Thomas Blondeau
In 2002 dreigde Herman van Gunsteren met opstappen. Nu blijft de hoogleraar politieke theorieën, na zijn afscheidsrede, doceren. Zijn recentste boek Woordenschat voor verwarde politici is een reisgids voor politieke vernieuwers. Behalve politici krijgen ook de media er van langs.
Langzaam stroomt zijn kamerbrede boekenkast leeg in verhuisdozen. Aan de muur hangt een zwart-wit poster van de voluptueuze, Franse actrice Béatrice Dalle. ‘Die haal ik weg hoor, als studenten hier tentamen komen doen. Het zou niet passend zijn, ze zo af te leiden.‘
Prof. dr. Herman van Gunsteren (63), hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie maakt plaats voor een nieuwe generatie. Een nieuwe generatie die twee jaar geleden uitbleef en er voor zorgde dat Van Gunsteren aan de bel trok. Hij dreigde met een voortijdig vertrek als de universiteit geen faciliteiten vrijmaakte voor de opleiding politicologie.
‘Jonge mensen bleven niet hangen en de opleiding was niet in staat nieuwe krachten aan te trekken. Het gevolg was dat de gemiddelde leeftijd van de staf hoog lag. En dat is dramatisch voor de wetenschap. Het aantrekkelijke van een universiteit is net dat ideeën over generaties heen getild kunnen worden. Ik vind het buitengewoon verfrissend als een student mij corrigeert‘, aldus de hoogleraar. Het budget voor politicologie werd verhoogd ‘vier jaar na aanvraag‘ en hij hoefde niet met knallende deuren te vertrekken. Zowel bij politicologie als rechtsfilosofie blijft hij colleges geven.
Dat Van Gunsteren gehoor vindt buiten de muren van Academia, blijkt uit het succes van het boek Het grote ongenoegen dat hij samen met prof. dr. Rudi Andeweg schreef. Dit boek uit 1994 betoogde dat de kloof tussen burger en bestuurder van alle tijden is. Alleen het gegeven dat politici zich in hun daden laten beïnvloeden door de negatieve reactie van de burger, was nieuw. In het verleden deed een politicus zijn werk en als dat weerzin teweegbracht, dan moest dat maar. Toen Fortuyn kwam en ging, werd Ongenoegen weer uit de kast gehaald en beide schrijvers werden geroemd vanwege hun profetische gaven.
Van Gunsterens nieuwste telg Woordenschat voor verwarde politici is geboren uit de vaststelling, dat bestuurders voor pers- en interruptiemicrofoon, steeds moeilijker uit hun woorden komen. Althans, wat de betekenis van die woorden betreft. Want verwarring lijkt de grootste gemene deler. Sterker nog, ‘een politicus die beweert nooit in de war te zijn, moet wel met ogen en oren dicht leven‘, staat op de achterflap te lezen.
‘Waarden moeten niet door de overheid opgelegd worden‘
Woordenschat is een heldere uiteenzetting over de fundamentele mechanismen van de politiek. Soms zo helder dat het zorgen baart. Is het niet jammer dat politici deze dingen nog uitgelegd moeten krijgen?
‘Jammer zou ik niet zeggen. Het gaat in de politiek immers vaak om contra-intuïtieve inzichten. Democratie werkt in negen van de tien gevallen goed. Maar als het in dat ene geval niet werkt, dan moet je democratie niet gaan forceren. Soms moet je regels nemen om de vrijheid te waarborgen. Dat is een belangrijk gegeven.
‘Ik stel vast dat dit verwarrende tijden zijn voor politici. Het spaak lopen van de vele democratische vernieuwingen is daar een bewijs van. De hoofdgedachte achter dit boek is dat politiek een strijd met woorden is. Als iedereen de woorden op zijn eigen manier gebruikt en niet weet wat je met die termen kan, dan loop je vast in de politiek. Tegenwoordig worden concepten veel te snel weggegooid. Het multicultureel beleid moet overboord, de democratiseringsbeweging van ‘68 was niet goed enzovoorts. Terwijl ik denk dat we net de kinderziektes hebben doorlopen.‘
Zijn de tijden niet altijd verwarrend geweest? Dichter en journalist Jan Greshoff zei al dat politici hun taal hanteren om twee redenen. Of om hun ideeën te verbergen of om te verbergen dat ze geen ideeën hebben.
