SLUITINGSTIJD - Mare 31, 27 mei 2004

Carnavaleske markt

Het is lente, ik sta in de rij voor een discotheek. De portier weigert de twee jongens vóór me: geen collegekaart. Zelf passeer ik zonder gezeur. Niet dat ik een collegekaart bij me heb, maar wel een vriendin, jong, en jonge vrouwen doen over het algemeen wonderen, en weten hun feminisme op gepaste tijden te vergeten. (Trouwens, ook voor mannen was het feminisme een uitkomst. Hun doel is uiteraard altijd al geweest om zoveel mogelijk meisjes en vrouwen… nou ja, om ‘kennis aan ze te hebben’, en de elastische moraal van de eigentijdse vrouw vergroot hun afzetmarkt aanzienlijk).

Opnieuw in de rij. Garderobe. Zij krijgt nummer 156, ik 157. Soms denk ik dat alle garderobenummers van alle discotheken die ik ooit bezocht samen een getal vormen, en dat dit onvoorstelbare, alleen door hypnosesessies te achterhalen cijfer, iets duidelijk zou kunnen maken over mijn lot.

Dat ene nummer, dat in werkelijkheid moet bestaan, zou misschien het toegangsbewijs zijn tot een megadiscotheek, samengesteld uit alle discotheken waar ik ooit kwam. Terwijl ik de dansvloer gadesla, probeer ik na te gaan of deze onbestaanbare maar denkbare disco een paradijs is of een hel.

De marktwereld die de jongeren totaal in haar greep heeft, spiegelt het in elk geval voor als het eerste. De meeste financiële transacties gedurende de week – kleding, kapper, sportschool, scooter, schoenen, mobieltje, cd’s – zijn direct of indirect gericht op deze ene zaterdagavond, hoogtepunt van de week, waar de grootste transactie zal gaan plaatsvinden: die waarin de consument op zíjn beurt weer een product is dat aan de man of vrouw gebracht moet worden.

De dansvloer is een carnavaleske markt: alle deelnemers zijn tegelijkertijd acteur en toeschouwer, tegelijkertijd product en consument. Duizelingwekkende erotiek van de dubbele dubbelrol. Zweet. Geuren. Beats. De tempoaanduiding bij deze partituur: prestississississississimo. Ze cirkelen rond elkaar, de lichamen, in de balzalen van In Casa, LVC, de podia en balkons van Paradiso, Dansen bij Jansen, Odeon, op elkaar gestapeld als een wolkenkrabber die hoger reikt dan beide Twin Towers ooit konden.

De kelder van de dancing aan de Via Beatrice Cenci in Rome, de hoge kraaiennestkooien aan de balustrades in Space Electronic in Florence, het Palacio de Gaviria en het krankzinnige El Calentito in Madrid… in gedachten stapel ik ze moeiteloos op elkaar, verbonden door roltrappen en liften.

Mensen cirkelen er eeuwig rond elkaar, als moleculen in een eerst nog gasvormige en daarna vloeibare stof. Het is drie uur ’s nachts, de utopie is een orgie die voortdurend op het punt staat om uit te barsten en het net niet doet.

Paradiso? Het visioen vertoont eerder een beangstigende gelijkenis met passages uit Dantes Inferno. Ik ben wat duizelig als we weer buiten staan. Het is niet voor het eerst dat ik besluit om voortaan een leven te leiden van louter kruidenthee, Chopin, monogamie, boswandelingen en Zenmeditatie.

Christiaan Weijts