ACHTERGROND - MARE 33, 12 juni 2003
Biografie over student en dandy-dichter Gerard Goudriaan
Verloofd met de POËZIE
Een van de kleurrijkste studenten die Leiden gekend heeft, is de dandy-dichter Gerard Goudriaan (1919 - 1949): corpslid zonder middelbareschooldiploma, eeuwige student die nooit colleges bezocht, die zich in het openbaar verloofde met de poëzie, en die stierf door een auto-ongeluk op de Witte Singel. Zijn neefje Buck Goudriaan schreef een biografie over zijn raadselachtige oom.
Christiaan Weijts
Het is in de tijd dat er nog trams door Leiden rijden. De student-dichter Gerard Goudriaan stapt ‘s nachts de sociëteit van Minerva uit, en om de weg naar zijn huis aan de Rijnsburgerweg terug te vinden, zet hij zijn stok in de tramrails en laat zich vooruit glijden. Hij arriveert bij de remise, achter het huidige station. ‘De wissel staat verkeerd‘, zegt hij tegen het nachtpersoneel. ‘Dan moet u teruggaan!‘ En hij: ‘Nee! Jullie moeten de wissel omzetten!‘ Het personeel gehoorzaamt en Goudriaan bereikt veilig zijn huis.
In dat huis heeft hij een ‘onderstebovenkamer‘ ingericht, met meubels omgekeerd aan de zoldering vastgemaakt. Eerstejaars studenten giet hij eerst vol met drank, om ze vervolgens naar die kamer te slepen. Door een luikje kijkt hij de volgende ochtend naar hun reactie als ze wakker worden met het gevoel dat ze als een vlieg tegen het platfond kleven.
Het is een greep uit de talloze verhalen die over Gerard Goudriaan de ronde deden. Hij flaneerde over de Breestraat en dineerde in de Vergulde Turk gekleed als de dandy‘s die hij bewonderde, zoals Oscar Wilde of Lord Byron: driedelig pak met pochet, bloem in het knoopsgat, Borsalino-hoed en wandelstok met ivoren knop. Maar even gemakkelijk vermomde hij zich als Russische grootvorst met berenmuts, als werkman in overall, als generaal-major met monocle of als orgelman die in de tram geld ophaalde.
Goudriaans neefje, Buck Goudriaan, zoon van Gerards zes jaar oudere broer, besloot in het leven van zijn bizarre oom te duiken en schreef een biografie over hem. ‘Ik heb die oom nooit gekend, maar was wel altijd al door hem geïntrigeerd‘, zegt hij. ‘In de familie werd er veel over hem gesproken, altijd in een geheimzinnige sfeer. Toen ik zeventien was nam ik zijn gedichten mee uit de huiskamer naar mijn eigen kamer. Toen is de kiem van mijn interesse ontstaan.‘
Aan de hand van gesprekken met mensen die hem gekend hebben en onderzoek naar wat er allemaal over hem geschreven is, probeerde de Buck Goudriaan een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van het leven en werk van zijn oom.
‘Hij is op een hele vreemde manier de studentenwereld binnengekomen. In 1939 liet hij zich inschrijven als toehoorder aan de universiteit, terwijl hij niet eens een middelbareschooldiploma had. Voor de oorlog liep hij een paar colleges, zoals bij filosofie, maar na de oorlog is hij voor zover ik weet maar één keer bij een college geweest, van W.A.P. Smit, die driekwartier lang een gedicht van Marsman analyseerde. Daar ging Goudriaan helemaal van over de rooie. Van die rationele benadering moest hij niets hebben.‘
Ook werd hij via via lid van het nog altijd actieve letterendispuut Sodalicium Literis Sacrum, dat in 1871 was opgericht, en waar mensen als de dichter Leopold en Jan en Annie Romein lid van waren geweest. Na de oorlog werd hij ook plotseling lid van Minerva. ‘Waarschijnlijk heeft iedereen toen gedacht dat hij dan ook gewoon studeerde.‘
Bij Literis ventileerde Goudriaan zijn eigenzinnige poëzieopvattingen die niet altijd in goede aarde vielen. ‘Hij komt ook vaak te laat wat in die kringen een doodszonde was, en heeft regelmatig gedonder omdat hij zich niet aan de regels houdt. In de notulen die van de vergaderingen zijn gemaakt wordt dat goed weergegeven, dat is prachtig materiaal.‘
In die tijd heeft hij contacten met de dichters Lehmann en Buddingh, en Hans van Straten (die nog een oude schoolvriend was) en interviewt hij de dichter Ed. Hoornik voor het tijdschrift De Nederlandsche Bibliografie dat in Leiden werd uitgeven. Via de dochter van boekhandelaar Kooyker was hij hierbij terechtgekomen. Hierin schrijft hij ook recensies en langere polemische stukken.