‘Het is van alle tijden maar we zitten met nu met deze problemen. Ik ben het niet eens met Greshoff want anders zouden politici nooit wat voor elkaar verkrijgen. Of verhinderen dat er een dictatuur komt. Ik ben niet zo negatief ingesteld maar dat er vaak een subtekst onder de woorden van politici ligt, is duidelijk. Ik ben geen voorstander van het idee van een duidelijke waarheid die altijd verkondigd moet worden.
‘Wat ik wel merk is dat dingen zich op een glijdende schaal bevinden. Zoals in de discussie over de multiculturele samenleving. Stel nu dat de islam inderdaad een slechtere cultuur zou zijn. En dan? Wat schiet je op met die conclusie? In die discussie steekt altijd een premisse dat de zogenaamde mindere cultuur Ð als je dat al kan vaststellen - moet verdwijnen. Alsof we de verplichting zouden hebben altijd de beste cultuur kiezen.‘
In de inleiding van uw boek staat dat u terug wil naar de kern van de woorden. Een nobel maar vreemd streven in deze postmoderne tijden.
‘Ik geef toe dat het niet mogelijk is naar de kern van de woorden terug te keren. Maar wat ik bedoel is de kern uit het historisch gebruik van een woord. In welke context werden die woorden vroeger gebruikt, welke culturele feiten kwamen daarbij om de hoek kijken? Ik stel vast dat die culturele feiten bij veel politici verdwenen zijn en dat die personen daarom op eigen gezag dingen gaan beweren.‘
U geeft niet hoog op over het huidige normen-en-waardendebat. Wat is er mis met Balkenendes ethisch reveil?
‘Ik vind het programma daaromtrent gevaarlijk en Balkenendes plannen dictatoriale trekjes vertonen. Waarden moeten niet door de overheid opgelegd worden. Ik snap zijn bezorgdheid maar zijn oplossingen bevatten enorme obstakels. Zo veronderstellen ze dat mensen worden aangestuurd vanuit hun waarden. Maar mensen worden door de meest uiteenlopende dingen bewogen: lust, afgunst, calculatie en soms door waarden. Maar personen die vanuit waarden handelen zijn meestal lastig en vervelend. Dat zijn communisten of gereformeerden.
‘Daarnaast hebben we naast vrijheid van religie ook vrijheid van moraal. De overheid mag religie en moraal niet opleggen, behalve voorzover de wet dit eist. Bovendien, wiens moraal, welke waarden moet je opleggen? En wat betekent die christelijke moraal bijvoorbeeld voor de overheid? Voor de overheid geldt een andere moraal dan die voor het contact tussen mensen onderling. Bijvoorbeeld voor het gebruik van geweld. Daar is de overheid bevoegd dingen te doen die gewone burgers verboden zijn. De moraal van de gewone man kan daar dus niet gelden.‘
In uw boek pleit u voor een staatsrechtelijke inbedding voor de media. Wat moet ik me daarbij voorstellen?
‘Ik pleit voor die inbedding omdat de macht van de media niet adequaat gecontroleerd kan worden door het geweten van de journalist. De media moeten onafhankelijk zijn. De garantie daarvoor zoekt men in de vrijheid van het individuele geweten. Maar dat is uiterst labiel. Als één journalist met een nieuwsfeit komt, volgen de negen andere die er eigenlijk niet over wilden berichten.
‘Hoe je dat precies moet gaan regelen, daar ben ik nog niet uit. Mijn conclusie is de consequentie van de constatering dat de media een publieke macht zijn geworden en van de redenering dat machten elkaar in evenwicht dienen te houden in een liberale democratie. Neem de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Een rechter mag geen uitspraak doen over een zaak waarmee een familielid te maken heeft. Dat is geen regel die de vrijheid van de rechters inperkt maar een waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Beeld even in, ter wille van de argumentatie, dat het verboden zou zijn over het seksuele leven van ambtsdragers te schrijven. Als iedereen het daar over eens dan kan een overtreder weggeparkeerd worden.
‘Maar ook het gedrag van politici kan zo gereguleerd worden. Nu refereren Kamerleden voortdurend aan de media. Politici worden nu vermalen tussen experts en de media. Ik vraag me af of de democratie daarbij gebaat is.‘
Thomas Blondeau