MARE DI LIBRI - MARE 27, 8 april 2004

Middeleeuwen bakermat westerse voorsprong

De Europese Sonderweg

De Duitse socioloog Max Weber wijdde het grootste deel van zijn leven aan onderzoek naar de bijzondere geschiedenis van het Westen. Zijn interesse heeft na ongeveer een eeuw niet aan actualiteit verloren. Michael Mitterauer, hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit van Wenen, wil in zijn boek aantonen hoezeer de Westerse ‘Sonderweg’ al tijdens de Middeleeuwen in Europa vorm kreeg. Hij hanteert de term ‘Europa’ daarbij nogal ruim. In feite beperkt hij zich vrijwel steeds tot het gebied waarover Karel de Grote eens heerste. Wie het bijzondere wil laten zien, moet vergelijken. Mitterauer doet dat door met name naar Byzantium, de Islamitische wereld en China te kijken.

Peer Vries

Het boek opent met een hoofdstuk over de agrarische revolutie van de Vroege Middeleeuwen. In West Europa gingen boeren toen graan, vooral rogge en haver, als hoofdgewas verbouwen. Dat graan had een lage opbrengst en putte de grond sterk uit. Er was zodoende veel akkerland nodig dat afwisselend werd bebouwd met zomer- en wintergraan en braak lag. Zware ploegen waren in deze vorm van landbouw onmisbaar. Alleen grote dieren konden die trekken. Dat betekent dat veel weiland voorhanden moest zijn. De keuze voor deze vorm van gemengd bedrijf was niet zonder gevolgen voor andere sectoren van de economie. Trekdieren konden in transport en nijverheid worden ingezet. Het graan moest gemalen. Dat gebeurde vaak in watermolens, die ook in nijverheid en mijnbouw toepassing konden vinden. Ook andere landbouwproducten vereisten verdere verwerking. Voor ploegen en andere apparatuur was veel ijzer nodig. Dit alles gaf de nijverheid een stimulans.
Mitterauer begint zijn boek niet toevallig met een analyse van de landbouw. Het is van immens belang welke gewassen worden verbouwd. In het Verre Oosten was rijst het belangrijkste gewas. Mitterauer verbindt daar grote terecht consequenties aan. Bijvoorbeeld het vrijwel ontbreken van grote trekdieren en weiland. Het is ook geen toeval dat in de rijstbouw menselijke arbeidskracht verreweg de belangrijkste bron van energie was en de meeste van de aanwezige watermolens voor irrigatie dienden. Hij neigt echter tot overdrijven. Je mag bijvoorbeeld het geringe gebruik van watermolens of andere apparaten in het Verre Oosten niet uitsluitend wijten aan het feit dat rijst na de oogst weinig bewerking vereist. Het pellen van rijst was buitengewoon arbeidsintensief. Machines hadden daar zeker arbeid kunnen besparen. Dat geldt ook voor het irrigeren en draineren van het land. Rijst wordt bovendien soms wel verder bewerkt: in Tokugawa Japan was het vervaardigen van sake, rijstwijn, de belangrijkste tak van nijverheid. Daarnaast gaat hij voorbij aan het feit dat, zeker in de vroegmoderne periode, naast rijst ook gewassen werden verbouwd die wél veel bewerking vereisen, bijvoorbeeld katoen, hennep, of suikerriet. Veel rijstboeren hielden ook zijderupsen.
Met de verbreiding van de graaneconomie in de Vroege Middeleeuwen verbreidde zich ook het zogeheten hofstelsel, dat er volgens Mitterauer perfect bij aansloot. Landheer en boeren hadden elk hun ‘eigen’ stuk land. De boeren waren vrij in het bewerken van hun land, maar zij waren hun heer wel allerlei afdrachten en herendiensten verschuldigd, onder andere het bewerken van diens land. Een dergelijk stelsel bestond nergens anders ter wereld. De hoeksteen ervan vormde de hoeve en het huishouden dat die hoeve bewoont.
Dat brengt ons bij het volgende hoofdstuk dat handelt over verwantschap. Hier wordt voornamelijk de situatie in Noord West Europa besproken. Ook die is inderdaad uniek. Overeenkomstig de Christelijke leer ging het huwelijk gelden als een overeenkomst tussen twee individuen. Die vormden de spil van het gezin. Voorouderverering ontbrak en de rol van verdere verwanten was relatief gering. Wie trouwde, werd geacht een eigen huishouden op te zetten. De huwelijksleeftijd lag derhalve doorgaans vrij hoog. Veel mensen trouwden zelfs helemaal niet. Het was bovendien gangbaar dat ongehuwden, van beide geslachten, niet bij hun ouders woonden, maar in een ander huishouden. In laatste instantie was de gehele samenleving opgebouwd uit dergelijke huishoudens.
In een volgend hoofdstuk poneert Mitterauer dat Europa een unieke vorm van feodaliteit kende. Ook die stelling lijkt me goed te verdedigen. Zeker gelet op de specifieke combinatie van feodale relaties en het al genoemde hofstelsel. De versnippering van elke vorm van machtsuitoefening die zo kenmerkend is voor het feodalisme, legde, in combinatie met de losse verwantschapsstructuur, een uitstekende basis voor het ontstaan van talloze voor West Europa zo typerende corporatieve instellingen.
Wie over de Westerse Middeleeuwen spreekt, kan niet om de Katholieke Kerk heen. Mitterauer wijdt er een hoofdstuk aan en laat indringend zien hoezeer die door haar organisatie afweek van andere religies en hoe groot het stempel was dat zij op het Westen drukte. Nergens anders vormde een kerk een zo machtige, centraal bestuurde organisatie met eigen recht, eigen ambtenaren en een eigen leger. Aan het hoofd stond de paus, die - hetgeen al evenzeer uniek is - een beroep kon doen op diverse in principe aan hem ondergeschikte kloosterorden. Het waren pausen die de drijvende kracht vormden achter veel van de kruistochten. Aan die kruistochten en de wijze waarop zij overgingen in het begin van de Europese expansie, wijdt de auteur hoofdstuk zes. Ook hier betreft het unieke verschijnselen. Waar elders stuiten we op een door een religieus gefundeerde organisatie gedragen veroveringsproject of op door privé-ondernemers en overheden gezamenlijk opgezette pogingen tot expansie? Mitterauers laatste hoofdstuk is getiteld ‘Predigt und Buchdruck. Frühformen der Massenkommunikation’. De daar uitgedragen these dat ook wat massacommunicatie betreft het Westen al in de Middeleeuwen heel anders was, kon mij niet erg overtuigen. Een beter uitgewerkte vergelijking met China en zeker Japan was zeker op haar plaats geweest.