Met een dichtbundel komt hij in 1943 naar buiten: de Wenteltrap, die hij in eigen beheer uitgeeft en op een nogal ongebruikelijke manier presenteerde. ‘Een vriend van hem ging zich verloven en kondigde dat aan met een advertentie in het Leidsch Dagblad‘, vertelt de biograaf. ‘In diezelfde krant besluit Goudriaan dan ook zíjn verloving aan te kondigen, met ene Pétré W. Dantèl. De receptie is in restaurant de Beukenhof in Oegstgeest, waar familie en vrienden naartoe komen. Het verhaal gaat dat hij op weg naar die receptie op straat en meisje aansprak die hij daar als zijn verloofde voorstelde. Na de receptie gaan ze samen weg, maar na een kwartier komt Goudriaan in z‘n eentje terug, met de mededeling dat de verloofde niet beviel, en dat hij eigenlijk met zijn werk verloofd was.‘ Toen deelde hij zijn eerste (en enige) dichtbundel uit, en bleek zijn fictieve verloofde een anagram van de titel te zijn.
De literaire waardering voor de bundel was echter niet groot. Lehmann schreef een (voor zover bekend ongepubliceerde) recensie waarin hij het afkraakte en ook Jan Gresshof liet zich in 1950 in de Nieuwe Courant negatief uit over het werk dat hij ‘onrijp‘, ‘rustig‘, en ‘bezadigd‘ vond. Wel nam Gerrit Komrij later één gedicht op in zijn monumentale en gezaghebbende bloemlezing van gedichten uit de negentiende en twintigste eeuw.
Na de oorlog, als de universiteit weer open gaat, beginnen veel van zijn vrienden geleidelijk aan af te studeren en goede banen te krijgen. De autodidact Goudriaan lijkt eventjes een carrière in de journalistiek te ambiëren, maar dat is eigenlijk niet voor hem weggelegd. ‘Hij schreef te persoonlijk, en was eigenlijk nooit degelijk journalistiek. Hij had geen vak en was veel te ongedisciplineerd om in het arbeidsbestel te kunnen.‘
Sommige vrienden vonden daarom de manier waarop hij plotseling overleed ‘een waardig einde‘. Wat had er anders van hem terecht moeten komen? ‘Zo‘n ongeluk kon alleen maar Goudriaan overkomen‘, meende een medestudent. Wat gebeurde er? Op 1 juni 1949, een week voor zijn dertigste verjaardag, reed hij met vijf medestudenten in een jeep over de Witte Singel, en bij de scherpe bocht naar rechts, tegenover de Hortus, sloeg de auto over de kop. Goudriaan was de enige die het ongeluk niet overleefde.
‘Volgens sommigen reden ze te hard, volgens anderen was er alcohol in het spel, en weer anderen zeggen dat er een band klapte. Dat blijft onduidelijk. Uit Australië kreeg ik een biref van de vriendin die hij toen had en die op dat moment in Engeland zat. Goudriaan zou haar een paar dagen later komen opzoeken voor haar diploma-uitreiking. Ze schreef dat ze die nacht gedroomd had dat Gerard overleed. En een maand van tevoren is hij zijn zolderkamer aan het opruimen, verkoopt hij allerlei boeken, en bestemt hij het laatste exemplaar van een gedrukt gedicht dat in vijf exemplaren bestond aan een jeugdvriend. Zo ruimt hij alles op. Hij was bezig zijn leven opnieuw in te richten maar dit is wel heel radicaal, alsof er een voorgevoel was. Dat blijft raadselachtig.‘
Buck Goudriaan: De gedrevene tussen de dorens. Leven en werk van de Leidse dandy-student Gerard Goudriaan (1919-1949). Uitgeverij De Nieuwe Vaart. 272 blz. € 19,95.
Vanavond, donderdag 12 juni, wordt de biografie om 20.00 uur gepresenteerd in boekhandel Kooyker, Breestraat 92