waar ook - zo moeilijk mogelijk te maken.
Uri Rosenthal is hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden, voorzitter van het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement en lid van de Eerste Kamer (VVD)