By 1000 C.E. the basic work in Europe had already be done’. Mitterauer is het eens met deze aan de antropoloog Louis Dumont toegeschreven stelling. Dat impliceert dat de genoemde kenmerken ook allemaal een duidelijk en uitzonderlijk stempel hebben gedrukt op de latere geschiedenis van het Westen. Dat waag ik te betwijfelen. Niet wat betreft landbouw en verwantschap. Wat hofstelsel en feodalisme betreft, ligt de zaak veel gecompliceerder. Die zijn aan het einde van de vroegmoderne tijd weliswaar zo goed als geheel verdwenen, maar je zou met Mitterauer kunnen verdedigen dat zij aan de basis liggen van moderne Westerse fenomenen als representatieve democratie, scheiding der machten en federalisme. De laatmiddeleeuwse expansie zou - met enige goede wil - kunnen worden beschouwd als voorspel tot het moderne imperialisme. De relatie tussen de onmiskenbaar unieke kerkelijke organisatie van de Katholieken in de Middeleeuwen en Europa’s moderniteit lijkt mij uiterst problematisch. Het ontstaan van de moderne wereld onder Westerse hegemonie wordt vaak juist in verband gebracht met de afnemende greep van Rome op de samenleving.

Verbazingwekkend en onbevredigend aan Mitterauers doorgaans voortreffelijk en fascinerende analyse is dat hij gewoon voorbijgaat aan de crux van Webers vraagstelling, terwijl hij die toch meerdere malen citeert. Die vraag luidt: ‘...welche Verkettung von Umstände hat dazu gefuhrt, dass gerade auf den Boden des Okzidents, und nur hier, Kulturerscheinungen auftraten, welche doch - wie wenigstens wir uns gern vorstellen - in einer Entwicklungsrichtung von universeller Bedeutung und Gültigkeit lagen?’. (cursivering in origineel)
Het gaat Weber niet om willekeurig welke eigenaardigheid van Europa maar om Europese eigenaardigheden met wereldwijde effecten. Hij laat er geen twijfel over bestaan welke zijns inziens ‘die schicksalsvollste Macht’ van de moderne tijd is: het kapitalisme. Dat is volgens hem oorspronkelijk een typisch Westers fenomeen. We vernemen nergens wat Mitterauer van deze stelling vindt en kunnen alleen maar constateren dat hij op eventuele Middeleeuwse wortels ervan nergens expliciet ingaat. Hij beweert wel herhaaldelijk dat Europeanen al in de Middeleeuwen veel meer dan mensen elders gebruik maakten van andere energiebronnen dan menselijke spierkracht en van allerlei apparatuur. Dit zou dan mede moeten verklaren waarom in Europa de industriële revolutie plaatshad. Deze redenering is zeker het onderzoeken waard. Bewezen is ze echter niet.
Ook over eventuele Middeleeuwse wortels van de tweede hoeksteen in Webers ‘Okzidentale Sonderentwicklung’ te weten de moderne staat, vernemen we weinig. Dat is buitengewoon jammer. Immers de moderne, Weberiaanse staat is juist sterk gecentraliseerd, bureaucratisch en gebaseerd op formeel recht. In plaats van privileges en standen kent hij slechts ‘rule of law’ en burgers. Hij is kortom door en door anti-feodaal. Hoe stelt Mitterauer zich wat dit betreft verbindingslijnen voor tussen de Middeleeuwen en Webers tijd? Ook over de wetenschap ten slotte, die in Webers analyse van de Westerse rationalisering zo’n prominente rol speelt, vernemen we niets. Ook dat is jammer. Temeer omdat de stelling dat de moderne wetenschap en het moderne wetenschapsbedrijf in de Middeleeuwen hun wortels vonden, het verdedigen waard is en ook reeds is verdedigd.
Weber zou in Mitterauers boek niet het antwoord op zijn vraag hebben gevonden. De titel ervan dekt de inhoud slecht. Wie dat voor lief neemt, zal echter kunnen beamen dat Mitterauer een uitstekend boek schreef over Europese eigenaardigheden tijdens en na de Middeleeuwen.

Michael Mitterauer: Warum Europa? Mittelalterliche Grundlagen eines Sonderwegs. Beck. München 2003. ISBN 3-406-50222-9. 352 pgs. € 24.90